Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/2.5.4
2.5.4 Functies van het algemene opschortingsrecht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950357:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Klomp 2010, p. 595 noemt dit het primaire doel van opschorting. Evenzo Kruissen 2008, p. 22, die dit de primaire functie noemt.
Hof ’s-Hertogenbosch 21 maart 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:916, r.o. 6.7.3.
Zie over opschortingsrechten als pressiemiddel ook Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 212; Vermeij 2022, p. 777; Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/15; Asser/Sieburgh 6-I 2020/270; Janssen 2003, p. 25; Linssen 1993, p. 167 en Tjong Tjin Tai 2014, par. 3. De in § 2.2 behandelde exceptio doli in het Romeinse recht werd eveneens aangewend om nakoming van de tegenvordering door de schuldeiser af te dwingen (Gratama 1887, p. 12. Vgl. Hesselink 1999, p. 284 en ook Heyning-Plate 1969, p. 8 voor de enac). Onjuist, want in strijd met de functie van pressiemiddel, is mijns inziens het oordeel dat opschorting ‘geen nut’ heeft als de wederpartij niet wil nakomen (Rb. Gelderland 23 januari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:389, r.o. 4.4).
HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3072, NJ 2015/85, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Eurostrip/Newa), r.o. 4.3. Zie over dit arrest ook Dammingh & Klomp 2015. Zie voorts bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 12 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2336, r.o. 3.11.4; Hof ’s-Hertogenbosch 5 november 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4066, r.o. 6.6.3; Hof Den Haag 22 januari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BY9447, r.o. 11; Rb. Limburg 21 juni 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:3760, r.o. 4.3.1 en Rb. Zeeland-West-Brabant 12 oktober 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5985, r.o. 3.11.
HR 20 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4169, NJ 1981/640, m.nt. C.J.H. Brunner (Veluwse Nutsbedrijven/Blokland q.q.), p. 2100; HR 16 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5513, NJ 1987/554, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Tiel Utrecht Schadeverzekeringen/Van de Velde), r.o. 3.3 (‘een beroep op genoemd beding – dat door het stellen van een sanctie [opschorting verzekeringsdekking, GJB] een prikkel geeft tot nakoming door de verzekeringsnemer van zijn verplichting tot tijdige betaling van de premie’) en HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1334, NJ 1995/640, m.nt. W.M. Kleijn (Middendorf/Kouwenberg q.q.), r.o. 3.5 (‘het belang van de advocaat om druk op de curator te kunnen blijven uitoefenen door de stukken terug te houden’).
Aldus ook concl. A-G W.L. Valk 29 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:548, par. 3.25 en Tjong Tjin Tai 2014, par. 3. Klomp 2010, p. 595 merkt op dat het subsidiaire doel van opschorting is het zichzelf verschaffen van enige zekerheid. Evenzo Kruissen 2008, p. 22, die dit de secundaire functie van het retentierecht noemt.
Aldus ook Linssen 1993, p. 167 en Heyning-Plate 1969, p. 149.
Suijling 1934, p. 435 en 438.
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/16 en Asser/Sieburgh 6-I 2020/270.
Vgl. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/16 onderdeel b.
Vgl. Heyning-Plate 1969, p. 35 voor wat betreft de enac.
Zie bijv. ook expliciet Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2213, r.o. 4.5.
Klomp 2003, p. 67 concludeert: “Het gevolg was dat Antonius het door hem bedongen eigendomsvoorbehoud verloor.” Of Antonius een eigendomsvoorbehoud verloor, kan worden betwijfeld, omdat dit veronderstelt dat Antonius eens eigenaresse van de gefabriceerde producten is geweest en dat was zij niet.
HR 5 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9190, NJ 1992/226, m.nt. W.M. Kleijn (Breda/Antonius), r.o. 3.3. Ook Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/15 onderdeel b, en Klomp 2003, p. 67, merken op dat dit een obiter dictum is.
HR 27 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0558, NJ 1992/378 (Arel/Van de Stolpe), r.o. 3.3.
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009, 50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6.
HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:95, NJ 2014/236, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Kenter/Slierings), r.o. 3.5. Zie over dit arrest ook Dammingh & Klomp 2014, i.h.b. p. 36, en Smit 2014.
Door opschorting op grond van artikel 6:52 lid 1 BW spoort de schuldenaar zijn wederpartij aan tot nakoming van zijn vordering.1 Daarmee fungeert de uitoefening van het algemene opschortingsrecht als een drukmiddel2 of pressiemiddel.3 Ook in rechtspraak komt tot uitdrukking dat het algemene opschortingsrecht strekt tot het uitoefenen van enige druk op de wederpartij tot nakoming van haar verbintenis. In het tot het arrest Eurostrip/Newa leidende geval schortte Eurostrip haar betalingsverplichtingen op in verband met haar vordering op Newa tot betaling van schadevergoeding. De Hoge Raad overwoog dat de opschortingsbevoegdheid ‘ertoe strekt pressie uit te oefenen opdat de haar toekomende schadevergoeding wordt voldaan’.4 Een op algemene voorwaarden gebaseerd opschortingsrecht en het retentierecht kunnen eveneens fungeren als een pressiemiddel tot nakoming door de wederpartij.5
Het algemene opschortingsrecht heeft ook een zekerheidskarakter.6 Met de uitoefening van het algemene opschortingsrecht beschermt de schuldenaar zich tegen insolventierisico van zijn wederpartij. Tevens geeft die uitoefening hem een bepaalde mate van zekerheid dat de wederpartij ook zal nakomen, al dan niet door middel van verrekening.
