De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/6.4.5.4:6.4.5.4 Begin en einde vaste inrichting
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/6.4.5.4
6.4.5.4 Begin en einde vaste inrichting
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS398855:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag vanaf welk moment sprake is van een vaste inrichting en wanneer deze eindigt is een vraag die ook in de omzetbelasting van belang is. In de directe belastingen is bij het opzetten van de inrichting nog geen sprake van een vaste inrichting. Via de inrichting zal op dat moment ook nog geen winst worden gemaakt waarover de heffing moet toekomen aan het land waar de vaste inrichting is gelegen. In de omzetbelasting kan de vraag worden gesteld of wellicht naar analogie met de aanvang van het ondernemerschap al kan worden gesteld dat er tijdens het opzetten van de vaste inrichting sprake is van een vaste inrichting. Dit zal dan voornamelijk van belang zijn voor de heffing over diensten die aan de inrichting worden verricht. De inrichting zal zelf nog geen prestaties verrichten. De vaste inrichting eindigt in de directe belastingen als alle handelingen die verband houden met de voormalige ondernemersactiviteiten zijn beëindigd. Winst uit de verkoop van bijvoorbeeld bedrijfsmiddelen zal nog aan het land waar de vaste inrichting is gelegen toekomen. Ook voor de omzetbelasting rijst de vraag wanneer een vaste inrichting eindigt. Dit zou naar analogie met het einde van het ondernemerschap het moment kunnen zijn waarop door de vaste inrichting de laatste ondernemershandeling wordt verricht of het moment waarop de laatste prestatie wordt verricht waarvoor de inrichting is opgezet. De vraag zal opnieuw vooral van belang zijn voor diensten die voor de inrichting worden verricht. Handelingen die dienen om de vaste inrichting te beëindigen en worden verricht nadat de vaste inrichting zijn laatste prestatie heeft verricht, zullen over het algemeen niet bestaan uit de diensten die de inrichting voorheen verrichte, maar bijvoorbeeld uit de levering van bedrijfsmiddelen. Voor leveringen is de plaats van vestiging niet relevant. Toch kunnen ook diensten worden verricht, bijvoorbeeld de overdracht van intellectuele eigendomsrechten, waarbij de vestigingsplaats van de dienstverrichter mogelijk relevant is.