Eigendomsvoorbehoud
Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.2:4.2 Het eigendomsvoorbehoud als overdracht onder opschortende voorwaarde
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.2
4.2 Het eigendomsvoorbehoud als overdracht onder opschortende voorwaarde
Documentgegevens:
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400839:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Reehuis 2013, nr. 14.
Zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.6.
Zie hierna in paragraaf 4.4.1 en 4.8.1.
Zie uitgebreid Stolz 2015, p. 907 e.v.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 125, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 411 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 239.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 126, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 411 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 239 en nr. 243.
Vgl. Stolz 2015, p. 985 die spreekt van een ‘vrijwel onontwarbare kluwen aan opvattingen.’
Zie voor een uitgebreid overzicht Stolz 2015, p. 984-1006.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor een goed begrip van de constructie van het eigendomsvoorbehoud als overdracht onder opschortende voorwaarde is het van belang te beseffen dat het eigendomsvoorbehoud een tweeledig karakter heeft.1 Enerzijds is met het beding beoogd dat de verkoper eigenaar blijft van de verkochte zaak tot het moment dat de koper de verschuldigde tegenprestatie voldoet, maar anderzijds is eveneens beoogd dat de koper zonder meer eigenaar wordt van de verkochte zaak, indien en zodra hij de verschuldigde tegenprestatie voldoet. Dit automatisme van de eigendomsverkrijging door de koper op het moment dat hij de verschuldigde tegenprestatie voldoet, is gewaarborgd doordat terstond een overdracht wordt gerealiseerd, waaraan een opschortende voorwaarde is verbonden.
Hoewel gewoonlijk de nadruk wordt gelegd op de eerste omstandigheid – het feit dat de verkoper vooralsnog eigenaar blijft – vormt het tweede aspect net zozeer een essentieel onderdeel van het beding van eigendomsvoorbehoud zoals het door artikel 3:92 lid 1 BW wordt begrepen. Als de verkoper en de koper namelijk niet terstond een overdracht tot stand zouden brengen, zou simpelweg sprake zijn van het uitstellen door de verkoper van de nakoming van zijn verplichtingen, waarbij eventueel de zaak reeds aan de koper zou kunnen worden overhandigd.
Zoals in hoofdstuk 2 duidelijk is geworden, heeft bij de wettelijke verankering van het eigendomsvoorbehoud met name het tweede aspect – het waarborgen dat de eigendomsverkrijging zonder meer en van rechtswege plaatsvindt op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat – op de voorgrond gestaan.2 Duidelijk blijkt dit ook uit het opnemen van een afzonderlijke leveringsbepaling voor de overdracht onder opschortende voorwaarde, waarbij in het bijzonder aan het eigendomsvoorbehoud is gedacht. Met artikel 3:91 BW heeft de wetgever buiten twijfel willen stellen dat het mogelijk is om, ondanks het feit dat de verkoper vooralsnog eigenaar blijft, de levering direct te verrichten. Aangezien het verrichten van de leveringshandeling een noodzakelijk voorwaarde is voor het realiseren van een overdracht (art. 3:84 lid 1 BW), zou het bij gebreke van de mogelijkheid om de zaak direct te leveren in het geheel niet mogelijk zijn om direct een overdracht te realiseren.3
Omdat de zaak op grond van artikel 3:91 BW direct kan worden geleverd aan de koper, kan ook direct een overdracht tot stand worden gebracht, waarvan slechts de werking door de opschortende voorwaarde is uitgesteld. Aldus is gewaarborgd dat de koper door voldoening van de tegenprestatie ook zonder meer eigenaar wordt.
Dat de vervulling van de voorwaarde dit rechtsgevolg zonder meer teweegbrengt, is het gevolg van de goederenrechtelijke werking van de voorwaarde. Dit begrip heeft een tweetal aspecten.4 Enerzijds heeft de vervulling van de voorwaarde goederenrechtelijke werking tussen partijen. Dit houdt in dat de eigendom bij vervulling van de voorwaarde zonder meer overgaat op de verkrijger onder voorwaarde, zonder dat daartoe nog een handeling van partijen is vereist en zonder dat partijen op deze goederenrechtelijke werking – bijvoorbeeld door een wilswijziging – nog invloed kunnen uitoefenen.5 Anderzijds heeft de vervulling van de voorwaarde ook goederenrechtelijke werking ten opzichte van derden, in die zin dat de vervreemder onder voorwaarde gedurende de periode van onzekerheid is beperkt in diens beschikkingsmacht ten aanzien van de reeds onder voorwaarde overgedragen zaak.6 Dit heeft tot gevolg dat een beschikking door de vervreemder hangende de voorwaarde, een door een schuldeiser van de vervreemder gelegd beslag en een tussentijds uitgesproken faillissement niet kunnen verhinderen dat de eigendom overgaat op de verkrijger indien de voorwaarde in vervulling gaat. In hoofdstuk 8 wordt uitgebreid stilgestaan bij de vraag hoe deze goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde in het systeem van het vermogensrecht kan worden verklaard. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de voorafgaande vraag, namelijk op welke wijze een overdracht onder opschortende voorwaarde tot stand komt. Daarmee vormt dit hoofdstuk de opmaat voor de bespreking van de positie van de koper gedurende de periode van onzekerheid in hoofdstuk 8.
De vraag naar de constructie van het eigendomsvoorbehoud, in het bijzonder waar het aankomt op de positie van de koper gedurende de periode van onzekerheid, is zonder twijfel de meest omstreden kwestie rond het eigendomsvoorbehoud in de literatuur sinds 1992. Dit lijkt onder meer een gevolg van het feit dat de relevante wetsbepalingen – in het bijzonder artikel 3:84 lid 4 BW, artikel 3:91 BW en artikel 3:92 lid 1 BW – en de daarbij horende parlementaire geschiedenis niet alleen erg bondig zijn geformuleerd, maar ook geen eenduidige terminologie lijken te hanteren. Daarnaast speelt een rol dat de constructie van de overdracht onder opschortende voorwaarde in het huidige recht mogelijk afwijkt van het Oud BW, omdat de terugwerkende kracht van de vervulling van de voorwaarde is afgeschaft.
Dit alles heeft geleid tot een wildgroei aan opvattingen in de literatuur ten aanzien van de constructie van de overdracht onder opschortende voorwaarde.7 De verschillende opvattingen laten zich desalniettemin indelen in grofweg drie categorieën, die hierna achtereenvolgens worden besproken.8