Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid: wenselijk?
Einde inhoudsopgave
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/3.11.9:3.11.9 Aansprakelijkheid van bestuurders en vermogensonttrekkingen
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/3.11.9
3.11.9 Aansprakelijkheid van bestuurders en vermogensonttrekkingen
Documentgegevens:
mr.drs. I.S. Wuisman, datum 13-01-2011
- Datum
13-01-2011
- Auteur
mr.drs. I.S. Wuisman
- JCDI
JCDI:ADS397904:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 mei 1997, NJ 1997, 663 (HCT Engineering).
HR 16 september 2005, NJ 2006, 311 (De Bont/Bannenberg q.q.).
HR 6 februari 2004, JOR 2004, 67 (Reinders Didam Beheer/Gunning q.q.).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de aansprakelijkheid in wrongful trading situaties kunnen bestuurders ook aansprakelijkheid riskeren indien bepaalde handelingen gekenmerkt kunnen worden als een vermogensonttrekking. Dit kan het geval zijn bij dividenduitkeringen, maar bijvoorbeeld ook bij selectieve betalingen aan bepaalde schuldeisers, waardoor de andere schuldeisers worden benadeeld of wanneer activa tegen een lagere waarde dan de werkelijke waarde worden verkocht. In het Van Essen q.q./Aalbrecht en Looman-arrest (ook wel het HCT Engineering-arrest genoemd) werden bestuurders van HCT Engineering BV aansprakelijk gesteld uit hoofde van onrechtmatige daad omdat zij net voor het faillissement van de vennootschap een selectieve betaling hadden verricht door een schuld aan een groepsmaatschappij te voldoen.1 Hierdoor werden de andere schuldeisers die niet tot de groep behoorden benadeeld. In het arrest de Bont/ Bannenberg q.q. oordeelde de Hoge Raad over de benadeling van schuldeisers.2 De Bont, bestuurder en enig-aandeelhouder van Installogic BV, stelde zich borg voor een krediet van Installogic. Deze vennootschap bevond zich in zwaar weer en de Bont besloot om het nog overgebleven vermogen te gebruiken om het krediet af te lossen, en niet de andere schuldeisers. Hierdoor zou hij verlost worden van de borg. Een dergelijke aflossing zou gezien kunnen worden als een selectieve betaling. In het arrest Reinders werkte een bestuurder mee aan een uitkering die naar de regels van het vennootschapsrecht (toepassing van de balanstest) geoorloofd was, maar die wel een aanzienlijke beperking in de liquiditeitspositie van de vennootschap opleverde en de solvabiliteit sterk verminderde. De vennootschap ging na de uitkering failliet. De bestuurder was, ondanks dat de uitkering conform de wettelijke balanstest was verricht, aansprakelijk wegens het meewerken aan een onverantwoorde dividenduitkering die aanleiding was voor het einde van de vennootschap. De bestuurder werd in dit arrest echter niet uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk geacht, maar op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur uit hoofde van artikel 2:248 BW.3