Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.3.3.4.7
4.3.3.4.7 Factor 6: Kosten van de concrete handeling in verhouding tot het gewicht van het aangetaste belang
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS443805:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 10 februari 2011, Dubetska e.a./Oekraïne, r.o. 155 (zaaknr. 30499/03). Aan deze redengeving ligt vermoedelijk de gedachte ten grondslag dat het faciliteren van de verhuizing van die kleine groep mensen naar een veiliger omgeving voor de overheid geen onoverkomelijke kosten met zich zou brengen.
Zie bijvoorbeeld EHRM 29 maart 2011, Potomska en Potomski/Polen, r.o. 73 (zaaknr. 33949/05) (‘a lack of funds cannot justify the authorities’ failure to remedy the applicants’ situation’) en EHRM 18 mei 2004, Prodan/Moldavië, r.o. 53 en 61 (zaaknr. 49806/99) (‘lack of funds and of available alternative accommodation cannot justify such an omission’). Eenzelfde terughoudendheid bij het aanvaarden van budgettaire overwegingen als rechtvaardiging voor aantastingen van beschermde belangen is te vinden in de rechtspraak van het HvJEU (zie bijvoorbeeld HvJEU 14 juni 2012, Commissie/Nederland, C-542/09, ECLI:EU:C:2012:346, r.o. 57-58).
Overigens heb ik ook nog nooit gehoord dat hulpdiensten (in Europa) afzagen van het verlenen van noodhulp, omdat de kosten te hoog zouden zijn.
Zie EHRM 4 januari 2005 (ontvankelijkheidsbeslissing), Pentiacova e.a./Moldavië (zaaknr. 14462/03) (weigering optimale behandeling bij nierziekte). Hoewel dit voor de betrokkenen uiteraard zeer schrijnend is, kan men voor deze rechtspraak enig begrip hebben. Het gaat hier immers om algemeen gezondheidsbeleid waarbij voor de bevolking als geheel beoordeeld moet worden welke medische behandelingen wel en niet geboden of vergoed worden.
Het verrichten van concrete handelingen ter beëindiging van bestaande aantastingen van de door artikel 2evrm, artikel 8evrm en/of artikel 1ep beschermde belangen kost de overheid geld. Nu ook het budget van de overheid grenzen kent, rijst de vraag of de kosten van concrete handelingen een rol spelen bij de beoordeling of de overheid verplicht is een of meer (bepaalde) concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting van de door artikel 2 evrm, artikel 8 evrm en/of artikel 1 ep beschermde belangen. Meer in het bijzonder rijst de vraag of de overheid in een concreet geval mag afzien van het verrichten van een of meer (bepaalde) concrete handelingen ter beëindiging van zo’n bestaande aantasting vanwege de daarmee gemoeide (hoge) kosten.
Bestaande aantastingen van de door artikel 8evrm en artikel 1ep beschermde belangen bestaan vaak uit een vermindering van het woongenot, de kwaliteit van leven, de gezondheid, de waarde van eigendom en/of de vrije gebruiksmogelijkheden van eigendom. Deze aantastingen zijn in omgevingsgerelateerde situaties doorgaans het gevolg van activiteiten in de omgeving die hinder en/of vervuiling veroorzaken. Het lijkt mij dat de kosten van concrete handelingen ter beëindiging van dergelijke bestaande aantastingen slechts in enkele gevallen kunnen rechtvaardigen dat de overheid afziet van die handelingen.
Een waardedaling van eigendom of een vermindering van de gebruiksmogelijkheden van eigendom (waartegen artikel 1ep beschermt) kunnen in geld uitgedrukt worden. Bij deze twee aantastingen kan derhalve een financiële afweging gemaakt worden tussen de kosten en de baten van het verrichten van concrete handelingen ter beëindiging van de activiteiten die die aantastingen veroorzaken. Met enige voorzichtigheid zou wellicht gezegd kunnen worden dat als de financiële kosten van een bepaalde concrete handeling de financiële baten aanzienlijk overstijgen, geen positieve verplichting tot het verrichten van die concrete handeling bestaat. Specifiek relevante rechtspraak is mij in dit verband echter niet bekend.
