Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.3.1
12.2.3.1 Fatale moment
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940393:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 december 1989, BNB 1990/102 en HR 19 december 1990, BNB 1991/176.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 7 juli 2011, V-N 2011/44.4, NTFR 2011/1885, r.o. 6.5: als de inspecteur pas in zijn verweerschrift in eerste aanleg kenbaar heeft gemaakt welk verwijt hij de boeteling maakt, is dat te laat.
HR 20 december 1989, BNB 1990/102, r.o. 4.9 en HR 19 december 1990, BNB 1991/176, r.o. 4.9.4. Bevestigd in HR 28 april 1999, BNB 2000/207.
Zie paragraaf 3.4.2 en paragraaf 3.6 omtrent de situatie vóór 1998, waarin er nog sprake was van verhogingen.
Zie over de gelijktijdigheidseis paragraaf 15.2.
Zie zijn noot bij HR 1 oktober 2004, BNB 2005/40. Herhaald in Feteris 2007, p. 370. Zie over de mogelijke achtergrond van de uitleg van de Hoge Raad: Feteris 2002, p. 207-208 en zijn noot bij HR 22 september 1999, BNB 2000/122.
Zie over het aanvangsmoment van de criminal charge paragraaf 8.2.2.2.
De mededeling moet ‘onverwijld’ plaatsvinden. Het in kennis stellen – in bijzonderheden – van de aard en reden van de beschuldiging moet op een bepaald moment hebben plaatsgevonden. Deze deadline is fataal: vindt de mededeling van het verwijt pas na dat moment plaats, dan kan de boete niet in stand blijven. Volgens vaste nationale jurisprudentie geldt het tijdstip waarop de boete wordt opgelegd en bekendgemaakt als het fatale moment.1 Een gebrekkige of ontbrekende onderbouwing kan na het opleggen van de boete dus niet meer worden geheeld. Het maakt daarbij geen verschil of het gaat om een afzonderlijke, nagekomen toelichting of om een aanvullende onderbouwing in de bezwaar- of beroepsprocedure.2
In de beide kernarresten over de nationaalrechtelijke interpretatie van art. 6 lid 3 onder a EVRM, gewezen in 1989 en 1990, overwoog de Hoge Raad dat ‘de gronden waarop het opleggen van een verhoging berust, in bijzonderheden en uiterlijk op het tijdstip van oplegging van de aanslag waarin de verhoging is begrepen, aan de belastingplichtige moeten worden meegedeeld, hetzij door deze mededeling in het desbetreffende aanslagbiljet op te nemen, dan wel op andere wijze.’3 Vertaald naar het huidige fiscale boeterecht4 moet de mededeling dus uiterlijk hebben plaatsgevonden op het moment van het nemen van de afzonderlijke boetebeschikking, welk moment vanwege de gelijktijdigheidseis ook thans nog veelal zal samenvallen met het opleggen van de aanslag.5
Feteris heeft erop gewezen, dat de uitleg van de Hoge Raad van het fatale tijdstip niet in lijn is met het bepaalde in art. 6 lid 3 onder a EVRM.6 Daaruit volgt immers dat de mededeling van de beschuldiging onverwijld na de criminal charge moet plaatsvinden, terwijl het aanvangsmoment van die charge onder omstandigheden reeds geruime tijd voor het opleggen van de boete kan zijn gelegen.7 De Hoge Raad is dus tamelijk soepel voor de inspecteur.