Zoeken naar zekerheid
Einde inhoudsopgave
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/6.1.1:6.1.1 Wat vinden medewerkers van de IND van het vaststellen van innerlijke processen en overtuigingen van de asielzoeker?
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/6.1.1
6.1.1 Wat vinden medewerkers van de IND van het vaststellen van innerlijke processen en overtuigingen van de asielzoeker?
Documentgegevens:
R.W.J. Severijns, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
R.W.J. Severijns
- JCDI
JCDI:ADS180078:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De geïnterviewde medewerkers noemen vijf problemen bij het vaststellen van innerlijke processen en overtuigingen van de asielzoeker. Deze problemen houden verband met: a) de aard van de vast te stellen feiten, b) het beleid, c) het beeld van de asielzoeker die een bekering of zijn seksuele gerichtheid ten grondslag legt aan een asielaanvraag, d) het wantrouwen ten aanzien van het motief van deze asielzoekers en e) de rol van belangengroeperingen, kerken en politieke partijen. Hieronder worden deze aspecten toegelicht vanuit het perspectief van de IND-medewerker.
1) De aard van het feit
Een paar medewerkers verklaren negatieve associaties te hebben bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van verklaringen die verband houden met een bekering of seksuele gerichtheid van de asielzoeker. Zij vinden dit ‘moeilijk’ of ‘niet leuk’. Het zijn verklaringen waarop veel medewerkers zeggen weinig grip te hebben in vergelijking met andere vaak voorkomende feiten, juist omdat er volgens hen weinig zekerheid is te verkrijgen.
I: Kun je zeggen dat je ten aanzien van sommige feiten eigenlijk nooit echt zekerheid krijgt, altijd een beetje in het duister tast en andere eenvoudiger zijn vast te stellen?
R: Alles wat feitelijk is terug te vinden, is natuurlijk makkelijker en alles wat dichter bij de psyche komt, homoseksualiteit, religie, is moeilijker.1
Er blijft bij dit type feiten vaker informatieonzekerheid bestaan of een vastgestelde geloofsovertuiging of seksuele gerichtheid correspondeert met de werkelijkheid. In het onderstaande fragment illustreert een medewerker wat volgens hem het verschil is met de beoordeling van verklaringen over het actief zijn voor een politieke partij:
R: Ja, ik denk dat […] vage dingen zoals bekering en homoseksualiteit lastig [zijn] en dingen als politieke activiteiten enzo [eenvoudiger]. Dan kun je naar feitelijkheden vragen. Als iemand zegt: ik ben heel actief voor de partij [en] iedereen kent me. Als ik jou dan vragen over de partij stel en je weet er niet van, is dat makkelijker. […] omdat iedereen het erover eens zal zijn dat je dat soort dingen zou moeten weten.2
Bekeringen en seksuele gerichtheid worden door deze medewerker getypeerd als ‘vage dingen’, in tegenstelling tot lidmaatschap van een politieke partij. Om de geloofwaardigheid van verklaringen te beoordelen vergelijkt een medewerker die verklaringen met andere (objectieve) informatiebronnen om zo de externe consistentie van de verklaringen te beoordelen. Daarnaast beoordeelt hij of het relaas plausibel is en intern consistent. Bij gebrek aan objectief referentiemateriaal om de externe consistentie vast te stellen, zal de medewerker de geloofwaardigheid van de verklaringen dus uitsluitend moeten beoordelen aan de hand van de interne consistentie en plausibiliteit van de verklaringen. Wat als plausibel of intern consistent wordt beschouwd, kan per medewerker verschillen en hangt bijvoorbeeld af van de opvattingen van de medewerker over hoe iemand tot het besluit kan komen zich te bekeren of hoe iemand met zijn seksualiteit omgaat in een land waar dat afwijkt van de norm. Er bestaan onder medewerkers minder duidelijke verwachtingen van wat iemand die is bekeerd, wordt geacht te weten of voelen, dan van iemand die actief lid is van een politieke partij. Dat levert actieonzekerheid op over de te stellen vragen. Het is daardoor voor IND-medewerkers veel moeilijker om de verklaringen van de asielzoeker te beoordelen. Van een politiek actieve asielzoeker wordt bijvoorbeeld verondersteld dat hij op de hoogte is van de samenstelling en ideologie van een politieke partij. Dergelijke informatie kan door medewerkers meestal worden teruggevonden in ambtsberichten, of desnoods worden opgezocht via het internet. Zulke consensus is onder IND-medewerkers veel minder aanwezig als het gaat over innerlijke processen of overtuigingen, vanwege het subjectieve karakter daarvan.
