Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.4.4.2.4
2.4.4.2.4 Visie van de Uniewetgever
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS501488:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Als voornaamste bezwaar noemt de Europese Commissie dat de toen geldende cumulatieve cascadestelsels zowel nationaal als internationaal distorsies veroorzaken van de mededingingsverhoudingen vanwege een gebrek aan ‘neutraliteit’. Zie in dat verband Kamerstukken II 1965/1966, 8556, nr. 2 (Nota over de harmonisatie van belasting in de Europese Gemeenschap), p. 6 (rk).
PbEG 14 april 1967. Voor een toelichting op de gang van zaken rondom het Europese wetgevingsproces verwijs ik naar Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 3, p. 11 (MvT) en Kamerstukken II 1965/66, 8556, nr. 2, p. 5-12 (Nota over de harmonisatie van belasting in de Europese Gemeenschap).
Pt. 2-5 en pt. 8.
Pt. 3.
Op grond van art. 1 van de Eerste richtlijn waren lidstaten gehouden om uiterlijk op 1 januari 1970 hun omzetbelastingsysteem te vervangen door een btw. In de memorie van toelichting bij de Wet OB 1968, waarmee de btw in Nederland op 1 januari 1969 werd geïntroduceerd, komt de doelstelling van de Nederlandse wetgever slechts summierlijk boven drijven. De wetgever sluit zich kortheidshalve aan bij de Uniewetgever. Samenvattend wordt gesteld: “Aan het bestaande cumulatieve cascadestelstel zijn vanwege het gebrek aan voldoende interne en externe neutraliteit [uit de context van deze passage leid ik af dat de wetgever met interne neutraliteit doelt op nationale verhoudingen en met externe neutraliteit refereert aan internationale verhoudingen] bezwaren verbonden. Het verstoort de concurrentieverhoudingen, belemmert differentiatie en staat een juiste afrekening van de belasting aan de grenzen in de weg. Door de ontwikkelingen in de E.G. (…) hebben de nadelen een bijzonder accent gekregen. Het is daardoor noodzakelijk geworden zo spoedig mogelijk over te gaan op een neutraler stelsel. Als zodanig komt in aanmerking de BTW, het stelsel dat door de Ministerraad van de E.E.G. in het kader van de harmonisatie van de omzetbelasting is aangewezen als het toekomstige gemeenschappelijke Europese stelsels.” (Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 3, p. 14 (MvT)).
Hoewel met de Btw-richtlijn geen inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de eerdere richtlijnen werden beoogd, maar slechts een verduidelijking en herschikking omvatte (pt. 1 en 2 van de preambule bij de Btw-richtlijn).
Pt. 4. Opvallend is dat in het voorstel voor een Zesde richtlijn en in de toelichting daarop van de Europese Commissie met geen woord wordt gerept over deze doelstellingen (Commissie (COM (73) 950, 20 juni 1973).
Pt. 4, 5 en 7.
Zie voetnoot 232.
Mede op grond van de resultaten van de hiervoor besproken studies stelde de Europese Commissie, die de genoemde bezwaren van de cumulatieve cascadestelsels onderschreef,1 ontwerpen op voor onder meer een Eerste en Tweede richtlijn. Na een aantal wijzigingen werden deze richtlijnen door de Raad op 9 februari 1967 aanvaard en op 11 april 1967 vastgesteld.2 Op grond van deze richtlijnen werden lidstaten verplicht om uiterlijk op 1 januari 1970 een btw in te voeren. In de preambules van de richtlijnen komt de doelstelling van de Uniewetgever ten aanzien de wijze van heffing naar voren. Gelet op het belang van deze preambules en de preambules bij de latere richtlijnen neem ik hieronder enkele overwegingen integraal op.
Zo wordt in de preambule van de Eerste richtlijn overwogen:3
“(…) dat het verwezenlijken van deze doelstelling [het instellen van een gemeenschappelijke markt waarin een gezonde mededinging bestaat en waarvan de kenmerken analoog zijn aan die van een binnenlandse markt; BH] vooronderstelt dat in de Lid-Staten wetgevingen inzake omzetbelasting worden toegepast welke de mededingingsvoorwaarden niet vervalsen en het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de gemeenschappelijke markt niet belemmeren;
(…) dat de thans geldende wetgevingen niet aan voormelde vereisten voldoen; dat het derhalve in het belang van de gemeenschappelijke markt is om een harmonisatie van de wetgevingen inzake omzetbelasting tot stand te brengen, welke ten doel heeft de factoren, die de mededingingsvoorwaarden zowel op nationaal als op communautair niveau zouden kunnen vervalsen, zoveel mogelijk uit te schakelen en welke harmonisatie het mogelijk maakt om vervolgens te komen tot het doel van de afschaffing van het belasten bij invoer en het ontlasten bij uitvoer in het handelsverkeer tussen Lid-Staten;
(…) dat uit de verrichte studies is gebleken dat deze harmonisatie dient te leiden tot afschaffing van de cumulatieve cascadestelsels en tot aanvaarding door alle Lid-Staten van een gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;
(…) dat een stelsel van belasting over de toegevoegde waarde de grootste mate van eenvoud en neutraliteit verkrijgt wanneer de belasting zo algemeen mogelijk wordt geheven en het toepassingsgebied ervan alle fasen van produktie en distributie, zomede het gebied van diensten omvat; (…).
