De grenzen van het recht op nakoming
Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/4.3.0:4.3.0 Introductie
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/4.3.0
4.3.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS376354:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Lando & Beale 2000, p. 397; en Unidroit Principles 2004, p. 212.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Waarom kan een schuldenaar zich verweren tegen een vordering tot nakoming van een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening? De belangrijkste drie redenen staan in de toelichting op art. 9:102 lid 2 onder c PECL en op art. 7.2.2 onder d Unidroit Principles. Deze redenen kunnen worden beschouwd als een consolidatie van de in de Europese rechtsstelsels aangevoerde bezwaren tegen een onbeperkt recht van de schuldeiser op nakoming van een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening. In de volgende paragrafen bespreek ik deze drie argumenten.
De in de `comments' bij de PECL en de Unidroit Principles opgesomde bezwaren tegen nakoming van een hoogstpersoonlijke verbintenis zijn: A.) de inbreuk van een veroordeling op de persoonlijke vrijheid van de debiteur; B.) de waarschijnlijkheid dat een onder dwang verrichte hoogstpersoonlijke prestatie niet het gewenste resultaat oplevert; en C.) de problemen voor de gerechtelijke instanties om de naleving van een veroordeling te controleren.1
In par. 4.3.1 bespreek ik het argument dat een veroordeling tot nakoming leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de schuldenaar. In par. 4.3.2 stel ik vast dat de veroordeling van de schuldenaar als zodanig geen inbreuk maakt op de persoonlijke vrijheid van de schuldenaar. In par. 4.3.3 geef ik aan dat de andere twee argumenten uit de toelichting op de PECL en de Unidroit Principles de uitzondering op het recht op nakoming evenmin kunnen staven. In par. 4.3.4 behandel ik de vraag of een veroordeling tot nakoming van een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening ook voor tenuitvoerlegging vatbaar zou moeten zijn.