2) Het beleid ten aanzien van bekeringen en seksuele gerichtheid is volgens medewerkers te soepel en willekeurig
Verschillende medewerkers uiten kritiek op het beleid omtrent bekeringen en seksuele gerichtheid. Het komt op deze medewerkers te soepel en ook willekeurig over. Christenen, bekeerlingen en leden van de LHBT-gemeenschap staan in de Vreemdelingencirculaire in het landenbeleid over een aantal landen genoemd als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. Een aantal medewerkers vraagt zich af waarom zij in het beleid over sommige de landen wel als bijzondere groep worden aangemerkt en in het beleid met betrekking tot andere landen niet.
R: Ik vind het gewoon raar beleid. Het is heel makkelijk.
I: Vind je het beleid raar?
R: Ja.
I: Waarom?
R: Het is gewoon. Als ik hier asielzoeker zou zijn, en ik zou worden afgewezen zou ik het ook doen. Dus ik geef die asielzoeker geen ongelijk. I: Denk je dat de beleidsmakers een keuze hebben gehad en een slechte keuze hebben gemaakt of dat ze geen keuze hadden gelet op de situatie voor deze groep in het land van herkomst?
R: Nou, je hebt hier soms mensen die tig keer een beroep doen op dat beleid. Ik heb zoiets dat als je eenmaal niet geloofwaardig bent geacht, dat je dan niet je tweede of derde asielaanvraag mag indienen omdat je weer een beroep op die bekering wilt doen en nu je relaas wel geloofwaardig kunt vertellen. Dat vind ik bespottelijk.
[…]
Ik vind het ook bijzonder dat je geen enkele Somaliër hier aantreft met een bekeringsverhaal.
I: Is daar geen beleid voor?
R: Jawel, dat beleid zou voor iedereen moeten gelden.
I: Nou ja, [voor] iedereen die in zijn land van herkomst als christen te vrezen heeft. R: Ja, dat zal in Somalië wel zijn toch?3
Het is volgens deze medewerker moeilijk te verteren dat asielzoekers van wie zij overtuigd is dat ze niet hebben te vrezen voor vervolging of ernstige mensenrechtenschendingen in hun land van herkomst, in haar ogen zo eenvoudig in aanmerking komen voor een asielvergunning omdat het beleid voor bekeerlingen uit bepaalde islamitische landen ruimer is. Deze gevoelens worden breder gedeeld binnen de organisatie. Ook vinden sommige medewerkers het moeilijk dat ze zich gedwongen voelen om asielaanvragen in te willigen van personen van wie zij vermoeden dat ze zich voordoen als bekeerling of homoseksueel. Anderzijds zijn ze gedwongen om aanvragen af te wijzen van personen die niet kwalificeren voor asielbescherming maar van wie ze wel vermoeden dat ze moeten terugkeren naar moeilijke omstandigheden in het land van herkomst, omdat voor hen geen bijzonder beleid geldt. Deze asielzoeker ‘verdienen’ in de ogen van de medewerker die vergunning meer. Het beleid komt op deze medewerkers in die gevallen onrechtvaardig over.
