Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/4.4.2.1
4.4.2.1 Het recht op (intellectuele) eigendom
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955484:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 9 oktober 1979, nr. 6289/73, ECLI:CE:ECHR:1979:1009JUD000628973 (Airey/Ierland), rov. 26.
EHRM 11 januari 2007, nr. 73049/01, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD007304901 (Anheuser Busch/Portugal) (merkrechten); EHRM 4 oktober 1990, nr. 12633/87, ECLI:CE:ECHR:1990:1004DEC001263387 (Smith Kline & French Laboratories/Nederland), rov. 37 (octrooirechten); EHRM 10 januari 2013, nr. 36769/08, ECLI:CE:ECHR:2013:0110JUD003676908 (Ashby Donald) (auteursrechten).
Zie over deze bepaling kritisch: Geiger, EIPR 2009, afl. 3, p. 113; Griffiths & McDonagh 2013, p. 75-93. Uit de toelichting bij art. 17 lid 2 Handvest volgt dat het recht op intellectuele eigendom onderdeel uitmaakt van het recht op eigendom uit het eerste lid.
De rechtspraak van het Hof van Justitie heeft vooral betrekking op gevallen waarin het recht op intellectuele eigendom wordt afgewogen tegen andere grondrechten uit het Handvest. Zie echter ook HvJ EU 9 februari 2012, C-277/10, ECLI:EU:C:2012:65 (Luksan).
De reden dat het recht op bescherming van eigendom niet opgenomen in het EVRM luidt dat de verdragsluitende partijen geen consensus konden bereiken over de reikwijdte van de bescherming van dat recht. Er is daarom een recht opgenomen in het Eerste Protocol dat staten veel ruimte geeft om dit recht in te perken; zie Grgiç e.a. 2007, p. 5.
EHRM 13 juni 1979, nr. 6833/74, ECLI:CE:ECHR:1979:0613JUD000683374 (Marckx/België); EHRM 20 november 1995, nr. 17849/91, ECLI:CE:ECHR:1995:1120JUD001784991 (Pressos Compania Naviera S.A. e.a./België). Zie ook EHRM 12 juli 2016, nr. 562/05, ECLI:CE:ECHR:2016:0712JUD000056205 (SIA AKKA & LAA/Letland), rov. 54-55 (financiële belangen uit een auteursrechtelijke licentieovereenkomst); HvJ EU 8 september 2020, C-265/19, ECLI:EU:C:2020:677 (Recorded Artists Actors Performers), rov. 85 (het recht op een billijke vergoeding uit art. 8 lid 2 Verhuurrichtlijn).
Helfer, Harv. Int’l L.J. 2008, afl . 1, p. 17.
EHRM 13 juni 1979, nr. 6833/74, ECLI:CE:ECHR:1979:0613JUD000683374 (Marckx/België).
EHRM 26 november 2006, nr. 58472/00, ECLI:CE:ECHR:2006:1116JUD005847200 (Dima/Roemenië).
Zie echter EHRM 8 december 2020, nr. 47384, ECLI:CE:ECHR:2020:1208JUD004738407 (AsDac/Moldavië).
EHRM 23 september 1982, nr. 7151/75 en 7152/75, ECLI:CE:ECHR:1982:0923JUD000715175 (Sporrong & Lonnroth/Zweden); Ploeger, WPNR 2000/6419, p. 690.
HvJ EU 9 februari 2012, C-277/10, ECLI:EU:C:2012:65 (Luksan), rov. 68-70.
EHRM 21 februari 1986, nr. 8793/79, ECLI:CE:ECHR:1986:0221JUD000879379 (James e.a./Verenigd Koninkrijk), rov. 46; EHRM 30 juni 2005, nr. 46720/99, ECLI:CE:ECHR:2005:0630JUD004672099 (Jahn e.a./Duitsland), rov. 91; EHRM 19 juni 2006, 35014/97, ECLI:CE:ECHR:2006:0619JUD003501497 (Hutten-Czapska/Polen), rov. 166. Zie ook Helfer, Harv. Int’l L.J. 2008, afl. 1, p. 2.
HvJ EG 10 december 2002, C-491/01, ECLI:EU:C:2002:741 (British American Tobacco), rov. 150; HvJ EU 30 januari 2019, C-220/17, ECLI:EU:C:2019:76 (Planta Tabak), rov. 97.
