Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/2.1
2.1 Discussie over de grondslag
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284695:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Het onderscheid tussen de toepasselijkheid van het materiële civiele recht enerzijds en de bevoegdheid van de civiele rechter en ontvankelijkheid van de eiser anderzijds moet goed voor ogen gehouden worden. De geschiedenis van de toepasselijkheid van het civiele recht op al het overheidshandelen loopt in belangrijke mate parallel aan de geschiedenis van de bevoegdheid en ontvankelijkheid. Dat is begrijpelijk: wie meent dat publiekrechtelijk overheidshandelen enkel of primair door het publiekrecht wordt beheerst, zal ook geneigd zijn te menen dat de op het civiele recht gerichte civiele rechter over de naleving van het publiekrecht niet mag oordelen. Die opvatting is weer afhankelijk van de visie op de staatsrechtelijke positie van de civiele rechter. Het is echter in principe denkbaar dat zowel de civiele rechter als de bestuursrechter civiele en publieke regels toepassen. In de praktijk gebeurt dat ook: zie bijv. Van Ommeren 2012, p. 571 en de hoofdtekst hierna. De geschiedenis van de bevoegdheid en ontvankelijkheid laat ik grotendeels buiten beschouwing, omdat die voor het onderwerp van dit boek niet relevant is. Voor een geschiedenis daarvan verwijs ik naar bijv. Versteeg 1987, p. 4 e.v., Huijgen 1991, p. 16 e.v. en Van Maanen 1996 bij wie die geschiedenis door het hele boek verweven is.
Zie bijv. Van Maanen 1996, p. 25, 73-75 en Schlössels/Schutgens/Zijlstra 2019, p. 421-422. Voor aansprakelijkheid van de overheid was wel vereist dat de overheid handelde op voet van gelijkheid met een burger. Ik laat alle (soms gekunstelde) nuanceringen hier verder buiten beschouwing. Zie bijv. Schlössels/Schutgens/Zijlstra 2019, p. 425-426.
Zie hierover Van Schaik 1905, p. 2-4. Hij omschrijft hoe aanvankelijk geen discussie bestond over enige waterscheiding tussen het civiele en het publiekrecht. Iedere overheidsbemoeienis kon onder het bereik van 1401 (oud) BW vallen. Hij stelt vast dat de gedachten daarover vanaf de jaren ’70 van de 19e eeuw veranderden. Zie ook Van Maanen 1996, p. 56-57 en Di Bella 2014, p. 26-27.
HR 29 mei 1896, W. 6817 (Vrouwe Elske) en HR 21 april 1898, W. 7116 (Rhedense Koe) Zie ook bijv. Van Maanen 1996, p. 46-47 en Di Bella 2014, p. 19-20. Zie ook bijv. Meijers 1925a, p. 226. In deze arresten oordeelde de Hoge Raad dat de burgerlijke rechter geen kennis kon nemen van geschillen met een publiekrechtelijke grondslag.
De volledige naam was: De Staatscommissie tot voorbereiding der uitvoering van de voorschriften der Grondwet, aangaande de regeling van de Administratieve Rechtspraak.
Verslag der Staatscommissie, benoemd bij Koninklijk Besluit van 16. September 1891, No. 14, tot Voorbereiding der Uitvoering van de Voorschriften der Grondwet, aangaande de regeling van de Administratieve Rechtspraak, 1894, p. 13. Zie hierover Di Bella 2014, p. 20-21. Zie meer in het algemeen over de rechtsontwikkeling op dit punt in deze periode: Pieterman 1990, p. 154-165.
Kamerstukken II 1904/05, nr. 159.3, (MvT), p. 25.
Arntzenius 1895, p. 57; Land 1896, p. 190-192; Kan 1898, p. 373; Van Schaik 1905, p. 369; Van Bosse 1907, p. 150 en 174.
Arntzenius 1895, p. 52-70; Land 1896, p. 190-192; Kan 1898, p. 363-384; Roëll & Oppenheim 1899, p. 206; Oppenheim 1902, p. 690-691; Van Schaik 1905, p. 2-4 en 347-348; Meijers 1925b, p. 241.
Hamaker 1898a, p. 493 en 1898b, p. 509-511; Van Bosse 1907, p. 136, 150 en 174; Van Beresteyn 1910, p. 247-248 en 274-289. De in deze paragraaf weergegeven informatie is met name ontleend aan Di Bella 2014, p. 23-28. Zie voor een diepgaandere weergave van de verschillende opvattingen het historische overzicht aldaar.
