Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/3.8
3.8 Onverenigbaarheid met een beslissing in de lidstaat van erkenning
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS379472:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 28 EEX-Vo.
HvJ EG 4 februari 1988, 145/86, Jur. 1988, p. 645, NJ 1990, 209 UCS).
Op de echtscheiding is door de Nederlandse rechter het Duitse recht toegepast. Ten aanzien van de Duitse alimentatiebeslissing dient te worden opgemerkt dat deze naar Duits recht haar werking verliest indien de echtscheiding tussen partijen kracht van gewijsde verkrijgt. Zodoende rijst de vraag of op de Duitse beslissing een exequatur in Nederland kan worden verleend, nadat in Nederland een echtscheiding tussen de partijen is uitgesproken.
De Duitse beslissing kan wel worden erkend ten aanzien van de periode voor de echtscheiding (Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 34 sub 3, aant. 4).
HvJ EG 2 juni 1994, C-414/92, Jur. 1994, p.1-2237, NJ 1995, 637 (ThMdB), Solo Kleinmotorenffloch. De verordening noch het verdrag bevatten een regeling hieromtrent.
Kropholler (2002), p. 414. Dit beginsel dient mijns inziens ook toegepast te worden bij de erkenning van een buitenlandse beslissing die onverenigbaar is met een tussen partijen totstandgekomen gerechtelijke schikking. Gezien de restrictieve uitleg van het begrip 'openbare orde' is er voor de toepassing van art. 34 sub 1 EEX-Vo geen plaats.
Overeenkomstig art. 34 sub 3 EEX-Vo wordt een rechterlijke beslissing niet erkend indien deze in strijd is met een in de lidstaat van erkenning gegeven beslissing. Ten aanzien van de beslissing gegeven in de lidstaat van erkenning geldt niet dat de beslissing eerder moet zijn verkregen dan die waarvan de erkenning wordt verzocht. Het is derhalve mogelijk dat in de periode tussen de verkrijging van een rechterlijke beslissing en de exequaturverlening in een andere lidstaat, in de lidstaat van erkenning een beslissing wordt gegeven die de erkenning van de eerste beslissing tegen zal houden. In het algemeen zal in de praktijk aan deze bepaling een beperkte betekenis toekomen, aangezien reeds in het kader van de bevoegdheidsregeling de EEX-Verordening een bepaling bevat die tot doel heeft te voorkomen dat er binnen de Europese Unie beslissingen worden gegeven die uiteenlopen of onderling tegenstrijdig zijn.1
Art. 34 sub 3 EEX-Vo geeft niet aan wat onder het begrip 'onverenigbaar' moet worden verstaan. Overeenkomstig het arrest HoffmannIKrieg2 is sprake van onverenigbaarheid c.q. tegenstrijdigheid van twee beslissingen, indien de gevolgen van deze beslissingen elkaar uitsluiten. In dit arrest betrof het de erkenning in Nederland van een Duitse beslissing inhoudende veroordeling tot betaling van alimentatie.
Voordat de erkenning daarvan in Nederland werd verzocht, is echter door de Rechtbank Maastricht tussen partijen echtscheiding uitgesproken.3 Eerst na verloop van ongeveer twee jaar heeft de vrouw bij de Nederlandse rechter een exequatur van de Duitse beslissing verzocht. Inmiddels is het huwelijk tussen partijen in Nederland ontbonden, maar is deze echtscheidingsbeslissing niet in Duitsland erkend. In de verzetprocedure tegen de verlening van het exequatur heeft de Hoge Raad aan het HvJ EG prejudiciële vragen omtrent de uitleg van art. 27 sub 3 EEX-Verdrag (vgl. art. 34 sub 3 EEX-Vo) gesteld. Het HvJ EG stelt vast dat in het voorliggende geval de Duitse beslissing een huwelijksband tussen partijen veronderstelt en dat de beslissing een uit het huwelijk voortvloeiende betaling van alimentatie inhoudt. Nu het huwelijk door de beslissing van de Nederlandse rechter is ontbonden, is volgens het Hof in casu sprake van onverenigbare beslissingen.4
Art. 34 sub 3 EEX-Vo heeft geen betrekking op de onverenigbaarheid van een rechterlijke beslissing met een gerechtelijke schikking.5 Eveneens heeft deze bepaling geen betrekking op onverenigbaarheid van een rechterlijke beslissing met een arbitrale beslissing. Hiervoor geldt het algemene prioriteitsbeginsel.6