Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.4.4.5
5.4.4.5 Het vonnis van de Rechtbank Amsterdam in de zaak VEB/Kuiken en Bus
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655756:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam 28 oktober 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:7495, JOR 2015/330, m.nt. U.B. Verboom (VEB en Stichting VEB-Actie Landis/Kuiken en Bus).
Rb. Midden-Nederland 19 juni 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3225, JOR 2013/237, m.nt. U.B. Verboom (Van Andel en Dulack q.q./X e.a.). Zie ook de beschikking van de Ondernemingskamer waarin zij wanbeleid vaststelde bij Landis op het gebied van onder meer de administratie en de externe verslaggeving, OK 15 december 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU8414, JOR 2012/77, m.nt. J.F. Ouwehand (VEB e.a./Landis e.a.).
Rb. Midden-Nederland 19 juni 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3225, r.o. 9.5.53-9.5.54 resp. r.o. 9.6.47 resp. r.o. 9.7.34 en r.o. 9.18.9. Zie ook r.o. 4.2.1-4.2.3 van het in de hoofdtekst besproken vonnis.
Rb. Amsterdam 28 oktober 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:7495, r. o. 4.2.5.
R.o. 4.2.6.
R.o. 4.3.2
R.o. 4.3.3.
R.o. 4.4.
R.o. 4.5.
Ik verwijs naar mijn commentaar bij dit vonnis in Ondernemingsrecht 2016/19. Zie ook de bespreking van dit vonnis door De Jong 2016a, p. 126.
Ik wijs erop dat de in dit vonnis door de rechtbank gekozen oplossing voor het causaal verband tussen de misleidende (half)jaarcijfers en de door belegger gestelde koersschade ook al – zij het impliciet – besloten lag in het vonnis van diezelfde Rechtbank Amsterdam in de zaak Double Dutch Management en Beheer B.V. e.a./Vlasveld e.a., zie Rb. Amsterdam 28 april 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BY9022, r.o. 2.51-2.57.
Zie in dit verband ook Rb. Amsterdam 25 juni 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BD6614 (Fratini e.a./Peters e.a.). In deze zaak legden de eisende beleggers aan hun vordering ten grondslag dat zij (koers)schade hadden geleden, doordat zij op basis van door beursvennootschap Jomed bekendgemaakte misleidende jaarrekeningen en kwartaalcijfers waren overgegaan tot aankoop van aandelen Jomed (zie r.o. 3.2 en r.o. 3.4). De rechtbank houdt in r.o. 4.2 netjes aan deze feitelijke grondslag vast en overweegt dat het aan de eisende beleggers is ‘om concrete feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting te bewijzen, waaruit kan volgen dat, en zo ja, wanneer en onder welke omstandigheden zij (…) [deze] aandelen daadwerkelijk hebben gekocht, alsmede (….) wanneer en door wie, op basis van welke concrete informatie, de beslissing tot aankoop is genomen.’ (toevoeging ACWP)
Ik schrijf hier bewust dat in beginsel niet relevant is of deze belegger op de misleidende informatie is afgegaan. De uitzondering op de regel is immers de belegger die gebruikt maakt van algorithmic trading en wiens kooporder wordt ‘getriggerd’ door een koersbeweging die is terug te voeren op de misleidende informatie. Ik verwijs naar mijn voetnoot hierover in § 5.3.4.
HR 11 december 1931, NJ 1932/161, m.nt. P. Scholten (Aeilkema/Hooite Meursing e.a.).
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.10.4-4.11.2
De laatste uitspraak die ik bespreek is het vonnis van de Rechtbank Amsterdam in de zaak VEB/Kuiken en Bus.1 Dit vonnis betreft de door de VEB ingestelde aansprakelijkheidsprocedure tegen de voormalig bestuurders Kuiken en Bus (hierna: ‘de bestuurders’) van ICT-bedrijf Landis Group N.V. (hierna: ‘Landis’) naar aanleiding van het faillissement van deze vennootschap in 2002. De feiten en het procesverloop in deze zaak laat ik hier grotendeels voor wat ze zijn, want die zijn voor de hier te bespreken rechtsoverwegingen niet van belang. Ik vermeld alleen dat er naar aanleiding van het faillissement van Landis verschillende procedures zijn ingesteld, waaronder een aansprakelijkheidsprocedure van de curatoren van Landis tegen de bestuurders en commissarissen.2 In die procedure heeft de Rechtbank Midden-Nederland onder meer vastgesteld dat zowel de jaarrekeningen over 1999 en 2000, als het halfjaarbericht over het eerste halfjaar van 2001 misleidende gegevens bevatten.3 In het hier te bespreken vonnis gaat de Rechtbank Amsterdam van al deze vaststellingen in het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland uit.4 Op grond hiervan oordeelt zij dat door de jaarrekeningen en jaarverslagen over de jaren 1999 en 2000 en het halfjaarbericht 2001 een misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap is gegeven, en dat de bestuurders derhalve op grond van art. 2:139 BW aansprakelijk zijn jegens de door de VEB vertegenwoordigde beleggers.5 Naast de genoemde financiële verslaggeving merkt de rechtbank ook nog twee andere mededelingen als misleidend aan.6 Van beide mededelingen kan de bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt, dus ook voor deze mededelingen zijn de bestuurders (maar dan op grond van art. 6:162 BW) aansprakelijk, aldus – geparafraseerd – de rechtbank.7 Over het causaal verband overweegt de rechtbank daarna als volgt:8
‘Door de bedrijfsresultaten in de financiële verslaglegging in drie opeenvolgende jaren stelselmatig beter te doen lijken dan zij in werkelijkheid waren en door onjuiste uitspraken daarover te doen in de media, is een wezenlijk scheve voorstelling gegeven van de toestand van Landis. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het niet gaat om verwaarloosbare onjuistheden in de financiële verslaglegging (…). Hierdoor is de buitenwacht, waaronder ook de “maatman-belegger” (…) dient te worden gerekend, misleid. De periodieke financiële verslaglegging van een beursgenoteerd bedrijf is mede bedoeld om het beleggend publiek (…) in de gelegenheid te stellen zich een afgewogen beeld te vormen van de winstgevendheid en toekomstkansen van dat bedrijf en zijn beleggingsbeslissing daarop te baseren, een en ander afgezet tegen onder meer de vigerende beurskoers. Door beleggers gedurende langere tijd een hogere winstgevendheid voor te spiegelen (…) is hen de kans ontnomen om een weloverwogen beleggingsbeslissing te nemen bij het kopen, verkopen of behouden van de aandelen Landis in de periode vanaf maart 2000.’
