Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.10.2:9.10.2 Een kennisgebied en vak burgerschap
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.10.2
9.10.2 Een kennisgebied en vak burgerschap
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977359:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
J. Habermas, Erkenntnis und Interesse, Frankfurt: Suhrkamp 1968, De structuurverandering van het publieke domein, Amsterdam: Boom 2015 (1962) en Theorie des kommunikativen Handelns Frankfurt: Suhrkamp 1981 en Th. Hirschmann, Jürgen Habermas' Allgemeine Theorie des praktischen Diskurses, München: Ludwig Max. Universität 2002.
Van Achter 1998, p. 20-24.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bijbrengen van rechtsstatelijke waarden als minima moralia
Het is te begrijpen dat de overheid het funderend onderwijs aangrijpt om een minimum aan moreel burgerschapsbesef (deugdelijk burgerschap) en het onderschrijven van rechtsstatelijke waarden, in de zin van minima moralia, bij te brengen. Het onderwijs is vanwege het wegvallen van het maatschappelijk middenveld nog ongeveer de enige institutie buiten het gezin waar de overheid via de bekostiging greep op heeft, waar kinderen ongeacht afkomst relatief niet gesegregeerd bij elkaar komen en waar zoiets als een groepsethos bijgebracht kan worden. Dat kan overigens niet op een ideologische manier. Echter, burgerschapsvorming kan wel gegeven worden in de vorm van een serieus te nemen vak, waarin de wezenskenmerken van de democratische rechtsstaat uiteengezet worden, en waarin deze waarden ook ‘geoefend worden’. Anders gezegd: burgerschapsvorming in de zin van het verwerven van cognitieve vaardigheden en het bijbrengen van kennis moet gepaard gaan met het oefenen van sociale vaardigheden, waarin de waarden die aan de democratische rechtsstaat ten grondslag liggen ‘live geoefend kunnen worden’. Burgerschapsvorming zou zich derhalve moeten richten op het verwerven van kennis, zoals kennis over de democratie, de staat, de vrijheidsrechten en ons parlementair stelsel, en het bevorderen van vaardigheden, zoals debatteren, het beoordelen van informatie (social media) en het vormen van coalities.
Een zeker moreel minimum: Herrschaftfreie Diskussion
Het bijbrengen van democratische kennis, inzicht en vaardigheden moet zich voltrekken in een relatief neutrale sfeer. Deze kennis en (debat)vaardigheden zijn namelijk op zich niet sterk-normatief geladen. Tegelijkertijd zou het goed zijn als de oefening met kennis en communicatievaardigheden mede gericht is op één moreel aspect: het leren om het eigen gelijk - althans tot op zekere hoogte - te relativeren, en zich in de ander te verplaatsen. Anders gezegd, een zeker moreel minimum in de vorm van de bereidheid tot dialoog (vgl. de Herrschaftfreie Diskussion van Habermas) is minimaal vereist.1 Deze symmetrische gleichberechtigungs Kommunikation heeft onmiskenbaar een moreel-normatief aspect, maar is niet ideologisch normatief, maar (socratisch) dialogisch. De sociaalcommunicatieve vorming en ook de democratische kennis- en inzichtverwerving zouden gericht moeten zijn op een ook door Van Achter bepleite - in par. 9.8.2 besproken - dialogische houding die de burger later heel goed van pas komt.2 Kortom, de normatieve vorming kan een gunstig neveneffect zijn - maar geen expliciete opdracht in verband met artikel 23 Gw - van de cognitieve en communicatieve vorming in democratische vaardigheden. In hoofdstuk 11 ga ik hierop nader in.