Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.8.5
3.8.5 Voorstellen staatsinrichting op de hbs bij geschiedenis te voegen 1876
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977239:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verslag van het behandelde in de 11e algemeene vergadering van de leden der Vereeniging van Leeraren MO, Berichten en Mededelingen, Reeks 1, 1875-78, p. 7; het betreft incorporatie van de geschiedenis van de Staatsinrigting en niet de Staatsinrigting.
Zie voor de positie van het vak staatshuishoudkunde en de statistiek: Gorter 2013, p. 93.
Verslag van het verhandelde van de 13e Algemeene vergadering van leden van de Vereeniging van Leeraren MO, Berichten en Mededelingen, Reeks 1, 1875/78.
Grotenhuis 1998, p. 96, 99.
D.J. Steyn Parvé, ‘Een en ander over de Hoogere Burgerscholen’, De Economist, dl I, 1879, p. 504-505.
Duyverman 1936, p. 77 ziet de oorsprong van het voorstel Steyn Parvé ‘in de onvrede met het va-et-vient- karakter van leraren Staatsinrichting en door andere minder aangename ervaringen’. Deze aanname heeft het VSW-bestuur ook geuit in een brief aan de minister van 12 mei 1976 vanwege de beëindiging van staatsinrichting als zelfstandig vak in de OWvo en het pleiten voor een CMLMSV, zie: Didaktiek 1976, 4, p. 43-44 en p. 45: ’Urenleraren zijn uit den boze, daarom moesten deze ‘schnabbelaars’ verdwijnen’.
D.J. Steyn Parvé, ’Wat in het M.O. tot stand is gekomen?’, De Economist, mei 1879, is voor een examen algemene ontwikkeling, alvorens toelating (Wet van 17 augustus 1878, Stb. 1878, nr. 127, artikel 2, 2e alinea onder 1 junco 16, 2e alinea). Ex artikel 60 behoren de grondtrekken der vaderlandsche geschiedenis tot het onderwijzersexamen; Feikema 1929.
Bedreiging vak Staatsinrigting in zelfstandigheid 1876
Staatsinrichting op de hbs wordt in 1876 reeds als apart vak ‘bedreigd’ door het voorstel in de boezem van de A.V.M.O. om dit onderwijs aan de geschiedenisleraren te laten, immers ‘met het behandelen van de historische wording van Staatsinrigting van Nederland [kan] de vaderlandse geschiedenis uitgebreider aan de orde komen’.1 Het voorstel is door de algemene ledenvergadering van de A.V.M.O. (hierna: ALV) verworpen. Maar het zou hier niet bij blijven.2 Reeds in 1878 stemt de ALV in met het onderbrengen van staatsinrichting bij geschiedenis op de mms die vooral gericht is op vrouwelijke persoonsvorming.3 Op de mms bestond onderwijs in vakken als sociologie, staatswetenschap, etiquette en sociale en politieke kwesties (artikel 21, tweede alinea, MO).4
Verbreding MO-Geschiedenis met de Staatsregeling
In 1879 stelt Steyn Parvé voor, daartoe aangezet door de overladenheid van de programmas, om geschiedenis op middelbare scholen te verbreden met ‘kennis onzer tegenwoordige Staatsregeling’.5 De docenten zouden de mogelijkheid verkrijgen om een bevoegdheid te behalen voor het onderwijs in de staatsinrichting.6 Hij wilde hiermee bereiken dat de leerlingen ‘bij eene grondige studie der vaderlandsche geschiedenis, zooals tot het verkrijgen eener acte van bekwaamheid voor geschiedenis noodig is, […] vanzelf kennis […] nemen van de veranderingen, welke onze Staatsregeling heeft ondergaan. Bij het examen zal een uitbreiding nodig zijn, voor zooveel het onze Staatsregeling betreft, alvorens bevoegdheid […] Staatsinrigting […] te verleenen’.7 Steyn Parvé wilde deze akte verplicht stellen. Maar dat is er niet van gekomen.