Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.3.1
7.3.1 Het Loretta-arrest
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS296749:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook par. 3.3.1.
De contractuele grondslag laat ik buiten beschouwing: de aansprakelijkheidsverzekeraar van de bezitter had naar analogie van de schuldloze derde-regeling zonder erkenning van aansprakelijkheid voorschotten betaald, ten aanzien waarvan door de benadeelde het standpunt werd ingenomen dat de bezitter, ook indien deze niet ex art. 6:179 aansprakelijk zou zijn, toch gehouden was tot vergoeding van de schade. Anders dan de rechtbank, gingen het hof en de Hoge Raad daarin niet mee.
Rb. Den Bosch 22 september 2004, NJF 2004/604 (Paard Loretta).
Hof Den Bosch 23 december 2008, zaaknr. HD 103.002.737 (niet gepubl.) (Paard Loretta), r.o. 7.3.2.
Zie conclusie A-G Langemeijer, sub 3.6.
Dit criterium is ontleend aan HR 29 november 1985, NJ 1987/291, m.nt. CJHB (Van Amsterdam/Van den Hurk) met betrekking tot art. 1404 OBW over de aansprakelijkheid voor dieren ex art. 1404 OBW, dat de aansprakelijkheid legde bij de eigenaar of gebruiker.
Deze maatstaf is ontleend aan art. 6.3.11 O.M., het eerste ontwerp voor de aansprakelijkheid voor dieren in het NBW, de vroege voorloper van art. 6:179. De aansprakelijkheid werd toen nog gelegd op ‘degene die het dier onderhoudt’, hetgeen volgens de toelichting degene is die om hem moverende redenen – meestal economisch nut of eigen genoegen – het dier in leven houdt en ‘te wiens laste’ het dier in leven wordt gehouden. Parl. gesch. Boek 6, p. 764.
Conclusie sub 3.14.
R.o. 3.3.
Dit sluit aan bij art. 6:170, dat ook aansprakelijkheid kan vestigen bij afwezigheid van een duurzaam dienstverband, zoals een los of incidenteel werk. Zie Oldenhuis 2014, p. 45 en 48; Klaassen 1991, p. 51; NJ-noot van Brunner sub 3, onder het Pony-arrest; annotatie Oldenhuis Hof Arnhem 11 januari 2005,ECLI:NL:GHARN:2005:AS2588, AV&S 2005/25 (Hondenkennel).
Dit is in lijn met de wetsgeschiedenis, waaruit volgt dat het profijtbeginsel niet beslissend is voor de toepassing van art. 6:181.
Zie in deze zin reeds mijn annotatie van het Loretta-arrest in JA 2011/56.
In de Loretta-zaak had het hof overwogen dat ‘gedurende het verblijf van het paard in de manege ter belering’ (curs. AK) – dus ook als het daadwerkelijke beleren niet aan de gang was – de manege als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van dit dier had te gelden. Zie Hof Den Bosch 23 december 2008, zaaknr. HD 103.002.737 (niet gepubl.), r.o. 7.3.2.
Vgl. ook HR 18 juni 2010, NJ 2010/389 (Koeman/Sijm Agro) over art. 6:171, aan welke aansprakelijkheid weliswaar de gedachte ten grondslag ligt een oplossing voor complexe (interne) rechtsverhoudingen te bieden maar toch toepassing aan art. 6:171 is te geven als het de benadeelde (wél) duidelijk is hoe de (interne) lijnen lopen.