R: Kijk Nederland heeft een heel coulant immigratiebeleid ten aanzien van bepaalde aandachtsgroepen. Soms weet je gewoon dat het verhaal dat is verteld niet klopt. Dat mensen hier alleen maar naar toe zijn gekomen omdat ze weten dat er een bepaald beleid heerst. […] Want een andere asielzoeker die op grond van zijn verklaringen niet aannemelijk heeft kunnen maken dat iets is gebeurd, maar wel afkomstig is uit een land waarvan je denkt: voor die personen zou ik de deur wagenwijd openzetten… In die zin vind ik het wel krom. Dat sommige mensen van de minister wel gelijk het voordeel van de twijfel krijgen, en anderen moeten daar heel veel moeite doen. Dat… Soms ga ik wel met zo’n dubbel gevoel naar huis.4
Daarnaast vinden deze medewerkers dat dit ‘coulante’ beleid hen frustreert in het naar behoren uitvoeren van hun taak. Veel IND-medewerkers zien het immers niet alleen als hun taak om het beleid toe te passen, maar ook om de ‘echte’ vluchteling te onderscheiden van de ‘onechte’. Omdat het beleid voor deze groepen relatief soepel is, hebben zij het idee dat ze die taak niet goed kunnen uitvoeren.
R: […] dat gevoel hebben we allemaal al een paar jaar. Iedereen roept: `ik ben bekeerd`, en heeft dat goed voorbereid […] en krijgt een vergunning. En is het niet door ons, dan wel in beroep. Al die zaken komen terug van de rechtbank.
Dan denken wij: wat zitten we hier nog te doen? We kunnen ze net zo goed meteen allemaal inwilligen: hoppakkee! […].5
3) Het beeld dat de medewerker heeft van het type asielzoeker
Een derde reden waarom medewerkers het vaststellen van een bekering of seksuele gerichtheid moeilijk vinden, heeft te maken met het (gepercipieerde) ‘type’ asielzoeker dat op deze gronden een beroep doet. Asielzoekers die om politieke redenen hun land ontvluchten, zijn volgens verschillende medewerkers meestal beter in staat om hun relaas te onderbouwen met bewijsmateriaal en kunnen het risico dat ze stellen te lopen specifieker onder woorden brengen. Zoals deze medewerker het verwoordt: ‘die kunnen dat vaak ook goed beargumenteren waarom ze dingen doen. Daar kan ik makkelijker mee uit de voeten dan bekeerlingen.’6
Vergelijkbare opmerkingen zijn door meerdere medewerkers gemaakt. Vooral medewerkers die al wat langer voor de organisatie werken, merken op dat er steeds minder ‘klassieke vluchtelingen’ asiel aanvragen. Ze doelen op mensen die in het land van herkomst bijvoorbeeld zeer politiek actief waren en om die reden moesten vluchten voor de autoriteiten. Het is voor sommige IND-medewerkers kennelijk eenvoudiger om zich te verplaatsen in de gedachtegang van een politiek activist, dan in die van iemand die stelt te zijn bekeerd of die vreest voor terugkeer vanwege zijn seksuele gerichtheid. Veel medewerkers zijn zelf niet gelovig, of gelovig opgevoed en zijn geen LHBT-er. Zij vinden het moeilijk om zich in te denken wat iemand beweegt zich te bekeren of hoe het voelt om je bewust te worden van je seksuele gerichtheid, indien die afwijkt van wat in een maatschappij of door de overheid normaal wordt gevonden. Het is daardoor voor hen in sommige gevallen ook moeilijk om de plausibiliteit van de verklaringen te beoordelen. Er zijn ook medewerkers die zelf gelovig of LHBT-er zijn, of gelovigen of LHBT-ers in hun omgeving hebben. Zij lopen het risico dat ze hun eigen opvattingen over en ervaringen met deze personen als maatstaf nemen voor wat zij van de asielzoeker verwachten.
R: Ik zal je een voorbeeld geven.
