Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.4.2
3.4.2 Een functioneel verband tussen subject en object
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285217:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
HR (civiele kamer) 3 mei 1956, ECLI:NL:HR:1956:106, NJ 1956/297 (na een voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet door A-G G.E. Langemeijer). Zie uitgebreider: Snippe 2019, blz. 389-390. Vergelijk: de hiervoor in par. 3.3.3 genoemde uitspraak van Rechtbank Gelderland 25 juli 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:7450. Gegevens waren niet verstrekt aan het bestuursorgaan in zijn hoedanigheid van onderworpen subject waardoor art. 67 AWR niet prevaleerde boven de Wob.
Vergelijk: het verschoningsrecht ziet op informatie die aan de verschoningsgerechtigde in die hoedanigheid is toevertrouwd (HR (strafkamer) 24 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4666, NJ 2006/109).
Wisselink omschrijft het als alle in functie, functioneel verkregen zodanige gegevens, ook die later, naderhand, fiscaal niet van belang blijken te zijn (Wisselink 1997, blz. 131). Vergelijk: HR (civiele kamer) 23 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0052, NJ 1991/761, waaruit blijkt dat informatie ook in de verschoningsgerechtigde hoedanigheid kan zijn verkregen als zij voor de uitoefening van die functie niet relevant is (verpleegkundige).
Verburg 1975, blz. 226-227 en Wisselink 1997, blz. 134-135 verwijzen naar de niet gepubliceerde uitspraak van Hof Leeuwarden 10 januari 1968, vernietigend Rechtbank Leeuwarden 3 oktober 1966, NJ 1967/365). Vergelijk: A-G J. van Soest in zijn conclusie voorafgaand aan HR (civiele kamer) 8 november 1991 (Verschueren/Kloosterboer), ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, NJ 1992/277, par. 4.4.
Verburg 1975, blz. 227.
In vergelijkbare zin: Hof ’s-Hertogenbosch (civiele kamer) 24 september 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2940 inzake een gehonoreerd beroep op het verschoningsrecht door een (gepensioneerd) belastingambtenaar met betrekking tot (mogelijk) valselijk opgemaakte stukken.
Vergelijk: brief Staatssecretaris van Financiën van 28 juni 2017 (vernietiging ANPR-camerabeelden), Kamerstukken II 2016/17, 31 066, nr. 16.
Ditzelfde heeft te gelden voor kennis over kwijtgeraakte gegevens of aan een belanghebbende teruggestuurde originele stukken. Vergelijk: HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1863, BNB 2018/201 waarin werd bevestigd dat stukken uit het strafdossier die de inspecteur ter beschikking hebben gestaan zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken zoals bedoeld in art. 8:42 Awb, ondanks het feit dat deze stukken niet (meer) beschikbaar zijn.
Vergelijk: par. 3.3.4 over de beëindiging van werkzaamheden door een onderworpen subject. De geheimhouding blijft dan eveneens onverkort bestaan.
De fiscale geheimhoudingsplicht is ingestoken vanuit het onderworpen subject; informatie kan pas worden aangemerkt als object van de fiscale geheimhouding als de ontvanger van de informatie het in zijn hoedanigheid van onderworpen subject verwerkt. Met andere woorden: er moet een functioneel verband bestaan tussen het onderworpen subject en de informatie om het te kunnen aanmerken als object van de fiscale geheimhouding. Vergelijkbaar is het arrest NJ 1956/297 waarin met betrekking tot de verhouding tussen het verschoningsrecht van de inspecteur en de geheimhoudingsplicht van art. 102 Wet IB 1914 als uitgangspunt wordt genomen dat hetgeen iemand in zijn ambt of betrekking bij de uitvoering van de wet, nopens inkomen, opbrengst, uitdelingen etc. is gebleken of is medegedeeld, geacht moet worden hem uit hoofde van zijn ambt of betrekking te zijn toevertrouwd.1
Fiscaal niet bruikbare kennis
Alle informatie die een onderworpen subject in die hoedanigheid ontvangt, is aan te merken als een object van de geheimhouding.2 Dit geldt ook voor informatie die (naderhand) fiscaal niet-relevant blijkt te zijn.3 Verburg en Wisselink verwijzen in dat kader naar een uitspraak van Hof Leeuwarden waaruit blijkt dat het verschoningsrecht van belastingambtenaar zich zelfs uitstrekt tot die bevindingen van de geheimhouder die niet van fiscaal belang zijn of kunnen zijn.4 De eis dat sprake moet zijn van een functioneel verband is volgens Verburg redelijk en benadrukt de vertrouwenspositie.5 Ook bij informatie die de inspecteur onrechtmatig heeft verkregen en die hij fiscaal niet mag gebruiken is sprake van een functioneel verband.6
Naderhand ontstaan functioneel verband
Een aan de fiscale geheimhouding onderworpen subject kan ook informatie hebben verkregen buiten zijn werkzaamheden bij de uitvoering van de belastingwet. Hierbij kan worden gedacht aan algemene kennis uit openbare bronnen, zoals kranten of internet. Omdat de informatie reeds bij deze persoon aanwezig is, zou strikt theoretisch geen sprake meer kunnen zijn van ‘bij de uitvoering van de belastingwet blijkt of wordt meegedeeld’. Desondanks dient vanaf het moment dat het onderworpen subject in die hoedanigheid de informatie verwerkt deze informatie naar mijn mening logischerwijs als object van de geheimhouding te worden aangemerkt. Ingeval een inspecteur bijvoorbeeld informatie haalt uit de krant en pas in een later stadium het krantenartikel gebruikt ten behoeve van de aanslagregeling valt de uit de krant verkregen informatie vanaf het moment van verwerking onder het object van de geheimhouding. Het gaat derhalve niet zo ver dat bij de beantwoording van Kamervragen de Staatssecretaris van Financiën kan bevestigen noch ontkennen of hij een bepaald krantenartikel heeft gelezen, maar art. 67 AWR beperkt wel zijn mogelijkheden om vervolgens te vertellen wat de Belastingdienst naar aanleiding van het krantenartikel heeft gedaan.7
Kennis over niet meer aanwezige gegevens
Fiscale informatie kan, veelal omdat het niet langer relevant is, op grond van de privacywetgeving of de Archiefwet 1995 worden vernietigd.8 Vernietigde gegevens kunnen fysiek weliswaar niet meer worden bekendgemaakt, maar op de aanwezige kennis over de vernietigde gegevens blijft de geheimhoudingsverplichting rusten.9 Ditzelfde heeft te gelden voor bijvoorbeeld een voor bezwaar vatbare beschikking, zoals een belastingaanslag, die door de rechter is vernietigd. Formeel bestaat die aanslag niet meer, maar deze zal nog wel in het (digitale) belastingdossier van de belastingplichtige raadpleegbaar zijn en geheim dienen te blijven. Het functionele verband tussen het subject en (de kennis over) het object wordt met de vernietiging van de gegevens niet teniet gedaan.10