Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.4.3
3.4.3 ‘Hetgeen blijkt of wordt meegedeeld’ te beperkt?
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285286:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
In de SW 1859 wordt gesproken van ‘kennisnemen’, zowel het Organisatiebesluit (1904) als het Organisatiebesluit Belastingdienst (1920) spreken ‘over te weten komen’ en de Awb spreekt over ‘de beschikking krijgen’.
Vergelijk: art. 4, tweede lid, AVG waarin de definitie van verwerking onder de AVG is opgenomen.
Een andere interpretatie zou leiden tot een onwerkbare situatie. Een belastingaanslag zou alsdan niet onder geheimhouding vallen voor degene die de aanslag heeft vastgesteld, maar wel voor degene die het bezwaar tegen diezelfde belastingaanslag behandeld.
Een aangifte erfbelasting waaruit een nalatenschap van € 1.000 blijkt, terwijl uit de aangifte inkomstenbelasting van de enig erfgenaam een vermogenssprong blijkt van € 100.000 zou bij de inspecteur het vermoeden kunnen opleveren dat de aangifte erfbelasting onjuist is (ongebruikelijke vermogenssprong). Het staat de inspecteur in principe niet vrij dit vermoeden te delen met derden (tenzij sprake is van noodzakelijk voor uitvoering van de belastingwet).
De omschrijving van “hetgeen over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt medegedeeld” is allesomvattend. Deze terminologie komt in vrijwel alle onderzochte geheimhoudingsbepalingen voor.1 Toch zou een zeer strikte, grammaticale interpretatie van de wettekst kunnen impliceren dat het object van de geheimhouding uitsluitend ziet op hetgeen over belasting-, administratie- en inhoudingsplichtigen en derden aan de inspecteur is aangeleverd of is meegedeeld. De inspecteur verwerkt echter informatie (zoals een ingediende aangifte, ontvangen contra-informatie of antwoorden op een vragenbrief) en creëert daarmee zelf nieuwe gegevens (zoals een belastingaanslag).2 Het lijdt mijns inziens echter geen enkele twijfel dat de teleologische wetsinterpretatie in dit geval dient te prevaleren boven een strikt grammaticale interpretatie; gezien doel en strekking van de geheimhoudingsbepaling zijn ook door de inspecteur zelf vervaardigde gegevens, zoals een vastgestelde belastingaanslag, een uitspraak op bezwaar of een voor bezwaar vatbare beschikking aan te merken als een object van de geheimhouding.3 Hetzelfde heeft te gelden voor bij de inspecteur ontstane kennis en vermoedens als gevolg van, al dan niet in onderlinge samenhang, interpreteren van informatie.4