Einde inhoudsopgave
Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling (MSR nr. 87) 2024/4.3.7.1
4.3.7.1 StiPP
M.A.C. Keijzer, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
M.A.C. Keijzer
- JCDI
JCDI:ADS943391:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijlage III, lid 1 en lid 6 bij CAO voor Uitzendkrachten 2021-2023.
Stb. 2023, 216, p. 8.
Op 1 juli 2023 trad de Wet toekomst pensioenen in werking. Dit leidt gefaseerd tot verscheidene wijzigingen, waaronder verlaging van de toetredingsleeftijd in de Pensioenwet van 21 naar 18 jaar per januari 2024.
Pelgrim, NRC 28 januari 2021.
‘Aanpassing in de Basisregeling per 1-1-2023’, stipppensioen.nl.
‘De premie en wat er is geregeld’, stipppensioen.nl.
Art. 1a:1 lid c jo. lid 4 Baadi geeft de gemiddelde werkgeversbijdrage voor basispensioenregelingen weer. Dit is per 1 januari 2023 15,7%.
Stb. 2019, 487, p. 8 (Nota van toelichting bij Besluit wijziging Baadi i.v.m. vastleggen nadere invulling van een adequate pensioenregeling).
Stb. 2019, 487, p. 5 (Nota van toelichting).
Aanvullende pensioenopbouw van uitzendkrachten vindt niet plaats via de pensioenregeling die bij de inlener geldt. In de uitzend-cao is voor uitzendkrachten een pensioenregeling opgenomen met pensioenfonds StiPP als uitvoerder. Deelname aan het StiPP-pensioenfonds is verplicht gesteld voor ondernemingen die op jaarbasis voor ten minste 50% van het totale premieplichtige loon uitzendkrachten ter beschikking stellen van opdrachtgevers in de zin van 7:690 BW of als personeelsvennootschap op jaarbasis voor de totale omvang van het premieplichtige loon uitzendkrachten ter beschikking stellen binnen een groep in de zin van art. 2:24a of 2:24b BW.
Inhoudelijk is de StiPP-pensioenregeling niet vergelijkbaar met pensioenregelingen die bij inleners gelden. Ten tijde van de implementatie van de Uitzendrichtlijn vroeg de PVV-fractie de regering waarom pensioen bij de implementatie in de Waadi niet werd meegenomen als arbeidsvoorwaarde ten aanzien waarvan uitzendkrachten gelijk moesten worden behandeld. Minister Koolmees antwoordde daarop dat de Uitzendrichtlijn pensioen niet als essentiële arbeidsvoorwaarde benoemt en de (niet)-implementatie dus in lijn is met de richtlijn.1
De StiPP-pensioenregeling bestaat uit een Basisregeling en een Plusregeling.
In 2022 en 2023 heeft de Basisregeling een aantal wijzigingen doorgemaakt. Deze wijzingen komen voort uit nieuwe afspraken over het StiPP-pensioen in de uitzend-cao en uit de Wet toekomst pensioenen die in mei 2023 door de Eerste Kamer werd aangenomen. Op basis van de Pensioenwet geldt tot januari 2024 als toetredingsleeftijd voor pensioenregelingen 21 jaar. Daarna neemt men deel vanaf 18 jaar, zo ook in het StiPP-pensioen. Tot 2022 gold als aanvullende voorwaarde voor deelname aan StiPP dat de uitzendkracht 26 weken arbeid had verricht voor één en dezelfde uitzendonderneming. Per 1 januari 2022 werd deze wachttijd verkort naar acht weken.2 De wachttijd is sinds juli 2023 volledig vervallen.3 Na januari 2024 nemen uitzendkrachten dus, ongeacht leeftijd, deel aan de Basisregeling vanaf de eerste werkdag.4
Het StiPP-pensioen staat bekend om de geringe pensioenopbouw.5 De premie die uitzendbureaus in de Basisregeling aan de pensioenuitvoerder betalen bedroeg in 2022 slechts 2,6% van het brutoloon van de uitzendkracht. Tijdens een overleg over de toekomst van het pensioenstelsel in februari 2019 wees Pieter Omtzigt erop dat het StiPP-pensioen ‘nou niet bepaald een pensioen is waar je blij van wordt’ en dat ‘als je daar langdurig onder valt, je wel met een heel mager pensioen zit’.6
Ook de werkgeverspremie in de StiPP-Basisregeling werd in 2023 aangepast. Sinds januari 2023 betaalt de werkgever 8% van de pensioengrondslag aan pensioenpremie in de Basisregeling.7 De uitzendkracht betaalt in de Basisregeling niets.8 Zodra de uitzendkracht 52 weken aan de Basisregeling heeft deelgenomen, zal deze gaan deelnemen aan de Plusregeling. De premie voor de Plusregeling bedraagt maximaal 12% van de pensioengrondslag, waarvan maximaal een derde voor rekening van de uitzendkracht mag komen. De werkgeversbijdrage kan dan dus in principe 8% blijven. Ondanks de verhoging van de werkgeversbijdrage in de Basisregeling is de bijdrage van de werkgever in zowel de Basis- als Plusregeling bij StiPP aanzienlijk lager dan de gemiddelde werkgeversbijdrage aan pensioenopbouw van werknemers.9 Bij publicatie in het Staatsblad van de voor payrollwerknemers ontwikkelde pensioenregeling, waarover verderop meer, merkte de minister op dat de werkgeverspremie die werkgevers aan StiPP afdragen veel lager ligt dan het gemiddelde niveau van werkgeverspremies voor basispensioenregelingen.10 Verplichte deelname aan StiPP voor payrollwerkgevers zou de concurrentie op arbeidsvoorwaarden – wat het doel is van een adequate pensioenregeling voor payrollkrachten – niet kunnen voorkomen, aldus de minister.11 Wat betreft aanvullende pensioenopbouw worden uitzendkrachten dus minder gunstig behandeld dan werknemers van de inlener, en zoals verderop nader toegelicht wordt, ook minder gunstig dan payrollwerknemers.
Of de ongelijke behandeling van uitzendkrachten ten aanzien van het pensioen een gerechtvaardigd personeelsbeleid van de intermediair is, toets ik hieronder.