En naar aanleiding van het betoog van de VEB dat de koers van Landis vanaf de publicatie van de jaarrekening over 1999 in maart 2000 “onzuiver” is geweest en nadien kunstmatig hoog is gehouden door de misleidende informatie, overweegt de rechtbank:9
‘[De bestuurders] hebben niet concreet betwist dat de [misleidende mededelingen] van invloed zijn geweest op de beurskoers van Landis. Hun enkele verwijzing naar de “internetzeepbel” (…) is onvoldoende ter toelichting van hun betwisting van het [csqn-]verband (…). Ter comparitie heeft Kuiken naar voren gebracht dat het voorkomt dat voor aandelen van immer verlieslatende it-bedrijven hoge prijzen worden betaald. Voor zover hij daarmee heeft beoogd te betogen dat de winstgevendheid van Landis niet van invloed was op de beurskoers en dat deze door andere invloeden is opgestuwd, geldt dat hij daartoe onvoldoende concrete feiten heeft gesteld. (…) Nu [de bestuurders] niet concreet hebben bestreden dat de onjuiste informatie (…) enige invloed op de beurskoers heeft gehad, is de mogelijkheid dat beleggers daardoor schade hebben geleden voldoende aannemelijk. Het [csqn-]verband (…) is daarmee gegeven. Of de gedupeerde beleggers bij het nemen van hun beleggingsbeslissingen daadwerkelijk zijn afgegaan op de (half)jaarcijfers is voor het vaststellen van de aansprakelijkheid dan ook niet relevant.’ (toevoegingen en curs. ACWP)
Over bovenstaande overwegingen is het nodige te zeggen. Dat doe ik echter niet, want dat heb ik elders al gedaan.10 Ik beperk mij hier tot de (mijns inziens interessantste en) in dit verband meest relevante overweging dat voor het vaststellen van de aansprakelijkheid niet relevant is ‘of de gedupeerde beleggers bij het nemen van hun beleggingsbeslissingen daadwerkelijk zijn afgegaan op de (half)jaarcijfers’. Voor zover de rechtbank hiermee bedoelt te zeggen dat voor het aannemen van causaal verband niet is vereist dat de beleggingsbeslissing van de belegger (direct of indirect) door de misleidende informatie is beïnvloed, vind ik het opmerkelijk dat zij in dit verband geen onderscheid maakt tussen enerzijds de belegger die aan zijn vordering ten grondslag legt dat hij ook bij afwezigheid van de misleiding het aandeel zou hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs, en anderzijds de belegger die aan zijn vordering ten grondslag legt dat hij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zou hebben gekocht.11 Voor de laatstgenoemde belegger acht ik de overweging in beginsel onjuist. Voor deze belegger is in beginsel immers wel degelijk relevant of hij voorafgaand aan de aankoop van het litigieuze aandeel (direct of indirect) op de misleidende informatie is afgegaan, en of zijn beleggingsbeslissing daardoor (direct of indirect) is beïnvloed.12, 13 Voor de belegger die stelt dat hij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zou hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs, acht ik de overweging daarentegen wel juist. Het oordeel dat voor hem niet relevant is of hij (direct of indirect) op de misleidende informatie is afgegaan, is in lijn met het (in § 5.4.4.2 besproken) Aeilkema-Veenkoloniale Bank-arrest,14 maar het gaat verder dan de voor het causaal verband gekozen oplossing in het (zojuist besproken) World Online-arrest.15 Zoals ik al opmerkte, is de benadering van de Hoge Raad in het laatstgenoemde arrest immers dat voor het aannemen van causaal verband altijd – dus ongeacht de wijze waarop de belegger zijn vordering tot schadevergoeding inkleedt – is vereist dat de beleggingsbeslissing door de misleidende informatie is beïnvloed. Ik verwijs naar mijn analyse in de vorige paragraaf.