Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.6.2.4:17.6.2.4 HR 12 juli 2013, nr. 12/01880; erkenning niet-meewerkrecht door civiele kamer
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.6.2.4
17.6.2.4 HR 12 juli 2013, nr. 12/01880; erkenning niet-meewerkrecht door civiele kamer
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495907:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 17.6.2.2 hiervoor.
HR 12 juli 2013,BNB 2014/101 (m.nt. Van Eijsden); NJ 2013, 435 (m.nt. Zwemmer).
Zie A-G Wattel, conclusie bij HR 25 oktober 2013, NJ 2013, 559 (m.nt. Zwemmer), pt. 1.4. Wattel meent dat de boeterechter en de strafrechter op grond van art. 6 EVRM, alsmede de rechtszekerheids- en vertrouwensbeginselen, aan de onderwerpelijke beslissing van de civiele kamer gebonden zijn.
Vgl. A-G Wattel, conclusie bij HR 24 april 2015, RvdW 2015/606, pt. 7.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Terwijl in het arrest van 21 maart 2008, nr. 43 050, al wel de impliciete erkenning in belastingzaken van het niet-meewerkrecht met betrekking tot wilsafhankelijk materiaal kan worden gelezen1, volgt uit het arrest van de civiele kamer van de HR van 12 juli, nr. 12/01880, uitdrukkelijk dat bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige, weliswaar mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden, maar dat dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.2 Zou dit materiaal toch voor punitieve doeleinden worden gebruikt (door de inspecteur of het OM), dan dient de belastingrechter of de strafrechter te bepalen welk gevolg aan dat gebruik moet worden verbonden. Zie over dit arrest eerder § 16.4.2.
Omdat het arrest is gewezen in een samenstelling van raadsheren uit de civiele, belasting- en de strafkamer, moet worden aangenomen dat ook de belasting- (en straf)kamer van de HR (als boete- en strafrechter) het niet-meewerkrecht toepasselijk verklaren op wilsafhankelijk materiaal.3
Ik merk nu al op dat uit zijn overwegingen niet volgt wat de raad onder wilsafhankelijk materiaal verstaat (partijen streden ook niet over de wils(on)afhankelijkheid van het gevorderde materiaal)4, laat staan dat het arrest duidelijkheid verschaft over welk van de belastingplichtige gevorderd materiaal uitsluitend mag worden gebruikt voor de belastingheffing. De civiele kamer lijkt met het begrip ‘wilsafhankelijk materiaal’ het oog te hebben op zowel verklaringen als (bepaald) fysiek bewijs, zoals (bepaalde) bescheiden. Zie het slot van § 17.6.2.6.1 hierna.