In dit arrest lag voor de vraag of een manege, die tegen betaling een paard van een ander ‘beleerde’ (trainen, africhten en zadelmak maken), als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van dit dier had te gelden.1 Ondanks dat het dier in taalkundig opzicht niet werd ‘gebruikt’ – het paard was geen ‘productiemiddel’ van de manege; het dier werd niet ‘geëxploiteerd’ door daarmee rijlessen te geven – maar uitsluitend zélf object van dienstverlening was, beantwoordde de Hoge Raad deze vraag evenals de rechtbank en het hof bevestigend.2 De rechtbank oordeelde dat het gebruiksbegrip van art. 6:181 niet naar ‘normaal spraakgebruik’ moet worden uitgelegd. Ondanks dat van het tegen betaling verhuren aan derden van het paard geen sprake was en het dier ook niet werd ingezet voor het geven van rijlessen, gaf zij toepassing aan art. 6:181. De rechtbank achtte het beleren van een paard vergelijkbaar met het be- of verwerken van zaken, hetgeen volgens haar gezien de wetsgeschiedenis mede onder de werking van art. 6:181 is begrepen.3 Het hof paste art. 6:181 eveneens toe, overwegende dat van een ‘enkele aan-wezigheid’ van het paard in de manege vanwege stalling geen sprake was. De manege had volgens het hof gelet op de belering ‘een verdergaande bemoeienis’ met het dier en ontving voor deze activiteit bovendien een vergoeding.4 In cassatie, waarin de exclusieve werking van art. 6:181 ten opzichte van art. 6:179 niet werd bestreden,5 werd uit alle macht geprobeerd de zaak buiten de reikwijdte van art. 6:181 te houden. De pijlen waren door de benadeelde in rechte namelijk enkel op de bezitter van het schadeveroorzakende paard gericht, niet (ook) op de manege. Zo werd betoogd dat het tegen betaling ‘beleren’ van een paard van een ander door een manege geen bedrijfsmatig ‘gebruik’ oplevert, omdat daarvoor sprake moet zijn van exploitatie van de zaak zelf, en dan ook nog eens duurzaam en ten eigen nutte.6 Hiervan was volgens de cassatiemiddelen geen sprake, omdat het ‘beleren’ niet strekte tot gebruik of exploitatie van het paard, maar tot het verlenen van een dienst aan een ander (de eigenaar/bezitter van het dier), welke dienst bovendien naar zijn aard eindig en kortstondig was. Ook werd in cassatie aangevoerd dat de kosten van onderhoud van het paard gedurende het ‘beleren’ werden doorberekend aan de bezitter en derhalve door deze werden gedragen; het was niet de manege te wier laste het paard in leven werd gehouden.7 Tevens werd aangevoerd dat het paard op het moment van de schadeveroorzaking nagenoeg zadelmak was, waarmee ten tijde van het ongeval feitelijk al een eind aan het ‘beleren’ was gekomen. In cassatie werd tot slot gewezen op de ratio van art. 6:181, inhoudende het ten behoeve van benadeelden vergemakkelijken van het opsporen van de aansprakelijke persoon. In de voorliggende kwestie had deze ratio geen rol gespeeld, aangezien (de ouders van) het slachtoffertje de eigenaar van het paard zonder problemen had(den) opgespoord.
A-G Langemeijer gaf in zijn conclusie voor het Loretta-arrest aan dat voor ‘gebruik’ van een dier ex art. 6:181 niet vereist is dat dit dier duurzaam en ten eigen nutte wordt gebruikt nu dit een criterium was dat voor de ‘gebruiker’ uit art. 1404 OBW gold, en derhalve stamt van vóór de totstandkoming van art. 6:181. Ook is volgens Langemeijer ter toepassing van art. 6:181 niet beslissend te wiens laste het dier in leven wordt gehouden, omdat dit criterium gold voor de aansprakelijkheid voor dieren in het eerste ontwerp van het NBW (art. 6.3.11 O.M.) en art. 6:181 ook toen nog niet in beeld was. Dat de manege als ‘dienstverlener’ niet de vruchten plukt van de zaak (hier: het rijgenot van het zadelmak gemaakte paard en, voor zover het dier verzilverbare prestaties levert, de vruchten dáárvan), acht Langemeijer niet van belang omdat zijns inziens niet beslissend is te wiens nutte het gebruik strekt. Volgens Langemeijer duidt het werkwoord ‘gebruiken’ binnen art. 6:181 op een feitelijk handelen met de zaak.8 Anders dan het geval waarin de bemoeienis zich beperkt tot stalling/opslag of transport van een zaak, is volgens Langemeijer in geval van het ‘beleren’ van een paard sprake van een feitelijk handelen: de manege laat het paard oefenen. Van een ‘gebruik’ in deze zin is zijns inziens ook sprake indien het gebruik niet ten eigen nutte – als voor het eigen gewin of voor het eigen plezier – is en ongeacht te wiens laste het dier in leven wordt gehouden. Het stadium waarin de belering verkeert, is volgens Langemeijer evenmin van belang ter beantwoording van de vraag wie het paard ten tijde van het ongeval gebruikte. Voor wat betreft de in cassatie ingeroepen ratio van art. 6:181 wijst hij tot slot erop dat art. 6:181 niet enkel ertoe strekt de opspoorbaarheid van de aansprakelijke persoon te vergemakkelijken, maar ook beoogt de aansprakelijkheid op één plaats te concentreren en daarmee dubbele verzekeringslasten te voorkomen. Volgens Langemeijer had het hof dan ook terecht geoordeeld dat de manege paard Loretta ten tijde van het ongeval in de uitoefening van haar bedrijf ‘gebruikte’ als bedoeld in art. 6:181.
