Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/6.2.4.2
6.2.4.2 Rechtsgeldigheid
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS419899:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 9 november 1999, nr. 26449/95 (Špaček s.r.o./Tsjechië), www.echr.coe.int, par. 54.
EHRM 25 maart 1999, nr. 31107/96 (Iatridis/Griekenland), RJ&D 1999-II, par. 58.
EHRM 21 februari 1986, nr. 8793/79 (James e.a./Verenigd Koninkrijk), Series A98, par. 58-66.
EHRM 22 september 1994, nr. 13616/88 (Hentrich/Frankrijk), FED 1994/762, par. 42.
O.a. EHRM 18 februari 1991, nr. 12033/86 (Fredin/Zweden), Series A192, par. 50 en EHRM 22 juni 1989, nr. 11373/85 (Eriksson/Zweden), Series A156, par. 59.
EHRM 25 maart 1983, nr. 5947/72 e.a. (Silver e.a./Verenigd Koninkrijk), Series A61, par. 88.
Ellis 1995, p. 8.
Thomas 2005, p. 329.
Zie ook Popelier 2005, p. 147.
O.a. ECRM 10 maart 1981, nr. 8531/79 (A., B., C., D./Verenigd Koninkrijk), D&R 23, p. 209, EHRM 23 oktober 1997, nr. 21319/93 (National & Provincial Building society e.a./Verenigd Koninkrijk), par. 83 en EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95 (M.A. e.a./Finland), FED 2003/604 (m.nt. Wattel).
ECRM 12 oktober 1994, nr. 21294/93 (Voggenberger Transport GmbH/Oostenrijk), www.echr. coe.int.
Zo ook Baker 2000, p. 305, HR 8 februari 2002, nr. 35 721, BNB 2002/137 (concl. Wattel; m.nt. Van Kesteren).
EHRM 9 november 1999, nr. 26449/95 (Špaček s.r.o./Tsjechië), www.echr.coe.int, par. 58.
In art. 1 EP EVRM tweede volzin is vermeld dat eigendomsontneming alleen mag plaatsvinden met inachtneming van de voorwaarden neergelegd:
in de wet; en
in de algemene beginselen van het internationaal recht.
De wettelijke basis mag zowel geschreven als ongeschreven recht zijn.1 Het vereiste van rechtsgeldigheid geldt niet slechts ten aanzien van de ontnemingsregel, maar ook ten aanzien van de reguleringsregel. In de tweede paragraaf van art. 1 EP EVRM is namelijk vermeld dat:
‘een staat [het recht] heeft om die wetten toe te passen (curs. MSB), welke hij noodzakelijk oordeelt (...).’
Ondanks het feit dat voor de algemene genotsregel het legaliteitsbeginsel niet nadrukkelijk van toepassing is verklaard, kan ervan worden uitgegaan dat dit beginsel ook ten aanzien van deze regel geldt.2 Aldus geldt het legaliteitsbeginsel voor alle drie de regels.
Het vereiste dat elke inmenging in het eigendomsrecht in overeenstemming moet zijn met de algemene beginselen van het internationaal recht, geldt alleen voor handelingen van een verdragsstaat ten aanzien van niet-onderdanen.3 Dit onderwerp valt buiten de probleemstelling van mijn onderzoek en zal ik daarom niet verder uitdiepen.
Het vereiste dat elke inmenging in het eigendomsrecht in overeenstemming moet zijn met het recht van de verdragsstaat is in de rechtspraak nader uitgewerkt. Ingevolge de rechtspraak omvat dit onderdeel van het legaliteitsbeginsel drie elementen, te weten: toegankelijkheid, nauwkeurigheid en voorzienbaarheid.4 Nauwkeurigheid en voorzienbaarheid houden in dat de reikwijdte van de wet alsmede de wijze van uitvoering door de overheid met voldoende precisie moeten zijn weergegeven.5 Geconcretiseerd naar overgangsrecht betekent dit in mijn visie dat duidelijk moet zijn in welk overgangsregime wordt voorzien en hoe dit overgangsregime uitwerkt. Reeds in 1983 gaf het EHRM in de zaak Silver e.a. met betrekking tot een toetsing aan art. 8 EVRM aan dat:6
‘he (MSB: a citizen) must be able – if need be with appropriate advice – to foresee, to a degree that is reasonable in the circumstances, the consequences which given action may entail.’
Deze passage lijkt een basis te bieden voor de gedachte dat onder het voorzienbaarheidsvereiste ook de voorspelbaarheid van wetgeving wordt verstaan zoals ik heb uitgewerkt in par. 5.6. Ook in de literatuur komt deze gedachte naar voren. Ellis vraagt zich af of art. 1 EP EVRM niet impliciet de eis van een anterieure wet bevat.7 Ook Thomas lijkt het vereiste van voorzienbaarheid te interpreteren als voorspelbaarheid van wetgeving.8 Ik betwijfel echter of deze zienswijze juist is.9 In zaken waarin aan de orde is of een wetswijziging kon worden verwacht dan wel terugwerkende kracht in strijd wordt geacht met het eigendomsrecht, besteedt het EHRM in het algemeen bij de beoordeling van de eigendomsvraag (zie par. 6.2.2) en de toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel aandacht aan de mate van voorzienbaarheid.10 Alleen in de zaak Voggenberger Transport GmbH lijkt de ECRM een verband te leggen tussen het voorzienbaarheidsvereiste en de voorzienbaarheid van wetgeving.11 Dat dit verband er daadwerkelijk is, blijkt evenwel niet duidelijk uit het oordeel van de Commissie nu het in casu ging om codificatie van beleid, waardoor in feite geen sprake was van een belastende wetswijziging. Ik ben dan ook van mening dat de voorzienbaarheid van een wetswijziging niet als zelfstandig criterium tot een schending van art. 1 EP EVRM kan leiden, doch dat het een element is dat moet worden meegenomen in de toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel.12
Onder toegankelijkheid verstaat het EHRM dat belastingplichtigen op de hoogte moeten kunnen zijn van het recht. Met betrekking tot wetgeving betekent dit dat de regels moeten zijn bekendgemaakt. Uit de zaak Špacek blijkt dat het EHRM een praktische invulling aan dit vereiste geeft. Het acht met name van belang dat de bekendmaking effectief is geweest.13 Dit betekent dat niet de op het Staatsblad vermelde datum, doch de feitelijke verkrijgbaarstelling van het Staatsblad bepaalt of een wet is bekendgemaakt (vgl. par. 9.2).