Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/9.3
9.3 Voorschriften waarbij het belang van de justitiabele wel in het geding is
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS453378:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. art. 12, eerste (getuige of deskundige) en tweede lid (verdachte) ERV; art. 35 eerste (getuige of deskundige) en tweede lid (verdachte) BURV; art. 9 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 12 juni 1991, Trb. 1981, 188; art. 14 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 26 oktober 1988, Trb. 1989, 13; art. 13 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Trb. 1991, 85.
Zie bijv. art. 13 lid 2 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 26 oktober 1988, Trb. 1989, 13.
Zie bijv. art. 6, tweede lid, ERV. Zie art. 552p, derde lid, Sv.
Zie voor een voorbeeld van het eerste HR 17 december 2002, NJ 2003, 179, r.o. 3.3 en van het tweede HR 25 november 2003, LJN AM2480, r.o. 3.6 en 4.7.1-4.7.4.
Zie art. 3, eerste lid, aanhef en onder d. en art. 7 VOGP
Zie bijv. art. 14 EUV. De specialiteitsregel is in het uitleveringsrecht zeer gebruikelijk. Bij andere vormen van rechtshulp wordt zij niet of nauwelijks toegepast, enkele verdragen inzake kleine rechtshulp uitgezonderd. Zie bijvoorbeeld art. 11 lid 2 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 12 juni 1991, Trb. 1981, 188, dat bepaalt: ‘De verzoekende Staat gebruikt zonder voorafgaande toestemming van de aangezochte Staat, geen bij de toepassing van dit Verdrag verkregen bewijsmateriaal, of gegevens daaraan ontleend, voor andere doeleinden dan dewelke in het verzoek zijn vermeld.’ Zie over deze bepaling en enkele andere voorbeelden: J.M. Sjöcrona, De kleine rechtshulp, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 156-158. Een vergelijkbare bepaling is te vinden in het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 26 oktober 1988, Trb. 1989, 13 (‘De verzoekende Staat mag het verkregen bewijs of de daaruit afgeleide inlichtingen niet gebruiken voor andere doeleinden dan vermeld in het verzoek zonder de voorafgaande toestemming van de aangezochte Staat.’). Het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Speciale Administratieve Regio Hong Kong van de Volksrepubliek China inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 26 augustus 2002, Trb. 2002, 175 biedt in art. 8, eerste lid, een expliciete verdragsgrondslag voor het maken van een specialiteitsvoorbehoud: ‘De aangezochte Partij kan eisen dat de verzoekende Partij zonder voorafgaande toestemming van de centrale autoriteit van de aangezochte Partij gegevens of bewijs dat met toepassing van dit Verdrag is verkregen, niet gebruikt bij enig andere onderzoeken, strafvervolgingen of gerechtelijke procedures dan die welke zijn omschreven in het verzoek. In een dergelijke situatie zal de verzoekende Partij de voorwaarden naleven.’
Zie voor de eis van dubbele strafbaarheid bijv. art. 2 EUV, art. 5 ERV en art. 552o lid 3 Sv, art. 3 lid 1, aanhef en onder e. VOGP en art. 7 lid 1 EVOS. Zie voor de verplichting tot opneming van een omschrijving van de feiten in het rechtshulpverzoek bijv. art. 12 lid 2, aanhef en onder b. EUV, art. 14 lid 2 ERV en in zekere zin art. 15 EVOS.
Art. 4 lid 2 UW.
Deze eis is inherent aan een interstatelijke samenwerking te goeder trouw. Een rechtshulpverzoek waar de verzoekende staat geen belang bij heeft veronachtzaamt die volkenrechtelijke eis. Zie voor een voorbeeld waarin deze materie in het uitleveringsrecht aan de orde was HR 20 november 1990, NJ 1991, 315.
Zie in het kader van uitlevering HR 14 oktober 1997, NJ 1998, 288.
Dit speelt vooral bij kleine rechtshulp een belangrijk rol, zie bijv. HR 7 maart 2000, NJ 2000, 539, m.nt. Schalken, r.o. 3.4 en 4.3. Ook in het uitleveringsrecht is deze benadering te bespeuren, zie HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533; HR 17 december 1996, NJ 1997, 534; en HR 20 mei 2003, NJ 2004, 41.
Zie bijv. art. 13 lid 10 aanhef en onder b. van de EU-Rechtshulpovereenkomst.
Zie par. 4.3.
Belangen andere betrokkenen
In de meeste gevallen is het belang van de betrokken burger in het algemeen wel in het geding bij rechtshulp en is een normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel, terughoudendheid in de toetsing van het rechtshulpverzoek, in potentie problematisch. Daarbij gaat het in de meeste gevallen om de betrokken verdachte of veroordeelde. Dat is echter niet noodzakelijkerwijs het geval. Vooral bij bepaalde garanties en verplichtingen in het kader van kleine rechtshulp kan dat anders zijn. Te denken valt aan een in dat kader geboden vrijgeleide, die de verdachte kan betreffen, maar ook een deskundige of getuige.1 Enigszins vergelijkbaar is de verplichting de veiligheid van naar het grondgebied van de vreemde staat reizende getuigen te garanderen.2 Ook verplichtingen tot teruggave van in het kader van kleine rechtshulp overgedragen materiaal beschermen in veel gevallen niet het belang van de betrokken verdachte.3 Het kan dan gaan om de positie van derden aan wie het materiaal toebehoort of om de positie van een andere verdachte, in die gevallen dat het materiaal van betekenis is voor diens proces.4 Met name wanneer het om ontlastend materiaal gaat, is dat belang ook daadwerkelijk in het geding.