I: Graag, zou je dan misschien ook een voorbeeld kunnen geven van wanneer je je vinger er niet helemaal achter krijgt […]
R: Dat is persoonlijk… Want de één… Dit is toch wel echt mensenwerk, veel meer dan op een ander rechtsgebied. En wat ik geloof, gelooft de ander totaal niet. En dat heb ik heel vaak. Bijvoorbeeld: ik heb heel veel homovrienden. Maar er zitten hier ook een paar mensen, of mannelijke oudere types, die dat niet hebben. Die vinden dingen heel vaak vreemd, van: ‘nou ja’! Terwijl: ik heb
ook heel veel in de gayscene gehangen, feesten en weet ik veel. Ik heb het allemaal gezien en meegemaakt. Voor mij zijn die helemaal niet vreemd en kunnen die zo zijn. Daar ging ik wel eens over in discussie en dan zei ik: hoe kan je dit zeggen. [dan antwoorden ze] ‘Jaah, maar dat is toch echt te absurd voor woorden. Dat is helemaal niet waar, dat is niet gebeurd.’ Maar wat is jouw eigen referentiekader, jouw leefwereld, jouw mensenkennis. Dat speelt allemaal mee. Dus ja.7
Bij gebrek aan objectief referentiemateriaal beoordelen medewerkers de plausibiliteit van verklaringen deels door voor zichzelf na te gaan of de asielzoeker handelt zoals een ‘normaal’ persoon. Als dit niet het geval is, kunnen ze het gedrag van de asielzoeker als ‘bevreemding wekkend’ bestempelen. Hoe een ‘normaal’ mens tot een bekering komt, of omgaat met zijn seksuele gerichtheid is moeilijker voor te stellen voor de gemiddelde medewerker dan ander gedrag.
R: Een bekering is dus typisch zoiets waar je heel moeilijk een beoordeling van kan maken. Dat heeft ook met externe factoren te maken. Dingen waarvan wij, normale verstandelijke mensen zouden zeggen: als je toch bekeerd bent dan zou je toch verwachten dat.8
Hoe een proces van bekering verloopt, is voor de meeste medewerkers minder invoelbaar of voorstelbaar dan wat een drijfveer vormt voor politiek activisme. Medewerkers zeggen bijvoorbeeld weinig waarde te hechten aan verklaringen van bekeerlingen die erop neerkomen dat ze tot het christendom zijn bekeerd omdat ze in Nederland zijn opgenomen in een christelijke gemeenschap.
R: […] Er zijn meerdere redenen om te bekeren. Eén daarvan is: ik kom in een gunstigere positie terecht. Aan de andere kant is het ook wel zo, [dat] die mensen in een kwetsbare positie [zitten]. Mensen van die gemeentes (religieuze gemeenschappen) weten dat, dus die komen langs en die mensen worden opgenomen in zo’n gemeenschap en die gaan daar ook positiever over denken.9
Wanneer een medewerker een motief voor bekering niet legitiem vindt en de asielzoeker zich niet gedraagt zoals hij van een bekeerling verwacht, zal dit uiteraard niet meteen leiden tot afwijzing van de asielaanvraag. Maar als de medewerker er zelf niet van overtuigd is dat iemand oprecht is bekeerd of daadwerkelijk homoseksueel is, kan dit de medewerker wel aanleiding geven om een kritischere houding aan te nemen. Als ze niet zijn overtuigd van de bekering zeggen medewerkers meer hun best te doen om de oprechtheid van de bekering kritisch te onderzoeken.
