Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/2.3
2.3 De gedeeltelijke terugkeer van de publiekrechtelijke grondslag
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284541:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Teunissen 1996, p. 163 e.v. en Tak 1997, p. 359. Zie hierover verder Kortmann 2006, p. 29-30.
ABRvS 6 mei 1997, ECLI:NL:RVS:1997:AA6762, AB 1997/229, m.nt. P.J.J. van Buuren (Van Vlodrop). Vgl. CRvB 24 juli 1994, ECLI:NL:CRVB:1994:ZB0806, AB 1995/40 en 133, m.nt. R.M. van Male; CBB 19 februari 1997, ECLI:NL:CBB:1997:ZG2071, AB 1997/144, m.nt. J.H. van der Veen (Spikker/Minister LNV).
Van Ommeren 2012, p. 566 e.v. Vgl. ook Scheltema & Scheltema 2013, p. 328.
P.J.J. van Buuren, annotatie onder ABRvS 29 november 1996, ECLI:NL:RVS:1996:ZF2410,AB 1997/66 (Alpha Kledingreinigingsbedrijf), nr. 7.
Damen 1999, p. 57.
De zogenaamde Maastrichtse school bepleit overigens nog een ‘invullende rechtsleer’. Die leer neemt eveneens tot uitgangspunt dat het publiekrecht en het civiele recht ongemengd naast elkaar bestaan. De leer keert het systeem echter om: de overheid zou als uitgangspunt enkel op publiekrechtelijke grond mogen handelen en niet (ook) op civielrechtelijke grond. Zie met name Tak 1993, p. 174 e.v., Tak 1997, p. 105 e.v. en Van Ommeren 2012, p. 569.
Zie ook bijv. Van Ommeren 2012, p. 570-571.
Bijv. HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9347, NJ 1986/723, m.nt. M. Scheltema (Heesch/Van den Akker) en recentelijk bijv. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2314, NJ 2012/241, m.nt. H.J. Snijders (Staat/Vreemdelingenorganisaties); HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, NJ 2016/262, m.nt. H.J. Snijders (Staat/Privacy First c.s.); HR 3 juni 2017, ECLI:NL:HR:2016:1049, NJ 2017/46, m.nt. T. Barkhuysen en M. Claessens (Universiteiten/SCAU).
Bijv. HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0982, NJ 1998/536 (Boeder/Staat) en recentelijk bijv. HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18, AB 2017/407, m.nt. C.N.J. Kortmann (UWV/X). Overigens volgt uit het feit dat de Hoge Raad inhoudelijk oordeelt over onrechtmatige daadsvorderingen die op schending van het publiekrecht zijn gebaseerd al dat hij meent dat zo’n vordering rechtstreeks uit het civiele recht voortvloeit. Ware dat anders geweest, dan was hij immers op grond van de objectum litis-leer niet bevoegd geweest daarover te oordelen.
De Hoge Raad heeft in HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0382, NJ 1992/299, m.nt. J.B.M. Vranken (Cornelissen/Groningen) nog wel overwogen dat art. 1395 (oud) BW en art. 6:203 BW uitdrukking geven aan het algemene beginsel dat degene die zonder rechtsgrond heeft betaald, gerechtigd is tot terugbetaling. Daarin zou men kunnen lezen dat ook de Hoge Raad uitgaat van een gescheiden toepassing van hogere rechtsbeginselen op het publiekrecht en het civiele recht. Mij lijkt dat niet het geval. De Hoge Raad oordeelt enkel dat de civielrechtelijke grondslagen voor onverschuldigde betaling een uitvloeisel zijn van een hoger rechtsbeginsel. In HR 10 augustus 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0672, RvdW 1992/194 (WWV-uitkering) past de Hoge Raad bijvoorbeeld ook rechtstreeks art. 1395 (oud) – het huidige art. 6:203 BW)) – toe.
19. Toch is de discussie over het vereiste van een publiekrechtelijke grondslag nooit gestopt. Verschillende auteurs hebben betoogd dat overheidsaansprakelijkheid een publiekrechtelijke grondslag vereist.1 De ABRvS en de Awb-wetgever hebben die visie tot op zekere hoogte overgenomen. In de Van Vlodrop-uitspraak gaat de ABRvS ervan uit dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan om te kunnen beslissen op een verzoek tot het nemen van een zogenaamd ‘zelfstandig schadebesluit’ op het publiekrecht is gestoeld. De bevoegdheid berust, aldus de ABRvS (toev. PF):
“(…) op het – in art. 6:162 van het BW en in art. 8:73 Awb [oud] tot uiting komende – algemene rechtsbeginsel, volgens hetwelk degene die door aan hem toerekenbaar onrechtmatig handelen of nalaten schade heeft veroorzaakt, is gehouden die aan de benadeelde te vergoeden. Dit beginsel is publiekrechtelijk van aard indien het zijn werking doet voelen in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding.”2
20. Ook de Awb-wetgever nam deze publiekrechtelijke aard van de onrechtmatige overheidsdaad bij de vormgeving van titel 4.4 Awb (de bestuursrechtelijke geldschulden) tot uitgangspunt:
“In de eerste plaats geldt dat de regels in het BW primair zijn geschreven voor privaatrechtelijke verhoudingen. Dit brengt met zich dat deze regels niet zonder meer van toepassing zijn op het terrein van het bestuursrecht.”3
De Awb-wetgever gaat er dus met de ABRvS van uit dat de aansprakelijkheid van de overheid voortvloeit uit het publiekrecht, indien het onrechtmatig gedrag samenhangt met de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. We zouden kunnen spreken van de ‘publiekrechtelijke’ onrechtmatige daad. De verplichting om door onrechtmatig gedrag veroorzaakte schade te vergoeden wordt in dat verband verheven tot een algemeen rechtsbeginsel. Van Ommeren wijst erop dat de gemengde rechtsleer in deze benadering plaats maakt voor een ‘gemeenschappelijke’ rechtsleer, waarbij het publiekrecht en het privaatrecht niet meer ineenvloeien, maar juist ‘ongemengd’ naast elkaar bestaan. Zowel het publiekrecht als het civiele recht worden in deze benadering beheerst door hogere gezamenlijke algemene rechtsbeginselen.4 Anderen duiden deze visie aan als de nieuwe5 of de echte6 gemene rechtsleer.7
21. Deze terugkomst van de publiekrechtelijke grondslag lijkt met name samen te hangen met de opkomst van de gespecialiseerde bestuursrechter en de toename van het aantal bestuursrechtelijke normen.8 Het ligt voor de hand dat de bestuursrechter de primair aangewezen rechter is om over de uitleg en over de schending van het publiekrecht te oordelen. De Hoge Raad streeft dat blijkens zijn strenge rechtspraak over de rechtsmachtverdeling tussen de bestuursrechter en de civiele rechter en het daarmee samenhangende leerstuk van de formele rechtskracht ook (in zekere mate) na. Waar een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan, ziet de Hoge Raad voor een beoordeling van het overheidsgedrag door de civiele rechter geen plek meer.9
22. De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgelaten over de vraag of het onderscheid tussen de publiekrechtelijke en de civielrechtelijke aansprakelijkheidsgrondslag zo strikt moet worden gemaakt. Tot nu toe baseert de Hoge Raad schadevergoedingsvorderingen als gevolg van publiekrechtelijk overheidshandelen in ieder geval nog steeds rechtstreeks op art. 6:162 BW10 en ziet daarin dus nog steeds een voldoende grondslag.11