Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/397
397 Een versterkte rol voor de ondernemingsraad?
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370230:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor allereerst de uitleg over de reikwijdte van art. 27 WOR. Zie Holtzer 2004, p. 66 e.v.; Ter Haseborg 2008, par. 2.2. In het vennootschapsrecht wordt tot op heden geen afbreuk gedaan aan de uiteindelijke verdeling van de bevoegdheid om besluiten te nemen. Zie hierover Holtzer 2010, alinea 1; Zie over de vraag of de positie van de ondernemingsraad versterking behoeft eveneens het SER-advies ‘Evenwichtig ondernemingsbestuur’, 15 februari 2008, 08/01.
Zo zal het bijvoorbeeld de slagvaardigheid van de raad van commissarissen tijdens de onderhandelingen met de bestuurder ernstig verminderen. Ook zal het mijns inziens niet direct bijdragen aan een bewustwordingsproces bij de raad van commissarissen dat een paradigmaverschuiving noodzakelijk is, maar partijen eerder tegenover elkaar plaatsen. Verder kan het instemmingsrecht oneigenlijk gebruikt worden voor het bereiken van andere doeleinden.
Zie in gelijke zin onder ander Ter Haseborg 2008, par. 2.4. De ondernemingsraad heeft reeds feitelijke macht om excessen tegen te gaan, zoals onder meer zichtbaar was bij KPN. Zie https://fd.nl/ondernemen/1099202/blok-geeft-extraatje-terug (laatst bezocht op 5 augustus 2017).
Zie het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de ondernemingsraden in verband met de bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de beloningen van bestuurders; Kamerstukken II, 34 494, 2015/16, nr. 3 (MvT). Met deze nieuwe regeling lijkt nadere invulling te worden gegeven aan het reeds bestaande informatie- en overlegrecht van de ondernemingsraad. Naast art. 23 WOR heeft de ondernemingsraad op basis van 31d WOR al bevoegdheden ten aanzien van de beloningsverhoudingen.
De ondernemingsraad heeft onder meer een standpuntbepalings- en spreekrecht (art. 2:135 lid 2 BW), een informatierecht (art. 2:135 lid 2 BW en 31d WOR) en een overlegrecht (art. 23 WOR).
Holtzer 2012.
Om de raad van commissarissen te dwingen bij het vaststellen van de ex ante hoogte van de bezoldiging minder te steunen op externe referentie zou gedacht kunnen worden aan het versterken van de positie van de ondernemingsraad bij het vaststellingsproces. Een duidelijke scheidslijn is daarbij aan te brengen tussen enerzijds het aanvullen van de bevoegdheden die de ondernemingsraad heeft om zijn visie op de bezoldiging van bestuurders over te brengen aan de bestuurders, commissarissen en aandeelhouders en anderzijds het toekennen van een instemmingsrecht over het bezoldigingsbeleid in welk geval er een driehoeksverhouding ontstaat bij het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders.
Momenteel heeft de ondernemingsraad een ‘adviserende say-on-pay’ over het bezoldigingsbeleid. Op grond van art. 2:135 lid 2 BW wordt de ondernemingsraad immers in staat gesteld een standpunt te bepalen over het voorgestelde bezoldigingsbeleid. De gedachte achter het toekennen van het (spreek- en) standpuntbepalingsrecht aan de ondernemingsraad is, dat aandeelhouders bij hun besluitvorming kunnen beschikking over informatie die zo volledig mogelijk is. Hiertoe behoort dat de aandeelhouders eveneens kennis hebben kunnen nemen van de visie van de werknemers, zodat zij zicht krijgen op het draagvlak voor het te nemen besluit. Nu aan de AVA een recht wordt verleend om jaarlijks te stemmen over het remuneratierapport zou een mogelijkheid kunnen zijn om de ondernemingsraad ook een standpunt te laten bepalen over dit rapport alvorens de AVA tot stemming zal overgaan.
Het invoeren van een instemmingsrecht voor de ondernemingsraad over het bezoldigingsbeleid is een paardenmiddel. Ik zou daar geen voorstander van zijn. Binnen het vennootschapsrecht bestaat consensus dat de ondernemingsraad geen recht heeft om de hoogte van de bestuurders te bepalen.1 Naast het vaak gehoorde, meer principiële punt dat de werknemer niet de bezoldiging van zijn baas dient vast te stellen, zijn er diverse redenen waarom een instemmingsrecht tot een gemankeerd vennootschapsrechtelijk systeem leidt.2 Een grotere invloed van de ondernemingsraad ten aanzien van de vaststelling van het bezoldigingsbeleid van bestuurders is vanuit een zuivere benadering van de bevoegdheidsverdeling binnen de vennootschap mijns inziens dan ook niet gewenst. Hetzelfde geldt voor het vaststellen van de individuele bezoldiging.3
De kans dat een dergelijk recht aan de ondernemingsraad wordt toegekend acht ik overigens klein. Tot op heden is de wetgever blijven steken bij het verlenen van een overleg-, informatie-, standpuntbepalings- of spreekrecht. Ook met het aanhangige wetsvoorstel op grond waarvan de ondernemer verplicht wordt jaarlijks de verhouding tussen het bezoldigingsniveau van bestuurders en de rest van de werknemers te bespreken met de ondernemingsraad overschrijdt de minister de hiervoor getrokken grens niet.4 Daarbij dient te worden opgemerkt dat de ondernemingsraad mijns inziens beschikt over voldoende juridische middelen om zijn visie op de bezoldiging van bestuurders voor het voetlicht te brengen.5 De rol van de ondernemingsraad bij het vaststellen van de bezoldiging zal dan ook niet afhangen van nieuw vormgegeven regelingen, maar van de wijze waarop de desbetreffende ondernemingsraad gebruikmaakt van de bestaande juridische mogelijkheden. Daarbij kan de ondernemingsraad samenwerken met vakorganisaties om, onder gebruikmaking van de aan de vakorganisaties toekomende middelen, invloed uit te oefenen op het bezoldigingsbeleid.6