Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.6
7.6 Natrekking
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401992:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 november 1991, NJ 1993, 316 (D É pex/Curatoren van Bergel), rov. 3.7.
Hijma 1992, p. 287-288 en Wichers 2002, p. 88.
A.S. Hartkamp in punt 12 van zijn conclusie voor HR 15 november 1991, NJ 1993, 316 (D É pex/Curatoren van Bergel), Hijma 1992, p. 290 en Heyman & Bartels 2012, nr. 27.
Fikkers 1999b, p. 179, Wichers 2002, p. 112, S.C.J.J. Kortmann, ‘Het nagetrokken grafteken’, AA 2003, p. 295-297, Heyman & Bartels 2012, nr. 40, Van der Plank 2016, p. 146-151 en Asser/Bartels & Van Velten 5 2017, nr. 85a.
Zie o.m. T.M., Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 120, Wichers 2002, p. 107, Heyman & Bartels 2012, nr. 54-57. Zie voor een alternatieve benadering Van der Plank 2016, p. 146-149.
Vgl. Van der Plank 2016, p. 147.
Het Oostenrijkse en Duitse recht daarentegen nemen veel minder snel natrekking aan. Zie voor Duitsland met voorbeelden Staudinger/Jickeli & Stieper 2012, § 94 BGB, Rn. 6 e.v. en – toegesneden op industriële installaties – B. Lotz, ‘Der Eigentumsvorbehalt im Baurecht, insbesonder im Anlagenvertrag’ BauR 2011, p. 590-596 en ten aanzien van het Oostenrijkse recht Klang/Kisslinger 2011, § 297 ABGB, Rn. 4-6.
Zie met vele verwijzingen Heyman & Bartels 2012, nr. 39 e.v.
Zie uitgebreid Verheul 2015a, p. 237-244. In gelijke zin A.J. Mes, H.D. Ploeger & B.A.M. Jansen, ‘Eigendom van roerende zaken, met name natrekking’, in: L.C.A. Verstappen (red.), Boek 5 BW van de toekomst, Den Haag: Sdu 2016, p. 162-166 die terecht opmerken dat het voorstel zou moeten gelden voor alle eigenaars.
O.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 72.
H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1997, p. 105-106 en Wichers 2002, p. 68.
Anders: Van der Plank 2016, p. 47, voetnoot 111.
S.C.J.J. Kortmann, ‘Het object van leasing’, in: J.J. van Hees, R.M. Hermans & S.C.J.J. Kortmann, Vermogensrechtelijke aspecten van leasing, Lelystad: Vermande 1997, p. 36, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 668 en Asser/Bartels & Van Velten 5 2017, nr. 249.
Zie voor een vergelijkbare regel in het BW van Aruba die ertoe strekt de financierbaarheid van de opwekking van alternatieve energie te bevorderen C. Bollen, ‘De aanvulling van het Burgerlijk Wetboek van Aruba’, NJB 2017, p. 1098.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 489 en Klang/Kisslinger 2011, § 294 ABGB, Rn. 22-23. Voor de Nederlandse hulpzaken ex art. 563 BW (oud) gold hetzelfde. Zie Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 72-73 en Wichers 2002, p. 55.
Zie de parlementaire geschiedenis zoals afgedrukt bij Klang/Kisslinger 2011, § 297a ABGB: ‘Zeugt der äuûere Tatbestand für die dauernde Zugehörigkeit der Maschine zu der Liegenschaft (…), so ist sie als Zugehör der Fabrik zu betrachten, namentlich zu gunsten der auf der Liegenschaft eingetragenen Hypotheken, trotz des etwaigen Eigentumsvorbehaltes des Lieferanten; dem soll jedoch dadurch und nur dadurch vorgebeugt werden können, dass jener Eigentumsvorbehalt öffentlich ersichtlich gemacht wird.’
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 490-491en Klang/Kisslinger 2011, § 297a ABGB, Rn. 3 en 25.
