Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.3.5.3.1
13.3.5.3.1 Vermoedens als bewijsmiddel voor de inspecteur
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940214:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 10.3.7.
Zie paragraaf 10.2.
Zie paragraaf 7.3.5.5 en paragraaf 13.3.4.
Zie paragraaf 7.3.9.3.3.
Zie ook paragraaf 14.3.3.
Vgl. ook Koopman 1996, p. 187 en (met betrekking tot de rechterlijke overtuiging in het strafrecht) Rosier 2013. Zie ook paragraaf 10.2.2.2.
Zie paragraaf 13.3.3.1.
Zie G.J.M.E de Bont, ‘Boetebewijsrecht’, opgenomen in Essers e.a. 2022.
Zie voor een voorbeeld waarin de inspecteur aldus slaagde in zijn bewijslast Hof Den Haag 21 juli 2022, V-N 2022/49.14, r.o. 6.1.2-6.11. Op de uitwerking van de bewijsconstructie zoals het Hof die heeft gebezigd, valt overigens wel het een en ander af te dingen. Zo overweegt het Hof in r.o. 6.7 dat de ontzenuwing van het vermoeden mogelijk is door andere feiten ‘aannemelijk te maken’ (hetgeen niet nodig is, zie daarover nader paragraaf 7.3.8.3.2). Verder lijkt het Hof de zware bewijsgradatie te onderbouwen door erop te wijzen dat de feitelijkheden waaruit het vermoeden wordt afgeleid, buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan (zie r.o. 6.9.1 en 6.9.2). De bedoeling is echter dat (ook) wordt vastgesteld dat het vermoeden als bewijsmiddel zodanig overtuigend is dat ‘beyond reasonable doubt’ is dat de boeteling het beboetbare feit heeft begaan. Die schakel lijkt te ontbreken in de bewijswaardering in r.o. 6.11 (zie over deze kwestie nader paragraaf 7.3.5.4.2). Zie voor een ander voorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 24 mei 2023, V-N 2023/45.1.3 (cassatie loopt).
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.5.4.
Opnieuw geldt hier de kanttekening dat de Hoge Raad de zware gradatie ‘beyond reasonable doubt’ niet specifiek noemde, maar zich bediende van het neutrale ‘bewijzen’ (zie het in een voetnoot in paragraaf 13.3.5.2 hiervoor besproken arrest HR 25 juni 1997, BNB 1997/275).
Zie HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.2 (voetnoot 2), waarin het KBLux-arrest HR 15 april 2011, BNB 2011/206, NTFR 2011/945 wordt aangehaald.
Ik sluit echter niet uit dat de Hoge Raad op grond van de vereiste zware bewijsgradatie nu tot een ander oordeel zou zijn gekomen in KBLux-achtige zaken. Zie daarover nader paragraaf 10.4.2.1.2 onder ‘Bewijs ‘beyond reasonable doubt’?’.
Naar mijn mening is de Hoge Raad in het arrest van 8 april 2022 niet daadwerkelijk omgegaan, maar daar wordt in de literatuur anders over gedacht. Zie hierover nader paragraaf 13.3.1.
Zie paragraaf 13.3.3.1. Het betrof de zaak die heeft geleid tot HR 14 november 2014, V-N 2014/59.6, BNB 2015/46 (en na een geslaagde wrakingsklacht werd verwezen voor een nieuw onderzoek in volle omvang).
Conclusie A-G IJzerman 9 juli 2014, V-N 2014/50.6, par. 10.30.
Het enkele feit dat er voor de bewijsconstructie geen vermoedens zijn gebruikt, brengt nog niet mee dat er overtuigend bewijs is geleverd. Dat het gebruik van vermoedens als bewijsmiddel in de boetesfeer wellicht minder geschikt is dan het gebruik van directe bewijsmiddelen, omdat daarmee nu eenmaal beter de zware bewijsgradatie kan worden gehaald, is een andere kwestie (waardering). Zie daarover nader paragraaf 10.2.2.
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh), nr. 54810/00, NJ 2007/226, par. 67, EHRM 1 juni 2010 (Gäfgen), nr. 22978/05, NJ 2010/628, par. 92. Zie ook paragraaf 10.2.2.2.
Feteris 2002, p. 378.
Zie de verwijzingen bij Feteris 2002, p. 378 (noot 107).
Zie paragraaf 7.3.8.3.2 en paragraaf 10.2.1.
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.5.3. Ongelukkigerwijs overwoog de Hoge Raad dat de boeteling de ter ontzenuwing gebezigde feiten zo nodig ‘aannemelijk’ moet maken.
Zie paragraaf 7.3.8.3.2.
Zie ook paragraaf 13.3.5.2 hiervoor.