EHRM 16 september 1996, nr. 15777/89, ECLI:CE:ECHR:1996:0916JUD001577789 (Matos e Silva, Lda., e.a./Portugal), rov. 84-85; EHRM 11 januari 2007, nr. 73049/01, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD007304901 (Anheuser Busch/Portugal), rov. 62.
EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72, ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000549372 (Handyside), rov. 62.
EHRM 30 juni 2015, nr. 24362/11 en 52339/12, ECLI:CE:ECHR:2015:0630JUD002436211 (Stan/Roemenië), rov. 43.
EHRM 8 december 2020, nr. 47384, ECLI:CE:ECHR:2020:1208JUD004738407 (AsDac/Moldavië), rov. 41-44.
EHRM 16 november 2010, nr. 24768/06, ECLI:CE:ECHR:2010:1116JUD002476806 (Perdigão/Portugal), rov. 63.
EHRM 21 maart 2006, nr. 70074/01, ECLI:CE:ECHR:2006:0321DEC007007401 (Valico S.r.l./Italië); EHRM 13 juli 2006, nr. 35859/02, ECLI:CE:ECHR:2005:0127DEC003585902 (Housing Association of War Disabled/Griekenland), rov. 38.
EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911 (N.K.M./Hongarije), rov. 49.
EHRM 1 september 2022, nr. 885/12, ECLI:CE:ECHR:2022:0901JUD000088512 (Safarov/Azerbeidzjan), rov. 30-37.
EHRM 14 mei 2019, nr. 19965/06, ECLI:CE:ECHR:2019:0416JUD001996506 (Kamoy/Turkije), rov. 50.
EHRM 23 september 1982, nr. 7151/75; 7152/75, ECLI:CE:ECHR:1982:0923JUD000715175 (Sporrong & Lönnroth/Zweden), rov. 73; EHRM 28 juli 2005, nr. 51728/99, ECLI:CE:ECHR:2005:0728JUD005172899 (Rosenzweig & Bonded Warehouses Ltd./Polen), rov. 48.
HvJ EG 13 december 1979, C-44/79, ECLI:EU:C:1979:290 (Hauer), rov. 23.
Zie EHRM 8 juli 1986, nr. 9006/80, 9262/81, 9263/81, 9265/81, 9266/81, 9313/81 en 9405/81L, ECLI:CE:ECHR:1986:0708JUD000900680 (Lithgow/Verenigd Koninkrijk), rov. 106. Zie ook HvJ EU 9 februari 2012, C-277/10, ECLI:EU:C:2012:65 (Luksan), rov. 68 en 71, waaruit het Hof een regeling die de filmmaker bepaalde exploitatierechten weigerde in strijd achtte met art. 17 lid 2 Handvest. Een (weerlegbaar) vermoeden van overdracht was naar zijn oordeel wel mogelijk (rov. 78-80).
EHRM 29 maart 2010, nr. 34033/02, ECLI:CE:ECHR:2010:0329JUD003404402 (Depalle/Frankrijk), rov. 91.
EHRM 5 november 2002, nr. 36548/97, ECLI:CE:ECHR:2002:1105JUD003654897 (Pincová & Pinc/Tsjechië), rov. 53.
EHRM 29 januari 2008, nr. 19247/03, ECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001924703 (Balan/Moldavië). Zie ook Helfer, Harv. Int’l L.J. 2008, afl. 1, p. 17.
HvJ EU 30 januari 2019, C-220/17, ECLI:EU:C:2019:76 (Planta Tabak), rov. 98.
Zie hierover Oliver & Stothers, CML Rev. 2017, afl. 2, p. 537-541.
EHRM 1 september 2022, nr. 885/12, ECLI:CE:ECHR:2022:0901JUD000088512 (Safarov/Azerbeidzjan), rov. 31-37.
Zie par. 2.2.2-2.2.3.