(…) dat de vervanging van de in het merendeel der Lid-Staten geldende cumulatieve cascadestelsels door het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde (…) moet leiden tot neutraliteit ten aanzien van de mededinging in die zin dat binnen elk land op soortgelijke goederen dezelfde belastingdruk zal rusten ongeacht de lengte van de produktie- en distributieketen en dat in het internationale handelsverkeer de hoogte van de belastingdruk op de goederen bekend zal zijn zodat een nauwkeurige compensatie van deze druk kan worden bewerkstelligd; (…).”
In de Tweede richtlijn, die onder meer de technische randvoorwaarden van de btw schept, wordt onder meer overwogen:4
‘(…) dat er evenwel procedures moeten worden geschapen om enerzijds de neutraliteit ten aanzien van de mededinging tussen de Lid-Staten te waarborgen en om anderzijds de bedoelde verschillen [in belastingheffing; BH] geleidelijk te beperken of af te schaffen, (…).’
Uit deze overwegingen kan worden afgeleid dat het de Uniewetgever met name te doen was om de (mededingings)neutraliteit van de btw. Hiermee vallen de doelstellingen van de Uniewetgever samen met de bevindingen uit de in opdracht van de Europese Commissie uitgevoerde studies, waarin de nadruk ook lag op deze neutraliteit. Mededingingsneutraliteit betekent, aldus de overwegingen van de preambules, dat op soortgelijke goederen eenzelfde belastingdruk rust, ongeachte de lengte van de bedrijfskolom, dat bij grensoverschrijdende transacties de belastingdruk op goederen bekend is, zodat deze bij in- en uitvoer kan worden gecompenseerd, en dat de mededinging tussen de lidstaten van de EU wordt gewaarborgd. Door de btw te heffen op de wijze zoals voorgesteld in de richtlijnen zouden de nadelen van de binnen de EU bestaande cumulatieve cascadestelsels moeten worden weggenomen: verticale bedrijfsconcentraties (integratie) zouden niet langer moeten worden bevorderd en de belasting zou een zo min mogelijk effect moeten hebben op de prijzen van de producten en productiviteit van bedrijven.5
De in de Eerste en Tweede richtlijn geformuleerde doelstellingen zijn in mindere of meerdere mate overgenomen in de latere Zesde richtlijn en de Btw-richtlijn: in mindere mate in de Zesde richtlijn, omdat de Eerste richtlijn naast deze richtlijn zijn geldigheid behield en in meerdere mate in de Btw-richtlijn, omdat de Eerste (en Zesde) richtlijn met de invoering van de Btw-richtlijn werd(en) ingetrokken.6 Enkele overwegingen in de preambule bij de Eerste (en Zesde) richtlijn werden daarom opnieuw opgenomen in de preambule.
In de preambule bij de Zesde richtlijn wordt onder meer overwogen:7
‘(…) dat rekening dient te worden gehouden met het doel van de afschaffing van het belasten bij invoer en het ontlasten bij uitvoer in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, onder waarborging van de neutraliteit van het gemeenschappelijk stelsel van omzetbelasting met betrekking tot de oorsprong van de goederen en diensten, opdat uiteindelijk een gemeenschappelijke markt tot stand wordt gebracht waarin een gezonde mededinging bestaat en waarvan de kenmerken analoog zijn aan die van een echte binnenlandse markt; (…).’
De preambule bij de Btw-richtlijn meldt:8
“Het verwezenlijken van de doelstelling een interne markt in te stellen vooronderstelt dat in de lidstaten wetgevingen inzake omzetbelasting worden toegepast die de mededingingsvoorwaarden niet vervalsen en het vrije verkeer van goederen en diensten niet belemmeren. Het is derhalve noodzakelijk om door middel van een stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (BTW) een harmonisatie van de wetgevingen inzake omzetbelasting tot stand te brengen die ten doel heeft, de factoren die de mededingingsvoorwaarden op nationaal of op communautair niveau zouden kunnen vervalsen, zoveel mogelijk uit te schakelen.
Een BTW-stelsel verkrijgt de grootste mate van eenvoud en neutraliteit wanneer de belasting zo algemeen mogelijk wordt geheven en het toepassingsgebied ervan alle fasen van de productie en de distributie, zomede het verrichten van diensten omvat. Het is derhalve in het belang van de interne markt en van de lidstaten een gemeenschappelijk stelsel te aanvaarden dat tevens op de kleinhandelsfase wordt toegepast.
Het gemeenschappelijke BTW-stelsel moet – zelfs indien de tarieven en vrijstellingen niet volledig worden geharmoniseerd – uiteindelijk mededingingsneutraal zijn in die zin dat op het grondgebied van elke lidstaat op soortgelijke goederen en diensten dezelfde belastingdruk rust, ongeacht de lengte van de productie- en distributieketen.”
De btw wordt in haar huidige vorm dus geheven om de grootst mogelijke mate van (mededingings)neutraliteit te bereiken. Er mag gevoeglijk worden aangenomen dat ook de nationale wetgever dit streven voor ogen heeft gehad, aangezien hij de overwegingen van de Uniewetgever tot de zijne heeft gemaakt.9