Schwimann & Kodek/Hofmann 2012, § 297a ABGB, Rn. 1 en KBB/Eccher & Riss 2017, § 297a ABGB, Rn. 2. Daarbij verdient opmerking dat het ontbreken van inschrijving van het eigendomsvoorbehoud slechts tot bescherming van de hypotheekhouder leidt, op het moment dat deze overgaat tot executie. Indien de verkoper voordien is overgegaan tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, kan dit niet met een beroep op § 297a ABGB worden verhinderd. De verkoper blijft dus eigenaar van de verkochte zaak, zij het dat hij dit op het moment van executie bij gebreke van een inschrijving niet kan tegenwerpen aan de hypotheekhouder. Zo kan op de bepaling geen beroep worden gedaan door de koper zelf. Zie Klang/ Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 491, Schwimann & Kodek/Hofmann 2012, § 297a ABGB, Rn. 11 en Klang/Kisslinger 2011, § 297a ABGB, Rn. 21.
Bijzondere aandacht verdient de ‘verbinding’ van een onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaak met een onroerende zaak. De regeling van bestanddeelvorming zal ten aanzien van de verbinding met een onroerende zaak niet gauw een bedreiging vormen voor het eigendomsrecht van de verkoper. Op grond van de in het arrest D É pex/Curatoren van Bergel geformuleerde aanwijzingen zal daarvan slechts sprake zijn indien de onroerende zaak als onvoltooid moet worden beschouwd of indien sprake is van constructieve afstemming tussen de zaken.1 Niet alleen moet bij de vraag of de onroerende zaak als onvoltooid moet worden beschouwd, geabstraheerd worden van het concrete gebruik en de concrete bestemming van de zaak, ook geldt voor de aanwijzing van de constructieve afstemming dat vereist is dat beide zaken in constructief opzicht op elkaar zijn afgestemd, terwijl deze afstemming bovendien specifiek moet zijn.2 Op grond daarvan zal slechts bij een beperkt aantal zaken van bestanddeelvorming sprake kunnen zijn. Ook uit artikel 3:254 BW kan worden afgeleid dat beoogd is dat machinerieën of werktuigen die bestemd zijn om daarmede een bedrijf in een bepaalde hiertoe ingerichte fabriek of werkplaats uit te oefenen als uitgangspunt roerende zaken blijven, omdat de wetgever ervan uitgaat dat op dergelijke zaken een pandrecht rust. Met deze terughoudende toets is onder meer beoogd al te snel rechtsverlies te voorkomen van de verkoper die een eigendomsvoorbehoud heeft bedongen ten aanzien van die zaak.3
Opmerkelijk is dat deze ratio dreigt te worden uitgehold door de ruime uitleg die wordt gegeven aan de natrekkingsregel van artikel 5:20 lid 1 BW.4 Ook als een zaak geen bestanddeel wordt van een onroerende zaak, verliest de verkoper zijn eigendomsrecht als de verkochte zaak een werk is dat duurzaam met de grond is verenigd, hetzij rechtstreeks hetzij door vereniging met andere werken of gebouwen. Voor de natrekking ex artikel 5:20 lid 1 BW is niet vereist dat de zaak tevens bestanddeel is in de zin van artikel 3:4 BW.5 Het komt slechts aan op de vraag of sprake is van een (indirecte) vereniging met de grond en of de zaak bestemd is duurzaam ter plaatse te blijven. Als gevolg daarvan is het denkbaar dat machines en andere zaken die zijn verenigd met een gebouw, géén bestanddeel zijn van dat gebouw, maar desalniettemin op grond van de werking van artikel 5:20 lid 1 BW aan de eigenaar van de grond toebehoren.6 Deze paradox is een gevolg van de ruime of soepele invulling die de Hoge Raad aan artikel 5:20 lid 1 BW heeft gegeven.7
De consequenties daarvan zijn onbevredigend.8 Hierdoor leidt de toepassing van artikel 5:20 lid 1 BW tot een doorkruising van artikel 3:4 BW, terwijl daaraan bij de verbinding met onroerende zaken onder meer de gedachte ten grondslag ligt dat de verkoper zijn eigendomsrecht niet te snel moet verliezen. Tegen deze achtergrond en gelet op het feit dat niet aannemelijk is dat de Hoge Raad van zijn rechtspraak zal terugkomen, zou ik ervoor willen pleiten de bescherming van de verkoper op andere wijze vorm te geven door hem de mogelijkheid te bieden om door inschrijving van het eigendomsvoorbehoud te voorkomen dat de verkochte zaak direct door natrekking aan de eigenaar van de grond gaat toebehoren.9 Daartoe zou kunnen worden teruggegrepen op het door Meijers voorgestelde artikel 3.1.1.3 lid 3 OM, maar dan niet zozeer als uitzondering op artikel 3:4 BW maar op de natrekkingsregel van artikel 5:20 lid 1 BW, aangezien de problemen zich in de praktijk daar manifesteren. Artikel 3.1.1.3 lid 3 luidde oorspronkelijk:
‘De verkoper van een roerende zaak, die zich bij akte ondanks de levering de eigendom heeft voorbehouden totdat de koopprijs volledig is voldaan, kan, door de akte in de openbare registers te doen inschrijven, voorkomen dat de verkochte zaak vóór de betaling tot een bestanddeel van een bepaalde onroerende zaak wordt gemaakt.’10
Aldus zou kunnen worden voorkomen dat (de waarde van) de verkochte zaak toekomt aan de koper en diens schuldeisers, waarbij in het bijzonder aan de hypotheekhouder is te denken. Zij worden door de inschrijving van het eigendomsvoorbehoud niet benadeeld, omdat zij zich bij gebreke van de prestatie van de verkoper evenmin op de zaak zouden kunnen verhalen, terwijl zich niet goed laat rechtvaardigen waarom de overige schuldeisers ten koste van de verkoper zouden moeten profiteren van deze ruime werking van artikel 5:20 lid 1 BW.
