Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.8.2.1:17.8.2.1 HR 27 juni 2001, nr. 35 889; aan weigering mag geen nadelig gevolg voor de boete worden verbonden
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.8.2.1
17.8.2.1 HR 27 juni 2001, nr. 35 889; aan weigering mag geen nadelig gevolg voor de boete worden verbonden
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499534:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel de belastingkamer zich hierover nog niet heeft uitgelaten, neem ik aan dat dit inmiddels ook geldt voor (ander) wilsafhankelijk materiaal dat binnen het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting valt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In zijn arrest van 27 juni 2001, nr. 35 889, overweegt de belastingkamer van de HR dat de weigering om de inspecteur de gevorderde inlichtingen te verstrekken, voor zover het de boeteoplegging betreft, wordt gerechtvaardigd door de waarborgen van het EVRM en IVBPR, in het bijzonder het Saunders-arrest.1 Een gevolg hiervan is dat voor zover een betrokkene, hoewel hij tot het afleggen van een verklaring kon worden verplicht, heeft geweigerd te verklaren, in het kader van de vaststelling en toetsing van een boete aan die weigering als zodanig geen voor hem nadelig gevolg mag worden verbonden. Hieruit volgt dat het Hof ’s-Hertogenbosch zijn oordeel met betrekking tot de omkering ex art. 29, lid 1 AWR (oud), voor wat betreft de boeteoplegging niet mocht betrekken dat belanghebbende had geweigerd een verklaring te geven voor contante stortingen op zijn bankrekening (zodat – voeg ik hieraan toe – de bewijslast voor de boeteoplegging op de inspecteur rust).
Voorgaande kan echter niet tot cassatie leiden, aldus de raad, omdat er andere gronden voor omkering zijn. Ten eerste zou art. 6, lid 1 EVRM gelet op het arrest Saunders, waarin het EHRM een onderscheid maakt tussen (bewijs)materiaal dat wel en dat niet zijn bestaan dankt aan de wil van de beschuldigde, niet eraan in de weg staan dat ook in het kader van de beoordeling van de boeteoplegging rekening wordt gehouden met de door de inspecteur ten behoeve van de vaststelling van de belastingschuld opgevraagde bescheiden, indien deze door belanghebbende zouden zijn verstrekt. Zodoende is er geen reden om aan de weigering om die bescheiden te verstrekken voor de boeteoplegging, niet het gevolg van omkering van de bewijslast te verbinden. Daarbij weegt de raad mee dat uit de uitspraak van het hof en de stukken van het geding niet blijkt dat de belanghebbende het bestaan ervan had ontkend.2 Ten tweede heeft het Hof ’s-Hertogenbosch – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat belanghebbende niet volledig had voldaan aan zijn (fiscale) administratieplicht. Dit oordeel draagt zelfstandig ’s hofs oordeel dat art. 29, lid 1 AWR (oud) van toepassing is. De raad herhaalt dat de omkering en verzwaring van de bewijslast als zodanig niet in strijd zijn met het EVRM of het IVBPR.3