De vraag kan rijzen in hoeverre vermoedens, als bewijsmiddel in de bewijspositie van de inspecteur, kunnen bijdragen aan de zware bewijsgradatie van ‘beyond reasonable doubt’. In beginsel is het naar mijn mening mogelijk dat die zware gradatie wordt gehaald met behulp van indirecte bewijsmiddelen.1 Dat geldt ook voor vermoedens (die worden afgeleid uit indirect bewijs2). In de sfeer van de heffing kan met dergelijke bewijsmiddelen immers de zware gradatie van ‘doen blijken’ worden gehaald, die inhoudelijk op hetzelfde neerkomt.3 Wel is dat, net als in de sfeer van de heffing,4 naar mijn mening tamelijk onwaarschijnlijk wanneer er in het geheel geen rechtstreeks bewijs aanwezig zou zijn.5 Een bewezenverklaring op grond van louter vermoedens ligt daarom niet voor de hand.6 Toch kan niet bij voorbaat categorisch worden uitgesloten dat de inspecteur het bewijs van het begaan van het beboetbare feit kan leveren met alleen vermoedens.7 In de literatuur8 en in de feitenrechtspraak9 is steun te vinden voor de opvatting dat de inspecteur de bewijsgradatie ‘beyond reasonable doubt’ kan halen door het gebruik van niet-ontzenuwde vermoedens.
Voor KBLux-achtige zaken, waarin er in feite slechts één direct bewijsmiddel is (de microfiche met een banksaldo op enig moment), heeft de Hoge Raad enige richtlijnen gegeven.10 In dergelijke zaken kan het kale beboetbare feit en de opzet worden bewezen aan de hand van bewijsvermoedens (afgeleid van de microfiche met het banksaldo).11 De bewijskracht van vermoedens in boetezaken moet dus ook niet worden onderschat. Hierbij kan uiteraard worden aangetekend dat de KBLux-jurisprudentie van de Hoge Raad dateert van vóór het arrest van 8 april 2022, waarin de zware gradatie werd vereist. In laatstgenoemd arrest verwees de Hoge Raad echter naar één van de KBLux-arresten zonder iets over vermoedens op te merken.12 Ik verwacht daarom niet dat de Hoge Raad op dit punt anders over vermoedens is gaan denken.13 Zij kunnen (nog steeds) bijdragen aan het bewijs van het begaan van het beboetbare feit, ook nu (zeker is dat14) dit bewijs ‘beyond reasonable doubt’ moet worden geleverd. Waar het uiteindelijk om gaat, is of de bewijspositie als geheel voldoende overtuigend is: dat is een kwestie van bewijswaardering.
A-G IJzerman heeft in 2014 in dit verband een soort spiegelbeeld-redenering ontwikkeld. Dat deed hij in zijn Conclusie in de eerder aangehaalde zaak waarin de boeteling uitdrukkelijk als cassatiemiddel had voorgesteld dat de boete moest worden gebaseerd op overtuigend bewijs.15 In de redenering van IJzerman was er voldaan aan de gradatie ‘proof beyond reasonable doubt’, omdat het Hof geen bewijsvermoedens had gebruikt voor zijn oordeel dat aannemelijk was dat er te weinig belasting was geheven.16 Dat zou betekenen dat aannemelijk maken zonder vermoedens gelijk staat aan het leveren van bewijs ‘beyond reasonable doubt’. Naar mijn mening is die opvatting niet juist, nu (1) het vraagstuk van het gebruik van vermoedens als bewijsmiddel voor de boete geheel los staat van de onderhavige kwestie van de benodigde gradatie en (2) het aanzienlijke onderscheid wat betreft de vereiste overtuigingskracht tussen beide gradaties in feite volledig wordt genegeerd.17
Ook het EHRM heeft, zij het in een ander verband,18 aangegeven dat de gradatie ‘beyond reasonable doubt’ kan worden gehaald met behulp van indirecte bewijsmiddelen zoals gevolgtrekkingen (inferences), of op feiten gebaseerde, niet-ontzenuwde vermoedens (unrebutted presumptions of fact).19 Wel moeten die gevolgtrekkingen of vermoedens dan voldoende sterk, duidelijk en eensluidend (sufficiently strong, clear and concordant) zijn. Feteris heeft erop gewezen, dat vermoedens in boetezaken daarom niet te vaag mogen zijn.20 Ook elders in de literatuur is steun voor die opvatting te vinden.21 Hoewel vermoedens naar mijn mening ook in de sfeer van de heffing niet te vaag zouden mogen zijn, kunnen er op dit punt verschillen ontstaan met de sfeer van de boete. Een uiterst dun vermoeden dat in de sfeer van de heffing nog net acceptabel is, zal in de sfeer van de boete onvoldoende sterk, duidelijk en eensluidend zijn om de toets van het EHRM te doorstaan.
Voor wat betreft het te leveren tegenbewijs is ten slotte nog het volgende van belang. Zoals eerder is opgemerkt,22 hoeft een vermoeden slechts te worden ontzenuwd: het zaaien van redelijke twijfel is daarvoor ook in de sfeer van de boete voldoende.23 Als de boeteling een vermoeden van de inspecteur ontzenuwt, wordt dat vermoeden als bewijsmiddel uitgeschakeld (het draagt niet meer bij aan het bewijs).24 Dat zegt echter niets over de bewijskracht van de overige bewijsmiddelen.25