Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.3.3.4.2
4.3.3.4.2 Factor 1: De aantastende activiteit is in strijd met nationaal recht en/of deskundigenadviezen
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS441386:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld EHRM 9 juni 2005, Fadeyeva/Rusland, r.o. 98 (zaaknr. 55723/00) en EHRM 25 november 2010, Mileva e.a./Bulgarije, r.o. 98 (zaaknr. 43449/02). Zie ook Verschuuren 2004, p. 283-284 en Barkhuysen en Van Emmerik 2011, p. 87-89. In paragraaf 2.5.3 is reeds gebleken dat strijdigheid met nationaal recht ook van belang is bij het beantwoorden van de vraag of aan het vereiste van het ‘minimum level of severity’ bij art. 8 EVRM is voldaan.
Zie EHRM 16 november 2004, Moreno Gómez/Spanje, r.o. 60-61 (zaaknr. 4143/02). Vergelijkbare zaken zijn EHRM 18 oktober 2011, Martínez Martínez/Spanje, r.o. 54 (zaaknr. 21532/08) en EHRM 20 mei 2010, Oluić/Kroatië, r.o. 62-64 (zaaknr. 61260/08). In die zaken was sprake van geluidsoverlast van uitgaansgelegenheden die de naar nationaal recht maximaal toegestane geluidsniveaus overschreed. Vergelijk ook EHRM 25 november 2010, Mileva e.a./Bulgarije, r.o. 99 (zaaknr. 43449/02). In deze zaak was sprake van geluidsoverlast en andere hinder die veroorzaakt werd door de bezoekers van een in het appartementencomplex van de klagers gevestigde computerclub. Deze club handelde eerst zonder de vereiste vergunning en later in strijd met een aan de (inmiddels verleende) vergunning verbonden voorschrift.
Zie voor geluidsoverlast van weg- en spoorwegverkeer die de naar nationaal recht maximaal toegestane geluidsniveaus overschreed EHRM 9 november 2010, Deés/Hongarije, r.o. 23 (zaaknr. 2345/06) en EHRM 18 juni 2013, Bor/Hongarije, r.o. 25-28 (zaaknr. 50474/08).
Zie EHRM 9 juni 2005, Fadeyeva/Rusland, r.o. 116-117 en 132-134 (zaaknr. 55723/00). Een vergelijkbare zaak is EHRM 10 februari 2011, Dubetska e.a./Oekraïne, r.o. 154-156 (zaaknr. 30499/03). Overigens overwoog het EHRM in de zaak-Fadeyeva/Rusland (in r.o. 97) zelfs dat ‘in all previous cases in which environmental questions gave rise to violations of the Convention, the violation was predicated on a failure by the national authorities to comply with some aspect of the domestic legal regime’. Daarbij verwees het (net als in EHRM 8 juli 2003, Hatton e.a./VK, r.o. 120 (zaaknr. 36022/97)) naar EHRM 9 december 1994, López Ostra/Spanje (zaaknr. 16798/90) en EHRM 19 februari 1998, Guerra e.a./Italië (zaaknr. 14967/89). Volgens het EHRM was in de zaak-López Ostra/Spanje sprake van strijd met nationaal recht, omdat de betreffende afvalverwerkingsinstallatie activiteiten verrichtte zonder de vereiste vergunning. Deze verwijzing is mijns inziens niet zuiver, omdat het EHRM in die zaak bewust in het midden liet of de installatie en haar activiteiten in strijd waren met nationaal recht. Het wees er namelijk op dat de rechtmatigheid naar nationaal recht nog ter beoordeling voorlag aan het Spaanse hooggerechtshof, dat het primair aan de nationale rechter was om het nationale recht te interpreteren en toe te passen en dat het EHRM alleen vast hoefde te stellen of de nationale autoriteiten de maatregelen hadden genomen die noodzakelijk waren ter bescherming van het recht op respect voor de woning en het privé- en familieleven (zie EHRM 9 december 1994, López Ostra/Spanje, r.o. 55 (zaaknr. 16798/90)).
Zie EHRM 25 november 2008, Kostić/Servië, r.o. 68-74 (zaaknr. 41760/04). Tot op zekere hoogte vergelijkbare zaken zijn EHRM 20 juli 2000, Antonetto/Italië, r.o. 38-39 (zaaknr. 15918/89) en EHRM 18 november 2004, Fotopoulou/Griekenland, r.o. 33 en 37-38 (zaaknr. 66725/01).
Vergelijk Barkhuysen en Van Emmerik 2011, p. 89.
