Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.2:2.7.2 HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071, NJ 1991/593 (Verplegersarrest)
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.2
2.7.2 HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071, NJ 1991/593 (Verplegersarrest)
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859219:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
X is de verpleger van de hulpbehoevende V. V is zeer vermogend en X bezit vrijwel niets. In 1983 trouwen partijen in algehele gemeenschap van goederen. Het huwelijk is aangegaan uit financiële motieven. X heeft sinds 1976 een relatie met een andere man, welke relatie hij niet heeft verbroken. Verder is er sprake van een aanzienlijk leeftijdsverschil. Ten tijde van de huwelijksvoltrekking is X 39 jaar oud. V is op dat moment 72 jaar. Slechts enkele weken na de huwelijksceremonie heeft X zijn vrouw in koelen bloede vermoord door haar welbewust soep te serveren met Surinaamse rum, terwijl hij wist dat zij daar gelet op haar gezondheidstoestand niet tegen kan.
Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de conclusie dat X geen aanspraak kan maken op de ontbonden huwelijksgemeenschap. De Hoge Raad sanctioneert het oordeel van het hof en oordeelt dat de stelling dat de rechter niet op grond van de redelijkheid en billijkheid mag afwijken van het bepaalde in artikel 1:100 lid 1 BW in haar algemeenheid onjuist is. Een afwijking is niet geheel uitgesloten, aldus de Hoge Raad. Het hof heeft volgens de Hoge Raad terecht vooropgesteld dat een dergelijke afwijking enkel in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangenomen in verband waarmee het hof spreekt van ‘een zware maatstaf’. In dit geval is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als onverkort toepassing wordt gegeven aan de regel van verdeling bij helfte uit artikel 1:100 lid 1 BW. X kan geen aanspraak maken op toedeling van goederen die van de zijde van V in de gemeenschap zijn gevallen.1
Uit de uitspraak volgt dat het onthouden van aanspraken, omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, niet snel in het vizier komt. In uitzonderlijke omstandigheden kan dit criterium uitkomst bieden. Niet alleen in het huwelijksvermogensrecht, maar ook in het erfrecht. Perrick merkt hierover op dat het oordeel dat het onaanvaardbaar is dat een erfrechtelijke verkrijger kan opkomen in een nalatenschap, ondanks dat hij daartoe door de wet of uiterste wilsbeschikking is geroepen, op de grond dat dit onverenigbaar zou zijn met ons rechtsgevoel, steun vindt in deze uitspraak van de Hoge Raad.2 Een mooie illustratie van de verwevenheid van beide rechtsgebieden bij de toepassing van dit criterium vormt een uitspraak van de Rechtbank Maastricht die in de volgende paragraaf wordt besproken.