Een opschortingsbevoegdheid beschermt de schuldenaar tegen het risico van insolventie van de wederpartij.7 Wanneer partijen tot gelijktijdige nakoming zijn gehouden en tevens tegelijk nakomen, loopt geen van hen het risico iets aan de ander te verliezen. Als de wederpartij de schuldenaar tot nakoming dwingt zonder zelf na te komen, loopt de schuldenaar echter een in die omstandigheden onaanvaardbaar insolventierisico.8 Door de nakoming van zijn verbintenis op te schorten totdat de wederpartij harerzijds heeft gepresteerd, mitigeert de schuldenaar dit insolventierisico. In het geval waarin de wederpartij tekortschiet in de nakoming van haar verbintenis, beperkt de schuldenaar het risico dat zijn wederpartij de door hem als gevolg van de wanprestatie geleden schade niet kan betalen door de nakoming van zijn verbintenis op te schorten.9 Voor zover een tekortkoming van de wederpartij de schuldenaar de bevoegdheid zou geven de overeenkomst waaruit de verbintenissen over en weer voortvloeien te ontbinden, kan de schuldenaar, door niet-nakoming, tevens zoveel als mogelijk voorkomen dat hij in een situatie belandt waarin zijn wederpartij geen verhaal biedt voor de ongedaanmakingsverbintenissen of voor schadevergoeding na ontbinding.10
Tevens geeft de uitoefening van het algemene opschortingsrecht een bepaalde mate van zekerheid voor de nakoming door de wederpartij, al dan niet door middel van verrekening.11 In Breda/Antonius woog de Hoge Raad mee dat opschortingsrechten deze functie kunnen hebben.12 Daarbij leek de Hoge Raad vooral het oog te hebben op een mate van zekerheid dat de schuldenaar nakoming van zijn vordering zal ontvangen en het risico van insolventie van zijn wederpartij niet wordt vergroot. De vraag die partijen verdeeld hield, is wie de eigenaar was geworden van de door Antonius in opdracht van Breda vervaardigde producten uit door Breda ter beschikking gestelde platen staal. De Hoge Raad overwoog dat als zou komen vast te staan dat Breda deze producten voor zichzelf had laten maken door Antonius uit door Breda daartoe ter beschikking gestelde materialen, Breda eigenaresse van de gefabriceerde producten was geworden. Het gevolg daarvan zou zijn dat Antonius geen zekerheid in de vorm van het door haar bedongen eigendomsvoorbehoud had.13 In een overweging ten overvloede overwoog de Hoge Raad vervolgens dat Antonius ‘toch niet van elke zekerheid voor de betaling van de door hem voor zijn werkzaamheden bedongen tegenprestaties zal zijn verstoken, nu hij in de regel de nakoming van zijn verplichting tot aflevering van de produkten, overeenkomstig het bepaalde in art. 6:52 lid 2 NBW, zal kunnen opschorten tot de voldoening van hetgeen hem aan tegenprestaties toekomt, ook ter zake van uit hoofde van eerdere opdrachten reeds vervaardigde en afgeleverde produkten’.14
Bij opschorting met een zekerheidskarakter kan ook worden gedacht aan gevallen waarin een schuldenaar de nakoming van zijn verbintenis opschort, met de bedoeling deze verbintenis te verrekenen met zijn vordering. Al in het arrest Arel/Van de Stolpe overwoog de Hoge Raad dat de schuldenaar bevoegd is zijn verbintenis tot betaling van opdrachtloon op te schorten in afwachting van een verrekeningspositie voor wat betreft zijn vordering tot schadevergoeding als gevolg van wanprestatie onder dezelfde opdracht.15 In het arrest Ammerlaan/Enthoven bevestigde de Hoge Raad deze opschortingsbevoegdheid met de overweging dat ‘een beroep op opschorting ter verrekening mede het karakter heeft van zekerheid voor de voldoening door middel van verrekening van deze tegenvordering, waaraan in het rechtsverkeer behoefte bestaat’.16 Onder verwijzing naar dit arrest overwoog de Hoge Raad in het arrest Kenter/Slierings dat ‘[h]et opschortingsrecht [er] (…) immers juist (…) toe [strekt] druk op Slierings uit te oefenen om de tegenvordering na te komen, en heeft, voor het geval Slierings daarmee in gebreke zou blijven, mede het karakter van zekerheid voor de voldoening (door middel van verrekening) van de uit zijn verzuim voortvloeiende schadevordering’.17 In deze overweging komen zowel de functie van pressiemiddel als het zekerheidskarakter van het algemene opschortingsrecht tot uitdrukking.