De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/6.4.5.3:6.4.5.3 De vaste inrichting
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/6.4.5.3
6.4.5.3 De vaste inrichting
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS401136:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 4 juli 1985, zaak 168/84, Jur. 1985, blz. 2251 (Berkholz).
HvJ 12 mei 2005, zaak C-452/03, VN 2005/32.26 (RAL Channel Islands).
HvJ Berkholz, reeds aangehaald.
HvJ 2 mei 1996, zaak C-231/94, VN 1996, blz. 2120 (Faaborg-Gelting Linien).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een groot aantal aspecten van het begrip vaste inrichting in de directe belastingen zou voor de omzetbelasting van belang kunnen zijn. Allereerst kan voor wat betreft de bedrijfsinrichting worden genoemd dat een gedeelte van een onroerende zaak, zoals een plaats op de markt of een gedeelte in een douane-entrepot als bedrijfsinrichting kan worden aangemerkt. De vraag is of dit eveneens voor de omzetbelasting voldoende is. Dit is onder meer interessant voor de vraag of bij het neerzetten van automaten in een etablissement van een ander en de exploitatie daarvan sprake is van een vaste inrichting. Daarbij wordt immers slechts een beperkte ruimte gebruikt. De vraag of de exploitatie van speelautomaten een vaste inrichting kan opleveren is voor de btw in de zaak Berkholz1 aan de orde gekomen. De bedrijfsinrichting kan gelegen zijn in een gebouw dat eigendom is van een ander. Voor de btw kan dan de vraag worden gesteld of bijvoorbeeld een zelfstandig manager die gedurende een bepaalde periode door een bedrijf wordt ingehuurd om managementdiensten te verrichten en daarbij de beschikking krijgt over een kamer in het kantoor van het bedrijf een vaste inrichting heeft in het land waar zijn opdrachtgever is gevestigd. De bedrijfsinrichting kan in eigendom zijn van de ondernemer die er zijn bedrijf uitoefent, maar kan ook door hem worden gehuurd. De vraag of van een vaste inrichting sprake kan zijn indien deze geen eigendom is van de exploiterende ondernemer is voor de omzetbelasting aan de orde gesteld in de zaak (RAL) Channel Islands,2 maar door het Hof van Justitie niet beantwoord.
Net als in de directe belastingen wordt in de omzetbelasting geworsteld met de vraag of een verplaatsbare inrichting een vaste inrichting kan vormen. De zaken Berkholz3 en Faaborg-Gelting Linien4 vormen hier voorbeelden van. De opmerking van Albert dat er iets voor valt te zeggen om in deze gevallen een vaste inrichting aan te nemen, geldt ook vanuit het perspectief van heffing in het land van verbruik en land van besteding voor de btw. Door bijvoorbeeld een boot waarop maaltijden kunnen worden gegeten in een restaurant aan te merken als een vaste inrichting wordt ervoor gezorgd dat heffing plaatsvindt in het land waar de maaltijden worden gegeten en de besteding wordt gedaan in plaats van op een meer willekeurige plaats, in het land waar de ondernemer die het restaurant exploiteert zijn zetel van bedrijfsuitoefening heeft gevestigd. Interessant is verder de opmerking uit het OESO-Commentaar dat aan het criterium vast naar plaats is voldaan ook wanneer een ondernemer niet steeds dezelfde plaats binnen een gebouw of op een markt gebruikt, maar gedurende een bepaalde periode verschillende plaatsen gebruikt binnen dat gebouw of die markt. De vraag is of in dergelijke gevallen ook voor de omzetbelasting sprake is van een vaste inrichting. Ook het vereiste van vast naar tijd is naar mijn mening in de omzetbelasting relevant (zie paragraaf 7.3.4.2). De vraag is of daarbij ook een grens kan worden getrokken waarbij zes maanden in het algemeen onvoldoende is en achttien maanden in elk geval voldoende.
De onderneming zal meestal worden uitgeoefend via de bedrijfsinrichting door personeel. De aanwezigheid van personeel is echter geen vereiste voor het bestaan van een vaste inrichting in de directe belastingen. De exploitatie van automaten of computerapparatuur waar geen personeel voor nodig is, kan voor de directe belastingen een vaste inrichting vormen. Ook in de omzetbelasting komt de vraag aan de orde of personeel aanwezig moet zijn voor het bestaan van een vaste inrichting wanneer de aanwezigheid van personeel niet nodig is om de prestaties die vanuit de inrichting worden uitgeoefend te verrichten.