Zie bijvoorbeeld: EHRM 26 februari 2008 (ontvankelijkheidsbeslissing), Fägerskiöld/Zweden (zaaknr. 37664/04); EHRM 20 mei 2010, Oluić/Kroatië, r.o. 60 (zaaknr. 61260/08); EHRM 3 mei 2011, Apanasewicz/Polen, r.o. 98 (zaaknr. 6854/07). In deze zaken betrok het EHRM de geluidsrichtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie bij zijn beoordeling of het ‘minimum level of severity’ onder art. 8 EVRM bereikt was.
Zie paragraaf 4.3.2.2.
Bij het beantwoorden van de vraag of de overheid een of meer (bepaalde) concrete handeling(en) moet verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting komt belang toe aan de omstandigheid of de activiteit die die aantasting veroorzaakt, op zichzelf of wat betreft (de ernst van) haar gevolgen in strijd is met nationaal recht.1
Een goed voorbeeld waaruit dit blijkt is de zaak-Moreno Gómez/Spanje. Daar oordeelde het ehrm dat de Spaanse autoriteiten hun positieve verplichting om het recht van Moreno Gómez op respect voor haar woning en privéleven te beschermen hadden geschonden, omdat zij hadden nagelaten op te treden tegen nachtelijke geluidsoverlast van uitgaansgelegenheden die de naar nationaal recht maximaal toegestane geluidsniveaus overschreed.2,3
Een ander goed voorbeeld is de zaak-Fadeyeva/Rusland. Fadeyeva woonde in de omgeving van een staalfabriek als gevolg waarvan de concentraties van giftige stoffen in de lucht bij haar woning de in de nationale regelgeving vastgelegde veilige niveaus overschreden. Volgens het ehrm had de overheid haar positieve verplichting om Fadeyeva’s recht op respect voor haar woning en privéleven te beschermen geschonden door niet de verhuizing van Fadeyeva te faciliteren en ook geen effectieve maatregelen te treffen die in staat waren de verontreiniging te verminderen naar een aanvaardbaar niveau.4
Ook in de zaak-Kostić/Servië was sprake van onregelmatigheden naar nationaal recht. In deze zaak had de buurman van het echtpaar Kostić een vergunning verkregen om zijn appartement te verbouwen en te vergroten, maar had hij deels in afwijking van de vergunning gebouwd. De bouwautoriteiten bevalen de buurman daarom binnen drie dagen een deel van het nieuw gebouwde te slopen, maar naleving van dit sloopbevel werd door de overheid (ondanks herhaaldelijke verzoeken van het echtpaar Kostić) jarenlang niet afgedwongen. Volgens het ehrm was sprake van een schending van artikel 1ep, omdat de overheid haar positieve verplichting om het sloopbevel ten uitvoer te leggen had geschonden.5
Mijns inziens is bij het beantwoorden van de vraag of de overheid een of meer (bepaalde) concrete handeling(en) moet verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting ook van belang of de activiteit die die aantasting veroorzaakt op zichzelf of wat betreft (de ernst van) haar gevolgen in strijd is met adviezen of richtlijnen van deskundigen.6 Uit dergelijke adviezen en richtlijnen kan immers net als uit nationale rechtsregels blijken wanneer een aantasting van een beschermd belang niet langer aanvaardbaar is. Het is niet geheel duidelijk of het ehrm deze opvatting deelt. Het ehrm gebruikt dergelijke adviezen en richtlijnen in ieder geval wel bij het beantwoorden van de vraag of de negatieve invloed van bepaalde activiteiten op de door artikel 8evrm beschermde belangen ernstig genoeg is om dat artikel toepasselijk te achten.7
De voorgaande voorbeelden uit de rechtspraak van het ehrm hebben betrekking op artikel 1ep en vooral artikel 8evrm. Bij concrete handelingen ter beëindiging van bestaande aantastingen van de door artikel 2evrm beschermde belangen gaat het in omgevingsgerelateerde situaties om de verlening van noodhulp aan personen die levensgevaarlijk gewond of ziek zijn geraakt.8 Bij de beantwoording van de vraag of de overheid verplicht is (bepaalde) noodhulp te verlenen lijkt het mij niet relevant of in enig opzicht sprake is van onrechtmatigheid naar nationaal recht. Bij onrechtmatigheid naar nationaal recht zou hier gedacht kunnen worden aan de situatie waarin hulpdiensten in strijd met een nationale verplichting nalaten (bepaalde) noodhulp te verlenen. Gezien het zwaarwegende belang van het recht op leven moet de vraag of de overheid een positieve verplichting heeft om noodhulp te verlenen mijns inziens (op grond van de omstandigheden van het geval) onafhankelijk van het nationale recht beantwoord worden. Bij mijn weten is hierover echter geen rechtspraak van het ehrm.