Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.4.4.3
VI.4.4.3 … tenzij de vennootschap het structuurregime hanteert
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242801:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 2:164a/274a lid 2 jo. 2:134/244 lid 1 BW. Bij de wijze waarop de niet-uitvoerende bestuurders het schorsingsbesluit behoren te nemen, stond ik stil in § V.7.4. Zoals gezegd, maakt de wet thans geen onderscheid tussen het volledige en het gemitigeerde structuurregime. Zodra het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen tot wet verheven wordt, geldt de regel dat de uitvoerende bestuurders worden benoemd door de niet-uitvoerende bestuurders enkel wanneer de vennootschap onderworpen is aan het volledige structuurregime. Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 491, 2, p. 8-10. Zie § VI.5.6.
De kwestie omtrent de exclusiviteit van de schorsingsbevoegdheid speelt ook in het kader van de schorsing van een niet-uitvoerend bestuurder, waarover § IV.4.3.
Onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/451; Boschma e.a. 2018, p. 24; en Melchers, V&O 2013, afl. 4, p. 57, zijn deze mening toegedaan.
Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 742.
Zie art. 2:162/272 jo. 2:134/244 lid 1 BW.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 28 (NV).
Vgl. Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 742.
De hiervoor besproken problemen spelen niet wanneer de vennootschap het structuurregime hanteert. Omdat de niet-uitvoerende bestuurders de uitvoerende bestuurders benoemen, zijn zij tevens bevoegd de uitvoerende bestuurders te schorsen.1 Met deze bevoegdheid kunnen de niet-uitvoerende bestuurders slagvaardig optreden wanneer de situatie daartoe noodzaakt.
Het is de vraag of de schorsingsbevoegdheid exclusief op de niet-uitvoerende bestuurders rust.2 Omdat art. 2:134/244 lid 1 BW bepaalt dat het bestuur te allen tijde bevoegd is een uitvoerend bestuurder te schorsen, is verdedigbaar dat de niet-uitvoerende bestuurders de schorsingsbevoegdheid met het bestuur moeten delen.3 Assink huldigt een ander standpunt. Hij meent dat de niet-uitvoerende bestuurders exclusief bevoegd zijn een uitvoerend bestuurder te schorsen indien de vennootschap het structuurregime hanteert.4 Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst hij op de exclusieve schorsingsbevoegdheid van de raad van commissarissen in een two tier board.5
Zoals ik in § IV.2.1.2 en § IV.4.3 al schreef, heeft de wetgever de structuurregeling voor vennootschappen met een one tier board niet goed doordacht. Volgens de parlementaire geschiedenis van de Wet bestuur en toezicht moeten de bepalingen met betrekking tot de raad van commissarissen zoveel mogelijk overeenkomstig worden toegepast.6 Dit betekent dat de bevoegdheid tot schorsing van een individuele uitvoerende bestuurder niet tevens bij het bestuur had moeten liggen.7 Ik vermoed dan ook dat wetgever is vergeten de schorsingbevoegdheid van het bestuur uit te sluiten. Ik raad hem aan dat alsnog te doen.
Deze academische discussie speelt in de praktijk overigens niet. Willen de niet-uitvoerende bestuurders van een structuurvennootschap een uitvoerend bestuurder schorsen, dan kunnen zij daartoe op grond van art. 2:164a/274a lid 2 jo. 2:134/244 lid 1 BW overgaan. Zij hebben daar de medewerking van de uitvoerende bestuurders niet voor nodig. Toch zou het mijns inziens fraaier zijn de schorsingsbevoegdheid exclusief bij de niet-uitvoerende bestuurders te leggen.