Daarbij moet bedacht worden dat de in de vorige paragraaf genoemde bezwaren tegen het handhaven van eigendomsrechten op zaaksdelen niet gelden voor het handhaven van het eigendomsrecht op de zaak, waarvan de koper anders door natrekking eigenaar zou worden. De eenheid tussen de grond en de nagetrokken zaak is van geheel andere orde dan de eenheid tussen hoofdzaak en bestanddeel bij roerende zaken.11 Dat blijkt onder meer uit de omstandigheid dat de wet sowieso reeds de mogelijkheid biedt om de zaken die door de werking van artikel 5:20 lid 1 BW onroerend worden te verzelfstandigen door middel van de vestiging van een opstalrecht. Voor de verkoper is dat echter geen adequate remedie tegen de werking van de natrekkingsregel.12 Niet alleen beschermt de vestiging van het opstalrecht niet tegen een eerder gevestigd hypotheekrecht, ook zullen de kosten en moeite van de vestiging van het opstalrecht in de praktijk een (te) hoge drempel opwerpen.13 Een met artikel 3.1.1.3 lid 3 OM vergelijkbare bepaling die de natrekking opschort gedurende een zekere periode, zou kunnen bewerkstelligen dat het eigendomsrecht van de verkoper bestendig is tegen de werking van de natrekkingsregel. Aldus zou de bepaling stimulerende werking kunnen hebben voor de financiering van de aanschaf van zaken die (indirect) worden verenigd met de grond en die bestemd zijn om duurzaam de bedrijfsuitoefening van de koper te dienen.14
Een soortgelijke bepaling, zij het uitsluitend ten aanzien van machines, kent het Oostenrijkse recht in § 297a ABGB, zij het dat die bepaling een iets andere strekking heeft. Door inschrijving van het feit dat een ander dan de eigenaar van de onroerende zaak eigenaar is van de desbetreffende machine, kan worden voorkomen dat de machine hulpzaak wordt van de onroerende zaak. De bepaling is daarmee enigszins opmerkelijk, omdat reeds ten tijde van de invoering van de bepaling werd aangenomen dat machines niet alleen geen bestanddeel worden van een gebouw, maar evenmin als hulpzaken (Zubehör) hebben te gelden, omdat voor hulpzaakvorming vereist is dat de eigenaar van de onroerende zaak ook eigenaar is van de roerende zaak die bestemd is om de onroerende zaak duurzaam te dienen (zgn. Eigentümeridentität).15 De bepaling lijkt er dan ook met name toe te strekken de hypotheekhouder te beschermen, omdat het al dan niet aanwezig zijn van Eigentümeridentität niet kan worden waargenomen. De bepaling moet dan ook aldus worden verstaan dat ondanks het ontbreken van Eigentümeridentität toch sprake is van hulpzaakvorming, wanneer het eigendomsvoorbehoud niet is ingeschreven.16 In de literatuur wordt opgemerkt dat de bepaling daarmee uiteindelijk ook de verkoper van de machine beschermt,17 omdat hij door inschrijving van het eigendomsvoorbehoud kan voorkomen dat zijn eigendomsrecht niet kan worden tegengeworpen aan de hypotheekhouder.18