Medewerkers zijn zich ervan bewust dat de betekenis die het geloof voor iemand heeft, verschilt per persoon. Dit is een bijkomende reden waardoor het voor hen moeilijk is om in het algemeen te verwoorden in wat voor gevallen een bekering ‘oprecht’ is. Er zijn geen harde criteria die kunnen dienen als spoorboekje voor een normaal bekeringsproces, noch is er een lijst van typische uitspraken die je van een bekeerling mag verwachten. Medewerkers worstelen met de vraag hoe zo iets subjectiefs, toch kan worden geobjectiveerd. Hoe zij, met andere woorden, de ‘oprechte’ bekering kunnen onderscheiden van de ‘onoprechte’ bekering?
R: Ja, en bij een bekeerling […] worstel je met de vraag, is het oprecht of niet? En wat heeft iemand bewogen om, als iemand uit een streng islamitische cultuur komt, om dat [daar] ook te uiten. Dat vind ik best lastig, om daar wat te vinden. En bij homoseksualiteit vind ik dat misschien nog wel lastiger dan bij bekeerlingen.
I: […] wat vind je daar het lastige aan? Of het klopt, om de juiste vragen te stellen, of…?
R: Ja, om dat te beoordelen en om daar wat van te vinden en of je genoeg hebt gevraagd om te kunnen beoordelen. Want ik vind het […] zoiets persoonlijks. Zo’n persoonlijke beleving. En dat kan voor mij heel anders zijn dan voor jou. Daar moet ik dan iets van vinden. 10
4) Medewerkers wantrouwen asielzoekers die hun relaas baseren op een bekering of seksuele gerichtheid
Er heerst onder medewerkers veel wantrouwen over de oprechtheid van asielzoekers die zich op hun bekering of seksuele gerichtheid beroepen. Medewerkers vermoeden dat een deel van de asielzoekers dat zich hierop beroept geen beschermingsbehoefte heeft, maar zich uitsluitend als zodanig voordoet om voor vergunningverlening in aanmerking te komen. De onderstaande medewerker zegt dat zij vooral moeite heeft met gestelde bekeringen die in Nederland hebben plaatsgevonden.
R: Als ik zie dat ik een bekering heb, zeker als de bekering hier in Nederland is geweest, dan gaan mijn haren recht overeind staan.
I: Ja?
R: […] Maar ja, als iemand een goed verhaal heeft en kan mij overtuigen. Of nee, heeft de goede antwoorden.11
Een asielzoeker kan volgens de hierboven geciteerde medewerker wel ‘de goede antwoorden’ geven, maar ze zegt daardoor niet per definitie ook zelf te worden overtuigd. Een groot deel van de geïnterviewde medewerkers deelt dergelijke twijfels en vermoedt dat een aanzienlijk deel van de asielrelazen waarover ze een oordeel moeten vormen, onwaar zijn. Voor die vermoedens worden verschillende argumenten gegeven. Een eerste argument dat door medewerkers wordt gegeven, is dat ze een vast patroon herkennen in de verhalen die een deel van de asielzoekers vertelt. Daaruit leidt de hieronder aangehaalde medewerker af dat het verhaal is ‘geconstrueerd’, of vooraf ingestudeerd.
R: Een groot deel van de Chinezen vertelt bijvoorbeeld hetzelfde verhaal, dat ze het als christen moeilijk hebben. Dat is een trend die opkomt. Dus dan zie je dat er iets is geconstrueerd.12
Deze medewerker legt een verband tussen de toename van het aantal Chinezen dat bescherming vraagt omdat ze als christen vervolgd worden en hij vermoedt dat het asielrelaas is geconstrueerd. Ik vroeg hem of een verslechtering van de positie van christenen in China niet de reden zou kunnen zijn. Hij antwoordde dat daarvan uiteraard ook sprake kan zijn, maar dat de details van sommige verhalen zozeer op elkaar lijken dat bij hem twijfel ontstaat over de oprechtheid van het verhaal. Om dit te illustreren geeft hij een ander voorbeeld:
R: […] Gisteren hoorde ik bijvoorbeeld een oudere Pakistaanse vrouw. Je merkt dan, en dat is moeilijk uit te leggen, dat het verhaal heel erg gerepeteerd is. […] iedereen heeft het over een rode Bijbel. Dan denk je meteen: dat is belangrijk, want die heeft in een bundel op de vloer gelegen en iemand had gezien dat er ook een Bijbel lag. Iedereen zegt hetzelfde. Dat kan ook legitiem zijn. Christenen hebben ook niet zo’n beste tijd in Pakistan. Het kan ook zijn dat het de juiste informatie is, dat iedereen hetzelfde vertelt en dat het daarom zo geconstrueerd overkomt. 13
Een tweede aanleiding voor twijfel is dat asielzoekers zich vaak pas laat in de procedure op een bekering of op hun seksuele gerichtheid beroepen, of pas in het kader van een vervolgaanvraag. Het aanvoeren van een bekering komt in die gevallen op sommige medewerkers dan over als een laatste poging van een asielzoeker om toch nog een vergunning ‘in de wacht te slepen’.