Belangen verdachte of veroordeelde
Meestal is het echter wel het belang van de betrokken verdachte of veroordeelde dat in het geding is. Dat belang kan daarbij echter, als gezegd, meer of minder op de voorgrond staan. Bovendien kan het gaan om een specifiek thema dat bij een bepaalde vorm van rechtshulp van belang is, maar ook om een meer algemeen strafvorderlijk thema dat ook een rol kan spelen bij rechtshulpverkeer. Ter illustratie volgen enkele voorbeelden.
Voor de meeste specifiek voor een bepaalde vorm van rechtshulp geldende voorschriften is niet of niet langer te verdedigen dat het belang van de verdachte geen rol speelt. Zeer op de voorgrond staat dit bijvoorbeeld bij de eis van instemming met overbrenging op grond van het VOGP.5 Ook specialiteitsregels,6 vereisten van dubbele strafbaarheid en de daarvan afgeleide voorwaarden waaraan de omschrijving van de feiten moet voldoen,7 de terugleveringsclausule bij uitlevering van onderdanen8en bijvoorbeeld de verplichting een gerechtelijk schrijven op verzoek te betekenen of uit te reiken9 kennen een duidelijk rechtsbeschermend aspect voor de verdachte of veroordeelde. Soms staat dat aspect minder op de voorgrond, maar moet het toch aanwezig worden geacht. Te denken valt aan het vertrouwen dat zich richt op het belang dat de andere staat heeft bij een rechtshulpverzoek10 en de subsidiariteit van een dergelijk verzoek.11 Het belang van de aangezochte staat is daar duidelijk ook bij betrokken, voorkomen moet immers worden dat die staat strafvorderlijke inspanningen verricht die niet noodzakelijk of aangewezen zijn, maar ook de verdachte dient pas te worden lastiggevallen met strafvorderlijk handelen wanneer dat nodig is.
Indien de verzoekende staat, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van rechtsmacht, helemaal geen belang heeft bij strafvorderlijk optreden vallen die twee zonder meer samen. Bij een afweging tussen verschillende strafvorderlijke mogelijkheden (de subsidiariteit van het rechtshulpverzoek) zal dat veelal ook zo zijn, maar is dat niet noodzakelijkerwijs het geval. Denkbaar is dat de verzoekende staat in plaats van een rechtshulpverzoek ook het doel kan bereiken door zelf strafvorderlijk op te treden, maar dat optreden voor de verdachte veel bezwaarlijker is dan het rechtshulpverzoek. Denk aan het verkrijgen van gegevens die in een vreemde staat aanstonds beschikbaar zijn, maar in de andere staat slechts kunnen worden verkregen door middel van een doorzoeking. Ervan uitgaande dat het eindresultaat identiek is, de gegevens komen beschikbaar, dan lijkt op voorhand een simpel rechtshulpverzoek om de in de andere staat reeds beschikbare gegevens te verkrijgen voor zowel de verdachte als voor de verzoekende staat verkieslijker dan het zware dwangmiddel van doorzoeking. Vanuit de aangezochte staat bezien is dat anders: die wordt dan immers belast met een rechtshulpverzoek, terwijl daarvan geen sprake is als de verzoekende staat de gegevens zelf vergaart door middel van de doorzoeking.
Algemene strafvorderlijke voorschriften
Meer algemene strafvorderlijke voorschriften, die vaak ook een rol spelen bij internationale strafrechtelijke samenwerking, beogen in veel gevallen eveneens het belang van de verdachte te beschermen. Meer nog dan voorschriften betreffende de van oudsher tussenstatelijke rechtshulprelatie zijn deze voorschriften in het leven geroepen ter bescherming van het belang van de betrokken burger, met name de verdachte. In eerste instantie valt te denken aan de procedurele voorschriften die telkens gelden voor het onderdeel van het strafproces waarop de samenwerking betrekking heeft, zoals de opsporing, berechting, strafoplegging en tenuitvoerlegging van de sancties. Daarnaast kan worden gedacht aan mensenrechtelijke voorschriften. Die zullen in hoofdstuk 11 zelfstandig nog aan de orde komen. In het verlengde hiervan speelt de Schutznorm ook bij internationale strafrechtelijke samenwerking een rol.12 Enkel wanneer het belang van de concrete verdachte in het geding is, is er reden gevolgen te verbinden aan een verzuim.
Ordenende rechtshulpvoorschriften
In enkele gevallen zijn voorschriften aan te wijzen die de samenwerking regelen, maar niet beogen het belang van de betrokken verdachte te beschermen. Deze kunnen worden gezien als ordenende rechtshulpvoorschriften. Daarbij kan worden gedacht aan de voorschriften betreffende de wijze waarop een verzoek dient te worden gedaan13 en geheimhoudingsplichten.14Bij de eerste categorie valt op dat de voorschriften sterk ordenend van aard zijn,15 hetgeen een sterker werkend normatief-beperkend vertrouwensbeginsel nog minder problematisch maakt. Bij de tweede categorie kan een dergelijk sterk werkend vertrouwensbeginsel wel problematisch zijn, maar niet voor de betrokken burger. Vanuit het perspectief van de integriteit van de opsporing, kunnen vanzelfsprekend wel problemen ontstaan.