9. De grondslag voor aansprakelijkheid van de overheid is al ongeveer twee eeuwen onderwerp van debat. In de 19e eeuw werd al uitvoerig gedebatteerd over de vraag of, en zo ja in welke mate, het algemeen burgerlijk recht en daarmee het aansprakelijkheidsrecht ook van toepassing is op het handelen van de overheid.1 Aanvankelijk werd vrij algemeen aangenomen dat de overheid in ieder geval wel jegens een burger aansprakelijk kon zijn wegens schending van een burgerlijkrechtelijke norm of schending van subjectieve rechten van de burger.2 In de loop van de 19e eeuw3 heeft de gedachte postgevat dat het civiele recht niet van toepassing kon zijn op het publiekrechtelijk handelen van de overheid. Waar de overheid op grond van het publiekrecht handelde, was aansprakelijkheid op grond van het algemene civiele recht uitgesloten.4 De kerngedachte hierbij was dat het civiele recht en het publiekrecht gescheiden systemen zijn. Het publiekrechtelijke optreden van de overheid kan enkel genormeerd worden door het publiekrecht. Schending van een publiekrechtelijke norm kan daarom per definitie niet leiden tot civielrechtelijke aansprakelijkheid.
10. In de tweede helft van de 19e en het begin van de 20e eeuw is uitvoerig in de literatuur en door de wetgever nagedacht over de vraag of, en hoe, de aansprakelijkheid van de overheid geregeld moest worden. De belangrijkste vraagpunten daarbij waren in wezen (i) hoe die regeling inhoudelijk moest worden vormgegeven mede gezien de bijzondere positie van de overheid en (ii) of uit het civiele recht ook aansprakelijkheid van de overheid kon voortvloeien wegens schending van het publiekrecht. De discussie over de aansprakelijkheid loopt grotendeels parallel aan de discussie of er een aparte administratiefrechtelijke rechtspraak moest worden ingevoerd. De discussie over de vormgeving van een (volwaardige) bestuursrechtspraak en de discussie over de vormgeving van de aansprakelijkheid van de overheid hebben elkaar duidelijk beïnvloed.
11. De voor de invoering van de administratiefrechtelijke rechtsgang ingestelde Staatscommissie5 adviseerde in 1894 over beide vragen. Zij meende – sterk samengevat – dat de vormgeving van de overheidsaansprakelijkheid te ingewikkeld was voor een enkele algemene bepaling en het buiten haar op de administratieve rechtsgang gerichte opdracht lag zo’n systeem vorm te geven. In lijn met de toen algemeen aanvaarde opvatting dat het civiele en publiekrecht gescheiden circuits zijn, zag zij geen ruimte voor civielrechtelijke aansprakelijkheid wegens schending van publiekrecht.6 Haar adviezen leidden niet tot een wetsvoorstel, laat staan een wet. In 1905 werd wel een wetsvoorstel ingediend met betrekking tot de vormgeving van een administratiefrechtelijke rechtsgang. Daarin werd weer gesignaleerd dat er wel behoefte bestond aan een regeling voor overheidsaansprakelijkheid, maar dat het hier een te ingewikkelde materie betrof om terloops af te doen.7
12. In de literatuur liepen de meningen over beide vraagstukken aan het eind van de 19e en begin 20e eeuw uiteen. De meeste auteurs waren het erover eens dat de aansprakelijkheid van de overheid een eigen regeling behoefde (bijvoorbeeld Arntzenius, Land, Kan, Van Schaik en Van Bosse).8 Over het vraagstuk van de vereiste grondslag voor aansprakelijkheid liepen de meningen uiteen. Sommige auteurs hielden strikt vast aan het onderscheid tussen het publiekrecht en het burgerlijke recht. Het leerstuk van onrechtmatige daad had volgens hen met schending van publiekrechtelijke normen niets van doen (bijvoorbeeld Arntzenius, Land, Kan, Roëll & Oppenheim, Van Schaik, Meijers).9 Deze ‘strikten’ vonden uiteraard dat de regeling voor overheidsaansprakelijkheid wel een publiekrechtelijke grondslag moest hebben. Andere auteurs zagen voor het civiele recht wel een algemene rol weggelegd bij de vormgeving van het overheidsaansprakelijkheidsrecht. Zij meenden – samengevat – dat het civiele recht het algemene recht belichaamt waaraan ook de overheid jegens de burgers is gebonden (bijvoorbeeld Hamaker, Van Bosse, Van Beresteyn).10