I: Wat bedoel je daarmee?
R: Nou dat je soms wel het idee hebt van […] die doen het alleen, als ik het zo mag zeggen, voor de vergunning. We hadden er ook wel mensen tussen zitten die echt oprecht gewoon bekeerd zijn, maar ik heb ook wel het gevoel dat soms mensen het niet echt zijn, maar wel doen alsof ze het wel zijn omdat het een status oplevert. [Dan] is het aan ons om daar. Eeh… [achter te komen].
I: Maar denk je dan dat ze zich hebben bekeerd, of zeggen dat ze bekeerd zijn?
R: Nee, dat ze doen alsof ze bekeerd zijn.
I: En dat is dan aan jullie om eeh, daar de oprechten van de niet-oprechten te scheiden?
R: Ja, dat is onze taak, maar dat is heel lastig en soms ook frustrerend vind ik.
I: Ja?
R: Dat soort gevallen, kan ik me 12 jaar geleden niet zo voor de geest halen. Toen ging het niet over dit soort onderwerpen, dus in die zin is dat wel veranderd.
[…]
R: Syrië niet hoor. Maar de doelgroepen die per se een vergunning opleveren [bekeerlingen en homoseksuele asielzoekers uit bepaalde herkomstlanden], daar ligt het anders. En daar zitten zeker oprechte mensen tussen, maar ook zeker niet oprechte mensen.14
Deze medewerker uit zijn wantrouwen nog duidelijker:
R: [We] weten allemaal dat uitgeprocedeerde asielzoekers die 2 a 3 keer zijn afgewezen er alles aan zullen doen om alsnog te worden erkend, want ze willen niet terug. Alleen om andere redenen niet. Dat snap ik ook allemaal wel en ik geef er ook geen waardeoordeel over. […] Je kan het niet hard maken, [maar] het is wel heel erg vreemd dat van alle uitgeprocedeerden zoveel procent zich bekeert.15
Dit betekent overigens niet dat medewerkers geen begrip hebben voor de asielzoeker. Ze zijn wel kritisch over het beleid dat deze praktijk mogelijk maakt.
R: […] Iraniërs zijn daar wel goed in, niet allemaal, maar sommige. Dan heb je zijn politieke verhaal beoordeeld. Dat klopte dan niet. Vaak met ambtsberichten erbij. Dan is iemand met een visum ingereisd en zegt dan: dat was ik niet. Daarna komen ze met: ‘ik ben christen’ en daarna: ‘ik ben homo’. Ja, dat vind ik wel heel lastig. Daar zouden we misschien ook wel wat strenger in mogen zijn. Als iemand wel aantoonbaar heeft gelogen over zijn politieke verleden, waarom zouden we hem dan wel geloven in zijn bekeerling zijnde. Snap je?
