Einde inhoudsopgave
De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling (FM nr. 158) 2019/10.3.2.2
10.3.2.2 Verhouding tot het Unierecht
Mr. dr. N.P. Schipper, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
Mr. dr. N.P. Schipper
- JCDI
JCDI:ADS385081:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Woon- en vestigingsplaats
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Inkomstenbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
Europees belastingrecht / Discriminatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 5.2.2-5.2.4.
De Unierechtelijke verplichting voor de woonstaat om de persoonlijke en gezinssituatie volledig in aanmerking te nemen vervalt eveneens in Schumacker-situaties.
HvJ EU 12 december 2013, zaak C-303/12 (Imfeld en Garcet),r.o. 70 en 79.
Hoewel sprake zou zijn van een richtlijn (die gericht is aan de lidstaten), kan de desbetreffende bepaling zo worden geformuleerd dat hieraan ‘minimumrechten’ kunnen worden ontleend door belastingplichtigen. Gelet hierop kunnen niet-inwoners in dat geval ook aanspraak maken op deze voordelen indien de richtlijn niet tijdig en/of onjuist is omgezet door een lidstaat. Blijkens vaste rechtspraak is hiervoor vereist dat de desbetreffende bepaling inhoudelijk onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is. Zie in dit kader bijvoorbeeld HvJ EG 19 januari 1982, zaak 8/81 (Becker), r.o. 22-25, HvJ EG 23 februari 1994, zaak C-236/92 (Regione Lombardia), r.o. 8-10 en HvJ EG 17 oktober 1996, gevoegde zaken C-283/94, C-291/94 en C-292/94 (Denkavit), r.o. 39. Zie ook K. Lenaerts en P. van Nuffel, Europees Recht, Antwerpen: Intersentia 2011, p. 532 en 597-601.
In dit kader is het mijns inziens wenselijk dat een aanvullende overeenkomst wordt gesloten met de EER-staten en Zwitserland, op grond waarvan ook zij niet-inwoners pro rata subjectgebonden belastingvoordelen verlenen. Dit aangezien ten aanzien van deze staten de verplichtingen die volgen uit de De Groot-rechtspraak eveneens gelden. Indien de verplichting om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie niet zou gelden voor deze staten, zou voor lidstaten alsnog een noodzaak bestaan om een onderling verband op te nemen in de nationale wetgeving om te kunnen verzekeren dat de persoonlijke en gezinssituatie volledig in aanmerking worden genomen voor inwoners die gedeeltelijk werkzaam (belastbaar) zijn in voornoemde staten. Bij gebreke hiervan zou anders alsnog strijdigheid met de desbetreffende associatieverdragen ontstaan. Voor situaties van grensoverschrijdende arbeid in derde landen (ten aanzien waarvan het vrije verkeer van werknemers niet van toepassing is) bestaan dergelijke verplichtingen niet voor de lidstaten.
HvJ EU 9 februari 2017, zaak C-283/15 (X),r.o. 46-47.
Zie voor de onderbouwing hiervan de analyse van de rechtspraak in paragraaf 5.3.1.
Fractionele belastingheffing volgt nu slechts uit het Unierecht in Schumacker-situaties met meerdere werkstaten zoals in HvJ EU 9 februari 2017, zaak C-283/15 (X). Zie hierover ook paragraaf 4.3.5 en 4.3.6.
Het evenredig in aanmerking nemen van de belastingvoordelen die verband houden met de persoonlijke en gezinssituatie is eveneens verenigbaar met het primaire Unierecht, meer specifiek de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie. Ik roep in herinnering dat uit onder meer de arresten De Groot en Imfeld blijkt dat de woonstaat in beginsel gehouden is de subjectgebonden belastingvoordelen volledig in aanmerking te nemen.1 Uit dezelfde rechtspraak volgt echter eveneens dat de woonstaat alsnog (deels) mag terugtreden op dit punt indien een andere staat eveneens dergelijke belastingvoordelen verleent. Dit op grond van een belastingverdrag of unilateraal (De Groot-excepties).2 Sinds het Imfeld-arrest is duidelijk dat de woonstaat echter alleen mag terugtreden voor zover is verzekerd dat de persoonlijke en gezinssituatie volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen door de betrokken staten.3
Indien het recht op pro rata subjectgebonden belastingvoordelen voor niet-inwoners zou worden neergelegd in een richtlijn, zou de vereiste verzekering volgen uit een rechtstreeks werkende bepaling van secundair Unierecht.4 De uitzondering die het Hof van Justitie accepteert ten aanzien van subjectgebonden belastingvoordelen die op grond van een belastingverdrag worden toegekend door de werkstaat (bilaterale De Groot-exceptie), zou a fortiori moeten gelden indien deze behandeling voortkomt uit secundair Unierecht. Meer concreet zou hiervoor een specifiek onderling verband in de nationale wetgeving van de lidstaten, waarbij de woonstaat alleen terugtreedt indien de andere staat de persoonlijke en gezinssituatie van niet-inwoners in aanmerking neemt, niet langer vereist zijn.5
In dit kader kan men zich overigens afvragen of een dergelijke wijziging van het (secundaire) Unierecht niet zou rechtvaardigen dat de uitgangspunten van de Schumacker-rechtspraak zouden veranderen. Dit aangezien een gelijk recht op subjectgebonden belastingvoordelen, ongeacht de fiscale woonplaats van de belastingplichtige, in dat geval het uitgangspunt wordt binnen de EU. Wat hiervan zij, ook binnen de huidige rechtspraak van het Hof van Justitie zou de evenredige aanspraak op de subjectgebonden belastingvoordelen probleemloos passen. Dit wordt ook bevestigd door het X-arrest, waarin het Hof van Justitie in een Schumacker-situatie met meerdere werkstaten zelf voorschreef om de belastingvoordelen pro rata te verlenen aan de desbetreffende niet-inwoner. In dit kader spreekt het Hof over de verzoening van de verdeling van de heffingsbevoegdheid met de noodzaak te waarborgen dat belastingplichtigen hun gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen.6 Eventuele dispariteiten in dit kader, i.e. verschillen tussen de in de verschillende lidstaten beschikbare aftrekposten (aard en omvang), zijn mijns inziens Unierechtelijk aanvaardbaar.7 Voldoende is dat de persoonlijke en gezinssituatie, zoals beoordeeld onder de wetgeving van de desbetreffende staat, in aanmerking wordt genomen in de mate dat het inkomen ter heffing aan die staat is toegewezen. Deze vorm van nationale behandeling zou na de introductie van een richtlijn inzake woonplaatsonafhankelijke belastingheffing naar draagkracht niet langer de uitzondering8 maar de regel zijn voor grensoverschrijdende werknemers.