Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/4.4.2.3
4.4.2.3 De vrijheid van meningsuiting en informatie
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955512:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 52 lid 3 Handvest. Zie ook: HvJ EU 17 december 2015, C-157/14, ECLI:EU:C:2015:823 (Neptune Distribution), rov. 64-65; HvJ EU 4 mei 2016, C-547/14, ECLI:EU:C:2016:325 (Philip Morris), rov. 147.
Toelichting, C-303/17, art. 11.
EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72, ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000549372 (Handyside), rov. 49.
Zie Voorhoof, Mf 2010, afl. 4, p. 106-116 en afl. 10, p.186-201.
EHRM 22 mei 1990, nr. 12726/87, ECLI:CE:ECHR:1990:0522JUD001272687 (Autronic AG/Zwitserland), rov. 47.
EHRM 26 maart 1987, nr. 9248/81, ECLI:CE:ECHR:1987:0326JUD000924881 (Leander/Zweden).
EHRM 28 november 2013, nr. 39534/07, ECLI:CE:ECHR:2013:1128JUD003953407 (Österreichische Vereinigung zur Erhaltung, Stärkung und Schaffung/Oostenrijk), rov. 41; EHRM 24 juni 2014, nr. 27329/06, ECLI:CE:ECHR:2014:0624JUD002732906 (Ros¸iianu/Roemenië).
EHRM 7 december 1976, nr. 5095/71, 5920/72 en 5926/72, ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000509571 (Kjeldsen), rov. 54; EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72, ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000549372 (Handyside), rov. 49.
Bychawska-Siniarska 2017, p. 13.
EHRM 24 mei 1988, nr. 10737/84, ECLI:CE:ECHR:1988:0524JUD001073784 (Müller/Zwitserland), rov. 70.
Zie o.m. EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72, ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000549372, NJ 1978/236 (Handyside), rov. 48; EHRM 24 mei 1988, nr. 10737/84, ECLI:CE:ECHR:1988:0524JUD001073784 (Müller/Zwitserland), rov. 35; EHRM 20 september 1994, nr. 13470/87, ECLI:CE:ECHR:1994:0920JUD001347087 (Otto-Preminger Institut/Oostenrijk), rov. 50.
Zie o.m. EHRM 23 september 1994, nr. 15890/89, ECLI:CE:ECHR:1994:0923JUD001589089 (Jersild/Denemarken); EHRM 4 december 2003, nr. 35071/97, ECLI:CE:ECHR:2003:1204JUD003507197 (Gündüz/Turkije).
Zie o.m. EHRM 13 juli 2012, nr. 16354/06, ECLI:CE:ECHR:2012:0713JUD001635406 (Mouvement Raelien Suisse/Zwitserland), rov. 61; EHRM 30 januari 2018, nr. 69317/14, ECLI:CE:ECHR:2018:0130JUD006931714 (Sekmadienis), rov. 73. Botsen daarbij verschillende grondrechten, dan is deze beoordelingsruimte zelfs ‘bijzonder ruim’; zie EHRM 10 januari 2013, nr. 36769/08, ECLI:CE:ECHR:2013:0110JUD003676908 (Ashby Donald), rov. 38.
Verkade 1990, p. 36; Hugenholtz 1989 p. 150-170.
ECRM 6 juli 1976, nr. 5178/71, ECLI:CE:ECHR:1976:0706REP000517871 (De Geïllustreerde Pers N.V./Nederland). Zie kritisch: H. Cohen Jehoram, AA 1979, p. 153; Hugenholtz 1989, p. 163-164.
EHRM 10 januari 2013, nr. 36769/08, ECLI:CE:ECHR:2013:0110JUD003676908 (Ashby Donald); EHRM 19 februari 2013, nr. 40379/12, ECLI:CE:ECHR:2013:0219DEC004039712 (The Pirate Bay).
Enerzijds ging het om commerciële uitingen en niet om politieke uitingen en anderzijds was er sprake van een botsing tussen het auteursrecht en de vrijheid van meningsuiting; zie EHRM 10 januari 2013, nr. 36769/08, ECLI:CE:ECHR:2013:0110JUD003676908 (Ashby Donald), 29-30; EHRM 19 februari 2013, nr. 40379/12, ECLI:CE:ECHR:2013:0219DEC004039712 (The Pirate Bay). Zie ook Voorhoof & Høedt-Rasmussen, Auteurs & Media 2013, afl. 2, p. 53-58; De Cock Buning, IER 2014/36, afl. 4; Geiger & Izyumenko, IIC 2014, afl. 3, p. 316.