Mensen die altijd keihard hebben gelogen. En dan moet je daarna ineens zeggen: blijf maar hier. Dat vind ik wel eens lastig, in hoeverre je bepaalde ongeloofwaardigheden doortrekt. Aan de andere kant geloof ik het ook wel. Ik heb ook familie die woont in de VS en dat is best een harde maatschappij. Omdat het zo oppervlakkig is en moeilijk is om contact te maken met mensen, zijn ze bij een christelijke kerk aangesloten.16
Een derde omstandigheid die twijfel wekt bij medewerkers is dat als het beleid gunstiger wordt voor een bepaalde groep asielzoekers, meer asielzoekers aanvoeren tot die groep te behoren.
R: En vergis je niet, als er wat gunstiger beleid ontstaat door jurisprudentie […] mijn ervaring is dat deze zaken in het verleden amper voorbij kwamen en als het beleid gunstiger [wordt], komen ze veel vaker voorbij. Dat is wel apart.17
Dit wantrouwen leidt vooral tot frustratie onder medewerkers. Ze kunnen de bij hun ontstane twijfel immers veelal niet onderbouwen, waardoor ze dit wantrouwen niet formeel kunnen betrekken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ze voelen zich dan dus soms genoodzaakt om een aanvraag in te willigen van iemand van wie ze overtuigd zijn dat hij geen risico loopt bij terugkeer. De twijfel van de medewerker kan wel aanleiding geven om het asielrelaas extra kritisch te onderzoeken.
5) Rol van kerken, christelijke partijen en belangengroeperingen
Niet alleen worden sommige asielzoekers die stellen te zijn bekeerd door sommige medewerkers met argwaan benaderd, ook de rol van bepaalde kerken en politici wordt door hen bekritiseerd. Hiervan lijkt minder sprake bij asielverzoeken waarbij de seksuele gerichtheid een rol speelt. Volgens sommige medewerkers proberen kerken actief asielzoekers tot het christendom te bekeren. Asielzoekers worden volgens verschillende medewerkers met dit doeleinde door kerken opgehaald uit asielzoekerscentra:
R: Die [asielzoekers] worden gewoon opgehaald met busjes van het asielzoekerscentrum. […].18
Dit soort kerken zijn volgens de hieronder aangehaalde medewerker blij dat dankzij asielzoekers de kerken weer vol zitten. Kerken hebben er volgens hem belang bij dat de IND de bekeerling ook toelaat tot Nederland.
R: Kerken gaan ook uit van het goede van een mens. Die willen natuurlijk ook graag dat iemand zich bekeert. Dat is toch ook een van de doelen van de meeste kerken denk ik, dat zoveel mogelijk mensen zich bekeren en om het geloof te verspreiden.19
Bepaalde kerken hebben een slechte reputatie onder IND-medewerkers. Dit geldt vooral voor kerken waar asielzoekers zich zonder veel voorwaarden of inspanning kunnen laten dopen. Volgens medewerkers hanteren verschillende kerken, verschillende procedures voordat ze tot de doop overgaan. Sommige kerkgenootschappen zijn pas bereid om tot de doop over te gaan als de pastoor of dominee er voldoende van is overtuigd dat de asielzoeker oprecht is bekeerd. Om hierachter te komen worden volgens de IND-medewerkers verschillende gesprekken gevoerd tussen asielzoeker en vertegenwoordiger van de kerk. Andere kerken hanteren geen formele procedure. Dat zijn de kerken waarop de hieronder geciteerde medewerker doelt.
R: en dat is wel redelijk frustrerend, dat je weet dat als mensen al twee keer zijn afgewezen op hun eigen asielrelaas, dat ze dan plotseling door een flitskerk laten bekeren en dan een herhaalde aanvraag indienen.20
Naast de rol van kerken wijzen medewerkers ook op de rol van bepaalde christelijke politieke partijen. Medewerkers zijn van mening dat zij door deze politieke partijen minder ruimte hebben om de geloofwaardigheid van verklaringen goed te beoordelen.
