Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.6
4.3.4.6 Schuldoverneming
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS501407:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Eventueel kan nog worden gedacht aan toepassing van art. 6:144 lid 1 BW, op grond waarvan verplichtingen die uit het schuldeiserschap of uit nevenrechten voortvloeien van rechtswege overgaan op de nieuwe schuldeiser. Hoewel deze bepaling bijvoorbeeld betrekking heeft op de verplichting van een pandhouder om als goed pandhouder over een zaak zorg te dragen (Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2017/263), zou kunnen worden volgehouden dat de overname van het recht op teruggaaf ex art. 29 lid 1 en 2 Wet OB 1968 tevens de verplichting tot afdracht ex art. 29 lid 5 Wet OB 1968 behelst bij een latere betaling alsnog. Ik meen echter dat deze conclusie te verstrekkend is, aangezien de terugbetalingsverplichting ex art. 29 lid 5 Wet OB 1968 naar mijn idee niet uit het recht op teruggaaf ex art. 29 lid 1 en 2 Wet OB 1968 voortvloeit. Het betreft immers een zelfstandige terugbetalingsverplichting (zie paragraaf 4.3.3.1). Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2017/263.
Beide partijen dienen de schuldeiser dus in kennis te stellen. Zie ook Rechtbank Amsterdam 13 november 2012, V-N 2003/6.21.
Schuldoverneming moet niet worden verward passieve schuldvernieuwing (paragraaf 4.3.1.1.7). Bij schuldvernieuwing treedt een nieuwe schuldenaar evenzeer in de plaats van de oude schuldenaar, maar gaat deze indeplaatstreding gepaard met het tenietgaan van de verbintenis tussen de oude schuldenaar en de schuldeiser: de nieuwe schuldenaar neemt bij schuldvernieuwing dus een nieuwe schuld op zich, daar waar het bij schuldoverneming dezelfde schuld betreft. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2017/298.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2017/298 e.v. Vgl. Verhoeven 2002, p. 239 e.v.
Hierbij heb ik Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2017/298 e.v. en de aldaar opgesomde literatuur tot uitgangspunt genomen. Zie voor een overzicht eveneens pt. 4.6-4.14 A-G Niessen bij HR 12 augustus 2016, BNB 2016/206.
Hoewel in lijn met het ontstaansmoment van het recht op teruggaaf zou kunnen worden beargumenteerd dat ook deze verplichting reeds bij het verrichten van de prestatie voorwaardelijk is.
Aantekening bij Hof Amsterdam 23 april 2015, FutD 2015/1429.
Voorgaande paragrafen stonden in het teken van overgang van rechten, in het bijzonder het recht op teruggaaf. Omdat art. 29 Wet OB 1968 met ingang van 1 januari 2017 voor de leverancier (de schuldeiser) niet enkel rechten schept, maar ook de verplichting behelst om het recht op teruggaaf te herzien als de vordering later alsnog wordt betaald (lid 5), dient – indien tot uitgangspunt wordt genomen dat de overnemer van een handelsvordering de positie van de overdrager moet overnemer – strikt genomen ook te worden onderzocht of en in hoeverre deze verplichting voor overname vatbaar is. Ik doel hierbij op de figuur van schuldoverneming (art. 6:155-158 BW).1 Dit is min of meer de tegenhanger van de cessie. Art. 6:155 BW bepaalt dat een derde de schuld van een schuldenaar kan overnemen, maar dat deze pas werking heeft jegens de schuldeiser, indien deze zijn toestemming heeft verleend nadat partijen2 hem van de overneming in kennis hebben gesteld.3 Wordt de schuldeiser niet vergewist van de schuldoverneming of verleent deze geen toestemming, dan schept de overeenkomst tussen de schuldenaar en de derde in principe enkel rechtsgevolgen tussen deze partijen. De schuldoverneming wordt in dat geval niet voltooid.4 Gevolg daarvan is dat de oude schuldenaar door de schuldeiser kan blijven worden aangesproken. Wil een schuldoverneming van de verplichting ex art. 29 lid 5 Wet OB 1968 derhalve effect sorteren, dan zal de Belastingdienst dus met de schuldoverneming moeten instemmen. Anders dan bij cessie betreft het hier dus een civielrechtelijk instemmingsvereiste.
In vergelijking met cessie van vorderingen is over schuldoverneming relatief weinig geschreven. Een onderzoek naar ter zake verschenen literatuur5 schept geen duidelijkheid over het antwoord op de vraag wanneer een schuld voor overname vatbaar is. In het midden blijft of bijvoorbeeld toekomstige schulden voor overneming vatbaar zijn. Vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag en naar analogie met de cessie (vgl. art. 3:97 BW), zou ik menen dat dit niet het geval is en een schuld pas kan worden overgenomen op het moment dat de schuld daadwerkelijk bestaat. Wat betreft art. 29 lid 5 Wet OB 1968 zou dit het tijdstip zijn waarop de ondernemer de vergoeding alsnog ontvangt.6 Daarnaast valt op dat de wet- en regelgeving omtrent de invordering van belastingschulden niet voorschrijft hoe moet worden omgegaan met schuldoverneming en onder welke omstandigheden de Belastingdienst (als schuldeiser) met een schuldoverneming moet instemmen, zoals bij cessie wel het geval is. Of hieruit mag worden afgeleid dat de Belastingdienst nooit zijn medewerking aan een schuldoverneming verleent, zoals de redactie van Fiscaal up to Date voorstaat,7 is mij niet duidelijk. Het komt mij voor dat de Belastingdienst bij een verzoek tot instemming van geval tot geval zal kunnen beoordelen of met de schuldoverneming kan worden ingestemd. Dit zal veelal afhangen van het arrangement dat wordt voorgelegd en de kredietwaardigheid van de schuldovernemer. Anders dan bij cessie kan de Belastingdienst onder voorwaarden dus niet worden gedwongen om te stemmen.
Gelet op het vorenstaande lijkt het mij dat een herzieningsverplichting voortvloeiende uit art. 29 lid 5 Wet OB 1968 door degene die een handelsvordering overdraagt (de ondernemer) kan worden ‘overgedragen’ aan de overnemer van die vordering. Anders dan bij het recht op teruggaaf zal het echter bewerkelijk, zo niet onmogelijk, zijn om deze schuldoverneming te voltooien op het moment dat de handelsvordering (al dan niet tezamen met het recht op teruggaaf) wordt overgedragen. Dit geldt temeer wanneer deze overdracht plaatsvindt vlak ná het moment waarop het onderliggende vorderingsrecht is ontstaan, zoals bij factoring veelal het geval is. Zodoende zal het wat betreft art. 29 lid 5 Wet OB 1968 buitengewoon lastig zijn om een soortgelijke (eind)situatie te creëren zoals die met toepassing van art. 29 lid 6 Wet OB 1968 zal ontstaan.