Hoewel het EVRM vooral burgerlijke en politieke rechten bevat, kunnen deze rechten implicaties hebben van sociale of economische aard. Een zuivere scheiding tussen deze werelden is niet altijd te maken.1 Een voorbeeld van een recht met een overwegend economische achtergrond is echter het recht op eigendom, geregeld in art. 1 EP EVRM en art. 17 Handvest. Op grond van vaste rechtspraak strekt dit recht op eigendom zich mede uit tot (aanspraken die verband houden met) intellectuele-eigendomsrechten.2 Het recht op intellectuele eigendom kent daarnaast een zelfstandige basis in art. 17 lid 2 Handvest, dat blijkens de toelichting dezelfde inhoud heeft als art. 1 EP.3 Bij de bespreking van het recht op (intellectuele) eigendom komt in het vervolg daarom ook de rechtspraak van het EHRM aan bod.4
Eigendom. Art. 1 EP bepaalt dat iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom.5 Het eigendomsbegrip (possession) uit de bepaling heeft een autonome betekenis, wat betekent dat het grotendeels onafhankelijk is van de formele classificatie in het nationale recht. Zowel het EHRM als het Hof van Justitie hanteren een ruime definitie die ook contractuele rechtsposities omsluit.6 Het recht op eigendom is vooral gericht op exploitatiebelangen; het is onduidelijk of persoonlijkheidsrechtelijke belangen een rol kunnen spelen in het kader van de bepaling.7
Art. 1 EP beschermt aanspraken die voldoende bepaald en opvorderbaar zijn. Toekomstige aanspraken vallen buiten het toepassingsbereik van de bepaling.8 Het recht op eigendom heeft echter wel betrekking op gevallen waarin de verzoeker aan het nationale recht een redelijke verwachting kan ontlenen ten aanzien van het bestaan van een eigendomsrechtelijke aanspraak. Het belang van deze nuancering blijkt uit het arrest Dima/Roemenië. Onderwerp van geschil was of een nationale regeling die een door een burger ontworpen staatsembleem uitzonderde van auteursrecht een ontoelaatbare inmenging opleverde in het recht op eigendom. Het EHRM verklaarde de klacht niet-ontvankelijk, omdat de verzoeker onvoldoende had aangetoond dat het Roemeense recht in deze situaties een auteursrechtelijke aanspraak erkende.9 De nationale classificatie van een aanspraak is echter niet altijd leidend. Zo oordeelde het EHRM in AsDac/Moldavië dat verzoeksters een gerechtvaardigde verwachting van eigendom konden ontlenen aan het nationale recht, ondanks een expliciete afwijzing van auteursrechtelijke bescherming door de nationale rechter.10
Beperkingen, ontneming en regulering van gebruik. Er is sprake van inbreuk op het recht op eigendom wanneer een (rechts)persoon wordt geraakt in het ongestoord genot van zijn eigendom. Onder genot wordt zowel het gebruik en de exploitatie van een goed als de bevoegdheid erover te beschikken begrepen.11 Art. 1 EP onderscheidt twee categorieën toelaatbare beperkingen. Ontneming van eigendom (deprivation) is toegestaan in het algemeen belang en onder de voorwaarden zoals voorzien in de wet en de algemene beginselen van internationaal recht. Een voorbeeld van ontneming is een nationale regeling die bepaalde exploitatierechten rechtstreeks toekent aan de producent in plaats van de maker van een film.12
Regulering van gebruik (control of use) moet geschieden in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. Een voorbeeld van een dergelijke inperking is de verlening van een dwanglicentie.13 Andere vaak voorkomende gebruiksbeperkingen zijn wettelijke etiketteringsvoorschriften.14 In alle gevallen moet de betrokken beperking het algemeen belang dienen, voldoen aan de voorwaarden die door de wet zijn gesteld en de balanstest doorstaan.