Bij een vermindering van het woongenot, de kwaliteit van leven en/of de gezondheid (waartegen artikel 8evrm beschermt) is de afweging een stuk ingewikkelder. Het gaat hier immers om immateriële belangen die niet (goed) op geld waardeerbaar zijn, zodat het niet goed mogelijk is deze belangen af te wegen tegen de kosten van de concrete handelingen waarmee de aantasting van die belangen beëindigd zou kunnen worden. De rechtspraak van het ehrm is op dit punt ook niet overvloedig. De enige (mij bekende) specifiek relevante omgevingsgerelateerde zaak is de zaak-Dubetska e.a./Oekraïne. De klagers in deze zaak woonden in de buurt van een kolenmijn met een bijbehorende kolenverwerkingsfabriek. De exploitatie van die mijn en fabriek veroorzaakte luchtvervuiling, watervervuiling, bodemvervuiling en bodemverzakking. Het ehrm stelde een schending van de positieve verplichtingen onder artikel 8 evrm vast, omdat de overheid nagelaten had de verhuizing van de klagers naar een veiliger omgeving te faciliteren of een andere effectieve oplossing voor hun situatie te vinden. Bij het bereiken van deze conclusie had het ehrm oog voor de kosten die het aanpakken van de milieuproblemen met zich bracht. Het overwoog namelijk dat het aanpakken van de milieuproblemen een ingewikkelde taak was die ‘time and considerable resources’ vergde, vooral tegen de achtergrond van de lage winstgevendheid van de mijn en fabriek en de landelijke economische moeilijkheden. De reden dat het ehrm niettemin een schending van artikel 8 evrm vaststelde lijkt vooral dat de mijn en fabriek in een landelijk gebied gevestigd waren en de klagers daarom behoorden tot slechts een zeer kleine groep mensen die dichtbij woonden en het ernstigst door de vervuiling getroffen werden.1 Op basis van dit arrest is het niet mogelijk een stellige conclusie te trekken over de vraag of de (hoge) kosten van concrete handelingen ter beeindiging van bestaande aantastingen van de door artikel 8 evrm beschermde belangen kunnen rechtvaardigen dat de overheid afziet van die handelingen. Mijns inziens is het uitgangspunt echter dat de overheid daarvan niet mag afzien vanwege de (hoge) kosten. Indien te gemakkelijk wordt aanvaard dat de kosten van dergelijke concrete handelingen kunnen rechtvaardigen dat van die concrete handelingen wordt afgezien, komt de effectiviteit van de bescherming van de door artikel 8 evrm beschermde fundamentele belangen immers in het gedrang.2 Dit lijkt ook de reden waarom het ehrm in het algemeen (dus ook buiten de specifieke situatie die in deze paragraaf aan de orde is) niet snel accepteert dat verdragsstaten aantastingen van beschermde belangen rechtvaardigen met een beroep op een gebrek aan financiële middelen.3 Het komt mij daarom voor dat de overheid alleen op grond van budgettaire overwegingen van het verrichten van een bepaalde concrete handeling ter beëindiging van een bestaande aantasting van de door artikel 8 evrm beschermde belangen mag afzien, indien de kosten van die concrete handeling uitzonderlijk en onaanvaardbaar hoog zijn. Indien er verschillende concrete handelingen zijn waarmee de bestaande aantasting effectief beëindigd kan worden, staat het de overheid uiteraard vrij te kiezen voor de goedkoopste concrete handeling (met dien verstande dat door de keuze voor een bepaalde concrete handeling de belangen van degene die de aantastende activiteiten verricht niet onnodig en/of onevenredig worden geschaad).
Bestaande aantastingen van de door artikel 2evrm beschermde belangen bestaan uit een levensbedreigende ziekte of verwonding. Deze aantastingen zijn in omgevingsgerelateerde situaties het gevolg van activiteiten of een natuurlijke gebeurtenis in de omgeving. Concrete handelingen ter beëindiging van die bestaande aantastingen bestaan in omgevingsgerelateerde situaties, zoals eerder opgemerkt, uit het verlenen van noodhulp bij levensbedreigende ziekte of verwonding. Het lijkt mij dat de overheid het verlenen van dergelijke noodhulp niet kan weigeren vanwege de (hoge) kosten daarvan. De afweging tussen de kosten en het recht op leven valt mijns inziens per definitie uit in het voordeel van het verlenen van noodhulp.4 Anders ligt dat vermoedelijk voor de fase na de eerste noodhulp. Indien voor de beëindiging of beheersing van een levensbedreigende ziekte of verwonding een zeer dure en ongebruikelijke medische behandeling noodzakelijk is, laat het ehrm enige ruimte om op grond van financiële overwegingen die behandeling niet te bieden.5