EHRM 11 maart 2014, nr. 20877/10, ECLI:CE:ECHR:2014:0311DEC002087710 (Akdeniz/Turkije), rov. 21-27.
EHRM 11 maart 2014, nr. 20877/10, ECLI:CE:ECHR:2014:0311DEC002087710 (Akdeniz/Turkije), rov. 28. Daarnaast overwoog het EHRM dat de Turkse rechter een bijzonder ruime beoordelingsvrijheid had, omdat het bevel betrekking had op commerciële uitingen en er bovendien een afweging moest worden gemaakt tussen het auteursrecht en de vrijheid van meningsuiting (rov. 27).
Zie par. 2.3.3.3. Gaat het om geheel of gedeeltelijk niet-geharmoniseerd recht, dan speelt het EVRM een rol van betekenis. Men kan daarbij denken aan de rol die grondrechten spelen bij de weging van belangen in het kader van art. 21 Aw; zie HR 1 juli 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB7688, NJ 1988/1000, m.nt. L. Wichers Hoeth (Vondelpark); HR 21 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1240, NJ 1994/473, m.nt. D.W.F. Verkade (Ferdi E.); EHRM 24 juni 2004, nr. 59320/00, ECLI:CE:ECHR:2004:0624JUD005932000 (Caroline von Hannover I).
HvJ EG 12 september 2006, C-479/04, ECLI:EU:C:2006:549 (Laserdisken), rov. 61-62 en 65.
Mylly 2015a, p. 103 en 110; Oliver & Stothers, CML Rev. 2017, afl. 2, p. 549-550.
Concl. A-G Sharpston, ECLI:EU:C:2006:292, bij HvJ EG 12 september 2006, C-479/04 (Laserdisken), pt. 60-71.
HvJ EU 26 april 2022, C-401/19, ECLI:EU:C:2022:297 (Polen/Parlement & Raad), rov. 54, 58 en 72-81. Zie ook EHRM 16 mei 2016, nr. 64569/09, ECLI:CE:ECHR:2015:0616JUD006456909 (Delfi/Estland), rov. 121; HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel) rov. 52.
HvJ EU 26 april 2022, C-401/19, ECLI:EU:C:2022:297 (Polen/Parlement & Raad), rov. 84-95.
EHRM en Handvest.Art. 10 EVRM regelt het recht op vrijheid van meningsuiting. Blijkens de bewoordingen van de bepaling omvat het recht ‘‘de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen’’. Art. 11 lid 1 Handvest bepaalt in vergelijkbare zin dat het recht op zich uitstrekt tot ‘‘de vrijheid een mening te hebben en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen’’. Art. 11 lid 2 Handvest benadrukt specifiek dat de pluriformiteit van de media wordt geëerbiedigd, terwijl art. 13 de vrijheid van kunsten en wetenschappen afzonderlijk regelt. De door art. 11 en 13 Handvest verleende bescherming is tenminste dezelfde als die van art. 10 EVRM.1 Beperkingen van de vrijheid van meningsuiting mogen dus ook niet verder gaan dan art. 10 lid 2 EVRM toestaat.2
De vrijheid van meningsuiting raakt aan de kernbeginselen van een democratische rechtsstaat.3 Het recht geniet in de regimes van het EVRM en het Handvest dan ook een ruime bescherming.4Art. 10 EVRM beschermt daarnaast niet alleen de inhoud van de uiting, maar ook de middelen om uitingen te verzenden of te ontvangen.5 Hoewel het EHRM aanvankelijk terughoudend was als het ging om de toegang tot informatie berustend bij overheidsinstellingen,6 heeft het erkend dat de vrijheid om overheidsinformatie te ontvangen in bepaalde gevallen ook een recht op toegang kan inhouden.7
Beperkingen. Bij de beoordeling van beperkingen laat het EHRM een zekere beoordelingsruimte aan de verdragsstaten.8 De omvang hiervan is afhankelijk van het karakter van de beschermde uiting. Zo geniet het recht om meningen te koesteren een nagenoeg absolute bescherming onder art. 10 EVRM.9 Ook kunstuitingen kunnen rekenen op een sterke bescherming.10 Daar staat tegenover dat het EHRM een ruime beoordelingsvrijheid hanteert ten aanzien van beperkingen die betrekking hebben op uitingen over zedelijke of godsdienstige onderwerpen,11 hate speech12 en uitingen met een commercieel karakter.13
Vrijheid van meningsuiting, intellectuele eigendom en het EHRM. De vrijheid van meningsuiting oefent invloed uit op het intellectuele-eigendomsrecht.14 Ruim vijftig jaar geleden heeft de voorloper van het EHRM, de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (ECRM), twee auteursrechtelijke bepalingen langs de lat van art. 10 EVRM gelegd. In De Geïllustreerde Pers/Nederland sprak zij zich uit over wettelijk verankerde exclusieve publicatierechten van publieke omroepen op programmagegevens in de Omroepwet. Naar het oordeel van de ECRM waren deze bepalingen niet in strijd met art. 10 EVRM.15