R: De politiek bepaalt natuurlijk wel in hoge mate hoe wij naar bepaalde zaken moeten kijken. En als [de ChristenUnie], eeh, voet aan de grond krijgt in de TK en dat leidt tot een beleidswijziging ten aanzien van christenen uit Irak ofzo, dan heb ik dat als uitvoerend ambtenaar uit te voeren. Dan kan ik niet gaan zeggen van: dat valt allemaal wel mee daar. Nee, dat is daar al bepaald dan.
I: Hoe zou het dan anders moeten gaan?
R: Nou dan zou ik 60 à 70 procent van de gestelde bekeringen ongeloofwaardig achten. Misschien de bekering zelf niet, want de handeling is wel echt. Ze zijn ten slotte gedoopt, maar de oprechtheid van de bekering, die zou ik dan in 60 à 70% niet volgen.21
Ook de hieronder geciteerde medewerker zegt dat politieke druk kan leiden tot onverstandige aanpassingen van het beleid. De politiek houdt volgens hem te weinig rekening met de ‘realiteit op de werkvloer’ van de IND.
R: […] Politieke partijen hebben soms geen idee hoe het werkt, maar hebben wel bepaalde wensen. En op grond van politieke wensen wordt dat dan gehonoreerd. Bijvoorbeeld bekeerlingen. Dat beleid komt eigenlijk volledig van de Christen Unie. Die hebben onderhandeld en daarom besteden wij nu ongerechtvaardigd veel aandacht aan bekeerlingen. Omdat we daar best wel soft mee omgaan. Maar we weten gewoon dat er trainingen worden gegeven [aan asielzoekers] en dat ze daarna naar onze gehoren komen. Dat zou ik wel graag anders willen zien.
I: Hoe?
R: Nou die naïviteit moet er af. Dat [men gaat inzien dat] mensen zich weldegelijk moedwillig voordoen [als christen]. Die scherpte moet erop en dat is veel te tolerant nu. Maar er zijn mensen die heel erg christelijk zijn en die vinden elke bekering tot hun geloof winst. En ook al bekeren ze hen niet allemaal, hebben ze er toch een paar kennis laten maken met Jezus en ik vind dat soms wel jammer. Dat door het politieke spel instructies komen terwijl je weet: dat klopt niet. Maar het is een politiek compromis.
I: In hoeverre beïnvloedt dat politieke compromis jou om een oordeel te vormen over of iemand wel of niet bekeerd is?
R: Heel erg natuurlijk. Artikel 31 geeft je bepaalde ruimte, maar als is verordonneerd dat als iemand uiterlijke kenmerken van christendom heeft, zoals een kruis getatoeëerd en iemand gaat zo rondlopen in Teheran… Dan gaat iedereen zo rondlopen natuurlijk.
I: Daar kun je door je vraagstelling niets aan veranderen, aan zo’n tatoeage. R: Nee, maar ik weet dat mensen voor de vijfde keer zo’n aanvraag doen en die gaan steeds verder. Die weten dat ze dan een verblijfsvergunning kunnen verdienen. Hetzelfde geldt voor homoseksualiteit. We hebben nog nooit zoveel homoseksuelen gehad. Jamaica loopt leeg. En dan weet je, dat komt door het beleid. We zouden willen zien dat dat beleid meer los staat van de politiek. Maar je accepteert het hè, want zo werkt het, maar als je me vraagt wat zou je willen veranderen.22
Het beleid ten aanzien van bekeerlingen en LHBT’s stelt asielzoekers volgens medewerkers dus in staat om het asielbeleid te misbruiken. Medewerkers vinden dat ze te weinig ruimte hebben om hun twijfel ‘om te zetten’ in de afwijzing van een asielaanvraag. Dit wordt door sommige medewerkers als frustrerend ervaren omdat het ze beperkt in wat sommigen zien als hun belangrijkste taak, namelijk de echte vluchteling van de ‘onechte’ onderscheiden.