Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.1.4:7.3.1.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.1.4
7.3.1.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS609024:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar mijn mening kan het verbondenheidsbegrip van art. 2 lid 7 Wet VPB 1969 op basis van de volgende contouren meer in overeenstemming worden gebracht met de economische werkelijkheid, zonder afbreuk te doen aan de huidige invulling:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam.
Voor aandelenvennootschappen bestaat een tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid: bij het bezit van 100% van de stemrechten in een aandelenvennootschap wordt verbondenheid verondersteld. Op basis van een tegen-bewijsmogelijkheid kan echter door belastingplichtigen worden aangetoond dat ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 100%-criterium, in feite toch sprake is van organisatorische en economische verbondenheid. Voorts kan de fiscus stellen dat in feite geen sprake is van een beleidsbepalende invloed, ondanks het bezit van 100% van de stemrechten.
Certificaten van aandeel en aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust en waarbij het stemrecht nog steeds toekomt aan de aandeelhouder, tellen mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit verband tellen ook aandelen mee waaraan financiële instrumenten zijn gekoppeld die potentiële stemrechten bevatten, zoals optierechten en converteerbare instrumenten, tenzij aan deze instrumenten zodanige voorwaarden zijn verbonden dat moet worden aangenomen dat de aandeelhouder het stemrecht reeds heeft overgedragen.
De hiervoor genoemde alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals een pandrecht, recht van vruchtgebruik en optierechten, tellen niet mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In verband met de genoemde tegenbewijsmogelijkheid kunnen zij echter wel een rol spelen om aan te tonen dat er ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 100%-criterium, in feite toch een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend.
Overigens komen deze contouren in grote lijnen overeen met die welke ik in paragraaf 7.3.15 zal schetsen ten aanzien van de fiscale eenheid.
Ten aanzien van de begrippen ‘belang’ en ‘groep’ in art. 2 lid 7 onderdeel e Wet VPB 1969 stel ik voor om aan te sluiten bij het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969. Hierdoor komt de beoogde antiontgaansfunctie beter tot haar recht, zo meen ik. In paragraaf 7.3.7. zal ik deze begrippen uitgebreid analyseren, waarbij ik aanbevelingen zal doen voor verduidelijking.