De rechtspraak van het EHRM heeft vooral betrekking op toetsing van overheidshandelen op het gebied van het auteursrecht. Zo kwam in Ashby Donald en The Pirate Bay de rechtmatigheid van strafrechtelijke veroordelingen voor auteursrechtinbreuken aan de orde.16 In beide zaken concludeerde het EHRM dat art. 10 EVRM niet was geschonden, daarbij overwegende dat de verdragsstaten in dergelijke situaties een bijzonder ruime beoordelingsruimte genoten.17 In de zaak Akdeniz kwam de vraag aan de orde of een gerechtelijk bevel tot blokkering van websites waarop auteursinbreuk plaatsvond een ongerechtvaardigde beperking opleverde van de vrijheid van meningsuiting. De zaak strandde echter op de niet-ontvankelijkheid van de klagers, die naar het oordeel van het EHRM onvoldoende waren geraakt door de blokkeringsmaatregel.18 Het stelde echter nog wel enkele voorwaarden aan een dergelijke maatregel, zoals een duidelijk juridisch kader en het bieden van effectieve rechtsmiddelen aan internetgebruikers om het bevel aan te vechten.19
Vrijheid van meningsuiting, intellectuele eigendom en het HvJ. De rechtspraak van het Hof van Justitie heeft vooral betrekking op gevallen waarin bepalingen worden geïnterpreteerd in het licht van de informatievrijheid.20 Daarnaast is het handelen van de Uniewetgever enkele malen onderworpen aan toetsing aan de vrijheid van meningsuiting (zowel art. 10 EVRM als art. 11 Handvest).
In Laserdisken toetste het Hof van Justitie de in art. 4 lid 2 Auteursrechtrichtlijn neergelegde regel van (Europese) territoriale uitputting aan art. 10 EVRM. Het Hof achtte de richtlijnbepaling niet in strijd met dat grondrecht, omdat de beperking werd gerechtvaardigd door de noodzaak van bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten, zoals het auteursrecht, die deel uitmaken van het eigendomsrecht.21 Hoewel voor dat oordeel iets te zeggen valt, is de motivering van het Hof mager te noemen.22 Inzichtelijker was het oordeel van advocaat-generaal Sharpston. Zij benadrukte dat, gezien de botsing tussen de vrijheid van meningsuiting en het recht op (intellectuele) eigendom, in beginsel slechts ruimte bestond voor een terughoudende toets. De A-G concludeerde dat een bevredigende afweging van de betrokken belangen was gemaakt en dat de keuze voor Europese uitputting in plaats van internationale uitputting niet kennelijk onevenredig was.23
In Polen/Parlement en Raad kwam aan de orde of een beperkt aansprakelijkheidsregime voor aanbieders van onlinediensten voor het delen van content, zoals opgenomen in art. 17 DSM-richtlijn, verenigbaar was met art. 11 Handvest. Het Hof van Justitie overwoog dat de richtlijn duidelijke en nauwkeurige regels bevatte over de reikwijdte en toepassing van de filterverplichting, waardoor de wezenlijke inhoud van de informatievrijheid intact bleef.24 Het Hof boog zich vervolgens over de evenredigheid van de beperking. Het stelde allereerst vast dat met de filterverplichting een legitiem doel werd nagestreefd, namelijk de bescherming van intellectuele eigendom (art. 17 lid 2 Handvest). Omdat zonder een voorafgaande filterverplichting niet een even doeltreffende bescherming van dat recht kon worden verzekerd, achtte het Hof de maatregel bovendien geschikt en noodzakelijk. Op basis van uitvoerige argumentatie oordeelde het Hof tot slot dat de betrokken bepaling door de Uniewetgever was omgeven met passende waarborgen die de eerbiediging verzekeren van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie van gebruikers van die diensten en dat zij bovendien een juist evenwicht tot stand bracht tussen dat recht en het recht op intellectuele eigendom.25