Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/6.1.2:6.1.2 Het vraagstuk van de balanswaardering
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/6.1.2
6.1.2 Het vraagstuk van de balanswaardering
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS349190:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om het vraagstuk van de balanswaardering goed te begrijpen moet volgens Polak verschil worden gemaakt in waardering van de diverse soorten activa, te beginnen met de voorraad gereed product die gewaardeerd dient te worden op de geschatte opbrengst. Op zichzelf genomen lijkt dit een redelijk objectief waarderingsproces. Het wordt evenwel anders als de verkoop van het gereed product moeite en kosten vereist. Dan zal op de geschatte opbrengst een aanzienlijk bedrag voor verkoopkosten en risicopremie1 vanwege de onzekerheid van de verkoop in mindering moeten worden gebracht en alsdan nadert de waarde die van de vervangingswaarde.
Ook voor grond- en hulpstoffen geldt dat de waarde daarvan de vervangingswaarde niet veel ontloopt. De schatting van de opbrengst wordt immers sterk beïnvloed door de marktprijzen van het moment. Polak merkt hieromtrent op: `Zooals men ziet hebben wij hier steeds met een subjectieve waardeering te maken, waarvoor echter veelal objectieve gegevens beslissend zijn. Niettemin blijft de waardeering een bepaling van de waarde, welke het goed voor de onderneming heeft, van de bedrijfswaarde alzoo. Al moge die bedrijfswaarde dan ook met liquidatiewaarde of vervangingswaarde geheel of nagenoeg geheel samenvallen, het is toch steeds de subjectieve bedrijfswaarde die hier wordt vastgesteld.'
Omdat effecten gewaardeerd worden op de contante waarde van de geschatte toekomstige rente- of dividendstroom, is deze schatting meestal sterk subjectief getint. Alleen als verkoop op korte termijn te verwachten is, zal de waarde van de effecten de beurskoers benaderen.
Hetzelfde probleem doet zich eigenlijk voor bij de waardering van andere rechten en vorderingen alsmede bij verplichtingen.
Maar het meest problematisch is de waardering van duurzame productiemiddelen omdat daarbij het afschrijvingsvraagstuk om de hoek komt kijken. Een duurzaam productiemiddel kan worden beschouwd als een reeks van prestaties. Waardering van een duurzaam productiemiddel komt dan ook neer op bepaling van de contante waarde van die prestaties (indirecte opbrengstwaarde). Volgens Polak geldt ten aanzien van de balanswaardering dat opneming plaatsvindt ten hoogste tot de aanschaffingsprijs en ten hoogste tot de waardering, die uit schatting van opbrengst en complementaire kosten voortvloeit. Tevens geldt dat de prestaties die al verbruikt zijn, niet meer in de balans worden opgenomen.
Een voorbeeld van een waardering van een duurzaam productiemiddel (ontleend aan Polak):
Casus
Een schip, met een geschatte gebruiksduur van 20 jaar, is gekocht voor f 2 000 000. Eenvoudshalve is de relatieve waarde der achtereenvolgende jaarprestaties2 gelijkgesteld en is de rentefactor en de residuwaarde buiten beschouwing gelaten. De jaarlijkse afschrijving bedraagt derhalve f 100 000. Na één jaar wordt de jaarprestatie gewaardeerd op f 80 000. Het schip komt vervolgens op de balans voor 19 x f 80 000 = f 1 520 000 en de 'afschrijving' bedraagt f 480 000, zijnde f 100 000 voor het verbruik van één jaarprestatie en f 380 000 voor de waardevermindering met elk f 20 000 van de overgebleven 19 jaarprestaties. In de visie van Polak vormt de waardedaling als gevolg van een vermindering van de bedrijfswaarde onderdeel van de afschrijving van een duurzaam productiemiddel.
Dit lijkt aan te sluiten bij oude fiscale jurisprudentie van de Hoge Raad waarbij afschrijving op bedrijfsmiddelen mocht worden toegepast die in overeenstemming was met de achteruitgang van de bedrijfswaarde van het desbetreffende activum3.