De Hoge Raad vangt niet aan met een bespreking van de cassatiemiddelen maar met diverse ‘vooropstellingen’ hoe art. 6:181 moet worden verstaan, om vervolgens aan de hand daarvan te oordelen dat de cassatiemiddelen daarop stuklopen. Omtrent het gebruiksbegrip werd in algemene zin overwogen dat:9
‘niet van belang is of (…) het doel waartoe het dier aldus wordt gebruikt, inmiddels bijna is bereikt. Evenmin mag in dit verband de eis worden gesteld dat hij het dier duurzaam en ten eigen nutte gebruikt.’ (curs. AK)
Met de uitkomst in de Loretta-zaak blijkt ook de Hoge Raad een ruime uitleg van het gebruiksbegrip van art. 6:181 voor te staan. Zo volgt daaruit dat ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 niet naar normaal spraakgebruik wordt uitgelegd. Vereist is namelijk niet het ‘exploiteren’ van zaken of het zich daarvan bedienen als ‘productiemiddel’. Ook ingeval de zaak zélf het object van dienstverlening is, kan van ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 sprake zijn. Verder staat een kortstondig gebruik van een zaak niet aan toepassing van art. 6:181 in de weg (duurzaam gebruik is niet vereist) 10en hoeft ‘het bedrijf’ ook niet de (uiteindelijke) vruchten van de zaak te plukken (het gebruik hoeft niet ‘ten eigen nutte’ te zijn).11 Beslissend is evenmin of de op voet van art. 6:181 aangesprokene bepaalde aan de zaak verbonden lasten draagt, zoals de kosten van instandhouding of levensonderhoud. Dat de Hoge Raad niet van belang acht in welk stadium het ‘gebruik’ van de zaak zich bevindt, biedt ruimte om ook het onder zich hebben van een zaak vóór en ná het (eigenlijke) ‘gebruik’ onder de werking van art. 6:181 te brengen. Bij een ruime uitleg van art. 6:181 past namelijk dat werkelijk gebruik niet steeds is vereist, maar het veeleer gaat om de hoedanigheid van bedrijfsmatige gebruiker.12 En die hoedanigheid verliest een manege bijvoorbeeld niet wanneer een paard daar in verband met een training op stal staat.13 Wel lijkt steeds een zeker verband te moeten bestaan tussen een (eigenlijk) ‘gebruik’ van de zaak en het onder zich hebben daarvan. Tot slot valt uit het Loretta-arrest op te maken dat het vergemakkelijken van de opspoorbaarheid van de aansprakelijke persoon weliswaar een gedachte achter art. 6:181 is, maar dat een dergelijke ratio niet als toepassingsvoorwaarde voor de aansprakelijkheid fungeert. Art. 6:181 kan dus ook toepassing vinden in geval van voor de benadeelde wél kenbare verhoudingen.14 Een vergelijkbare redenering geldt voor het zojuist al genoemde profijtbeginsel, dat eveneens een gedachte achter art. 6:181 is terwijl een winstoogmerk ter toepassing van deze bepaling niet beslissend is.15
In het Loretta-arrest heeft de Hoge Raad zich voornamelijk uitgelaten over de wijze van ‘gebruik’ – en dan ook nog eens over wat niet vereist is (duurzaamheid en ten eigen nutte) –, alsmede over het stadium – dat niet van belang wordt geacht – daarvan. Over welke activiteiten als zodanig onder ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 moeten worden begrepen, heeft de Hoge Raad zich in deze zaak niet in algemene zin uitgelaten. Duidelijk is wel dat ‘gebruik’ breder is dan alleen het als productiemiddel aanwenden van een zaak, alsmede dat het tegen betaling ‘beleren’ van een paard ook ‘gebruik’ ex art. 6:181 oplevert. Ook lijkt art. 6:181 niet alleen betrekking te hebben op zaken die ten tijde van de schadeveroorzaking werkelijk in gebruik zijn, maar ook op zaken die zich met het oog daarop of na afloop daarvan binnen het bedrijf bevinden. Maar hoe zit het bijvoorbeeld met het (enkele) bewaren of vervoeren van zaken en dieren dan wel het repareren of behandelen daarvan? Enige aandacht in de vooropstellingen van de Hoge Raad voor deze veel voorkomende activiteiten zou de rechtspraktijk meer houvast hebben geboden. De cassatiemiddelen en ook de conclusie van A-G Langemeijer waren hierop wel gericht, maar mogelijk heeft de Hoge Raad deze materie vooralsnog voor zich uit willen schuiven. A-G Langemeijer meende in ieder geval dat ‘gebruik’ ieder feitelijk handelen met een zaak inhoudt. Het laten oefenen van een dier in het kader van een belering, valt daar zijns inziens onder. In een dergelijke benadering lijkt het (enkele) bewaren of vervoeren van zaken maar moeilijk onder ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 te kunnen worden begrepen: van een feitelijk handelen met dergelijke zaken is dan immers geen sprake is. Vooralsnog is het onduidelijk hoe de Hoge Raad, die het spoor van A-G Langemeijer op het punt van het ‘beleren’ in ieder geval volgde, hierover denkt.