Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/4.3.2
4.3.2 De veroordeling tot nakoming en persoonlijke vrijheid
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS380007:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wéry 1993, nr. 151 e.v., p. 207 e.v.; en Wéry 2001, p. 214.
Wéry 1993, nr. 45-46, p. 65-67.
Wéry's zienswijze heeft ook in Frankrijk brede navolging gevonden, zie bijv. Viney & Jourdain 2001, nr. 16.1 en 17.2, p. 31-33 en 39-40.
Zie Lando & Beale 2000, p. 396.
Vgl. Stein 1990, nr. 13.
Unidroit Principles 2004, p. 212.
Narasimhan 1987, p. 92.
Zie par. 4.3.4.
In het licht van de toelichting op het 'Avant-Projet de reforme du droit des obligation et du droit de la prescription 2005' wordt duidelijk dat niet de veroordeling tot nakoming, maar alleen de dwangsom is uitgesloten bij een verbintenis tot (hoogst)persoonlijke dienstverlening, p. 39-40: 'on ne peut contraindre par la force un entrepreneur á effectuer les travaux promis (...), alors qu'on peut le lui enjoindre sous astreinte; mais l'astreinte cesse d'être possible si la prestation présente un caractère éminemment personnel.' Zie ook Delebecque 2006, p. 101-103; en Rochfeld 2006, p. 115-117.
Een andere lezing van de bepaling is echter ook mogelijk. Faure-Abbad lijkt ervan uit te gaan dat art. 1154 ook de mogelijkheid van een veroordeling tot nakoming van een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening uitsluit. Faure-Abbad 2007, p. 167 schrijft dat krachtens het nieuwe art. 1154 : Texécution in specie est impossible pour les prestation á caractère éminemment personnel (...)', en dat : Tarticle 1154 écarte l'exécution en nature toutes les fois ou elle attenterait (á la liberté ou á la dignité du débiteur).'
Zie par. 4.3.4.
De Belgische auteur Wéry heeft er in zijn dissertatie op gewezen dat een mogelijke inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de schuldenaar niet door de veroordeling tot nakoming, maar hoogstens door de tenuitvoerlegging van die uitspraak wordt veroorzaakt.1 In Wéry's lezing van art. 1142 van de Belgische en Franse Code civil,2 staat het artikel niet in de weg aan een veroordeling tot nakoming van een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening, zoals het verrichten van een artistieke prestatie, maar mogelijk wel aan de tenuitvoerlegging daarvan.3 In het licht van deze opvatting is de toelichting op de PECL dan ook niet zuiver geformuleerd:4
A judgment ordering performance of personal services or work would be a severe interference with the non-performing party's personal liberty.
Het is niet de veroordeling als zodanig, maar de dwang die van de executiemiddelen uitgaat die een inbreuk kan maken op de persoonlijke vrijheid van de schuldenaar. Wéry's opvatting dat het aspect van de inbreuk op de vrijheid van de schuldenaar pas speelt in de fase van de tenuitvoerlegging, maar niet in de fase van de veroordeling is mijns inziens juist.5 Het commentaar op de Unidroit Principles noemt dan ook terecht de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot nakoming als het middel dat inbreuk maakt op de persoonlijke vrijheid van de schuldenaar:
Where a performance has an exclusively personal character, enforcement would interfere with the personal freedom of the obligor.6
Ook Narasimhan relativeert het bezwaar dat nakoming een onaanvaardbare inbreuk zou maken op de persoonlijke vrijheid van de schuldenaar:7
While even voluntary servitude can be objectionable, it does not follow that any compulsion of services is objectionable. The appropriateness of compelling performance will turn on the extent to which the contractual relationship infringes upon personal liberty and the manner of the infringement. If a grant of specific performance does not seriously infringe upon liberty, and the problems of compelling unwilling association are absent, the fact that the contract is for personal services should not allow the promisor greater scope to extract a higher price midstream than in any other type of contract.
Volgens Wéry dient de rechter een schuldenaar die heeft toegezegd een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening te verrichten in beginsel tot nakoming te kunnen veroordelen. De executiemogelijkheden van zo'n veroordeling zijn echter beperkt.8 Het is ook deze benadering die is gekozen in het 'Avant-Projet de reforme du droit des obligations', een voorstel voor de herziening van een deel van het Franse verbintenissenrecht.9Art. 1154 van het herzieningsvoorstel, dat is voorgesteld ter vervanging van art. 1142 C.c., luidt:
L'obligation de füre s'exécute si possible en nature.
Son exécution peut être ordonnée sous astreinte ou un autre moyen de contrainte, sauf si la prestation attendue a un caractère éminemment personnel.
En aucun cas, elle ne peut être obtenue par une coercition attentatoire à la liberté ou à la dignité de débiteur. A défaut d' exécution en nature, l'obligation de füre se résout en dommages-intérêts.
Op grond van art. 1154 heeft de schuldeiser in beginsel een recht op een veroordeling tot nakoming van alle verbintenissen om te doen, ook van de hoogstpersoonlijke verbintenissen.10 Is het geen lood om oud ijzer om wel de veroordeling toe te staan, maar niet de executie daarvan? Zoals ik hierna zal uitwerken,11 zijn er goede argumenten aan te dragen voor een veroordeling tot nakoming, ook indien die veroordeling niet kan worden geëxecuteerd.