De gevallen van ontneming en regulering van gebruik worden aangemerkt als specifieke gevallen van inmenging en moeten worden geïnterpreteerd in het licht van het beginsel van ongestoord genot van eigendom.15 Dit kwam onder meer naar voren in Handyside, waarin het EHRM overwoog dat een tijdelijke inbeslagname van boeken niet moet worden gekwalificeerd als een ontneming, maar als een inmenging in het gebruik van de goederen.16 Verdere beperkingen in het gebruik kunnen onder bepaalde omstandigheden worden gelijkgesteld aan onteigening.17 Het EHRM overwoog in AsDac/Moldavië dat van een dergelijke equivalentie sprake is wanneer een auteursrechtelijk beschermd werk wordt gebruikt zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende en zonder enige vorm van compensatie.18
Evenredigheid. Beperkingen op het recht op eigendom moeten evenredig zijn, wat betekent dat zij geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde legitieme doel te behalen en dat de voordelen voor het betrokken algemeen belang in een redelijke verhouding staan tot de aantasting van het beschermde eigendomsbelang.19 Andere relevante omstandigheden zijn de ernst van de inmenging, het gewicht van de betrokken belangen en de aard van de geleden schade.20 Bij de beoordeling van de keuze voor een concrete maatregel en het vaststellen van een de redelijke verhouding hebben de verdragsstaten een zeer ruime beoordelingsmarge.21 Deze vrijheid is echter niet oneindig: een beperking van het recht op eigendom mag niet willekeurig of kennelijk onredelijk zijn. Zo overwoog het EHRM in Safarov/Azerbeidzjan dat een beperking van het auteursrecht waarvoor evident geen wettelijke grondslag bestaat een ontoelaatbare inmenging oplevert van het recht op eigendom.22 In Kamoy/Turkije besliste het in vergelijkbare zin ten aanzien van een retroactieve toepassing van een merkenrechtelijke beperking voor een bepaalde vorm van gebruik.23 Het EHRM heeft tot slot herhaaldelijk geoordeeld dat een rechtvaardig evenwicht niet is bereikt als de inmenging tot gevolg heeft dat de betrokkene een ‘individuele en buitensporige last’ moet dragen.24 Het Hof van Justitie overwoog in Hauer dat in zulke gevallen het grondrecht op eigendom in de kern is aangetast.25
Compensatie. Een verdragsstaat die het recht op eigendom wil beperken, doet er verstandig aan om de benadeelde partij daarvoor te compenseren. Ontneming van eigendom zonder enige vergoeding kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden gerechtvaardigd.26 Gaat het om regulering van gebruik, dan is toekenning van een vergoeding een van de omstandigheden die kan meewegen bij de afweging van de betrokken belangen.27 Een evenwicht tussen deze belangen is doorgaans bereikt als de vergoeding is gerelateerd aan de marktwaarde van de betrokken aanspraak op het moment van de inperking.28 Een reden om te bepalen dat een gebruiksbeperking gepaard moet gaan met een vergoeding, kan zijn gelegen in de schadelijke gevolgen van de betrokken beperking voor de exploitatiebelangen van de rechthebbende. Het EHRM overwoog in Balan/Moldavië bijvoorbeeld dat overheidsgebruik van fotografische werken voor identiteitsbewijzen zonder compensatie geen rechtvaardig evenwicht tot stand bracht tussen het algemeen belang en de belangen van de auteur als daar geen vergoeding tegenover staat.29 Daarentegen achtte het Hof van Justitie een van overheidswege opgelegd etiketteringsvoorschrift niet in strijd met het recht op (intellectuele) eigendom, omdat het de merkhouder vrijstond om zijn merk op andere wijzen te exploiteren.30 Ook in andere zaken lijkt het Hof minder snel een schending van het recht op eigendom aan te nemen dan het EHRM.31
Positieve verplichtingen. Uit Safarov/Azerbeidzjan volgt dat verdragsstaten een positieve verplichting hebben om het ongestoorde genot van eigendom te waarborgen. Dit impliceert volgens het EHRM dat deze staten de noodzakelijke maatregelen moeten treffen om het recht op eigendom te beschermen, met name wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen de maatregelen die een verzoekster rechtmatig van de autoriteiten mag verwachten en zijn of haar daadwerkelijke genot van eigendom. Deze positieve verplichting beoogt te verzekeren dat eigendom voldoende door de wet wordt beschermd en dat de benadeelde partij adequate rechtsmiddelen kan aanwenden om zijn eigendom te beschermen. Specifiek ten aanzien van handhavingsmaatregelen overwoog het EHRM dat staten moeten voorzien in gerechtelijke procedures die de nodige procedurele waarborgen bieden en de rechterlijke instanties in staat stellen om geschillen tussen particulieren op doeltreffende en billijke wijze te beslechten.32 Uit deze bewoordingen kan worden afgeleid dat de rechter terughoudend moet zijn met het afwijzen van een verbod als is vastgesteld dat sprake is van inbreuk op een geldig intellectueel-eigendomsrecht. Het betreft hier immers een maatregel die in een direct verband staat tot het ongestoord genot van (intellectuele) eigendom en die bovendien essentieel is voor een doeltreffende handhaving van het recht.33