De prioriteitsregel in het vermogensrecht
Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/5.2.2:5.2.2 Prioriteit vloeit voort uit het systeem
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/5.2.2
5.2.2 Prioriteit vloeit voort uit het systeem
Documentgegevens:
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS390661:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Mugdan I, p. 505.
Mugdan III, p. 124. De opvatting dat de prioriteitsregel een gevolgtrekking is van de nemo-plusregel wordt in de literatuur breed gedragen. Zie MünchKomm/Kohler § 879 Rn 17 en Wilhelm 2016, p. 300.
Mugdan III, p. 125.
Zie voor de wettekst van de betreffende § 1151 van het eerste ontwerp Mugdan III, p. LXXX.
Mugdan III, p. 918.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voortbordurend op het strikte onderscheid tussen Sachenrecht en Schuldrecht merkte de wetgever over de verhouding tussen zakelijke rechten onderling het volgende op:
‘An der hand der Rechtslogik ergiebt sich unter anderem dass […], weil Niemand mehr Recht übertragen kann, als er hat, das frühere an einer Sache bestellte Recht dem später bestellten Rechte vorgeht.’1
De wetgevingscommissie beschouwde de prioriteitsregel als een vanzelfsprekende rechtsregel die kan worden gezien als een logische consequentie van de nemo-plusregel. Het vestigen van een beperkt recht wordt begrepen als een Veräusserung im weiteren Sinne en wordt dus geconstrueerd als een overdracht van een deel (van de bevoegdheden van) het eigendomsrecht.2 Na de vestiging van een beperkt recht kan de eigenaar nog slechts onder de eerbiediging van dat recht over zijn eigendomsrecht beschikken.3
De prioriteitsregel behoefde dan ook niet uitdrukkelijk te worden gecodificeerd, hetgeen te meer blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van § 1209 BGB. De betreffende paragraaf handelt over het ontstaansmoment van pandrechten die zijn gevestigd op voorwaardelijke of toekomstige vorderingen.4 Waar de commissie van het eerste ontwerp in het kader van meerdere pandrechten op dezelfde roerende zaak nog uitdrukkelijk opnam dat het oudere voor het jongere pandrecht gaat –
‘bestehen mehrere Pfandrechte an derselben Sache, so geht das der Begründigung nach ältere Pfandrecht dem jungere vor’5
– achtte de tweede commissie deze uitdrukkelijke codificatie van de prioriteitsregel overbodig omdat hierdoor het misverstand zou kunnen ontstaan dat de prioriteit alleen betrekking heeft op pandrechten en niet op alle overige zakelijke rechten.6