Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.13.2
5.13.2 Feiten waarvoor vergeving mogelijk is
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859151:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Casman 2013, p. 22.
Vgl. Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 17.
Vandenbogaerde, TPR 2021, p. 608. Vandenbogaerde gaat nog in op de situatie dat het slachtoffer vergeeft en nadien de verzwarende omstandigheid intreedt inhoudende dat het slachtoffer alsnog overlijdt, p. 608 e.v.
Willems & Taillieu, T.Not. 2013, nr. 10, p. 524.
Vgl. ook Vandenbogaerde, TPR 2021, p. 636 en Willems & Taillieu, T.Not. 2013, nr. 10, p. 524-525.
Barbaix 2018, p. 430, Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1164, Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 18 en Willems & Taillieu, T.Not. 2013, nr. 10, p. 524. Vgl. ook Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 17. Zie hierover ook par. 5.11.5.
Artikel 4.7 BBW opent de mogelijkheid van vergeving voor de strafbare feiten uit artikel 4.6 § 1, 3° BBW. Dit betreffen feiten die niet automatisch tot onwaardigheid leiden alsmede niet de dood van de erflater tot gevolg hebben. Heeft de strafrechter voor het plegen van een dergelijk feit als bijkomende civiele sanctie de onwaardigheid uitgesproken, dan is van onwaardigheid niet langer sprake als het slachtoffer de dader heeft vergeven.
De beperking in de feiten waarvoor vergeving openstaat, is ingegeven vanuit het idee dat vergeving niet nuttig is als de erflater door de misdraging overlijdt.1 Artikel 4.6 § 1, 1 en 2° BBW, dat ziet op feiten die de dood tot gevolg hebben, omvat echter ook de poging tot het plegen van een dergelijk delict. Blijft het bij een poging en overlijdt het slachtoffer dus niet, dan gaat het argument niet op dat vergeving niet nuttig is. Desalniettemin is vergeving hier op grond van de wet niet mogelijk.2 Volgens Vandenbogaerde achtte de wetgever vermoedelijk de gedragingen uit artikel 4.6 § 1, 1° en 2° BBW zodanig onbetamelijk dat zelfs indien de erflater niet overlijdt, het uitgesloten is dat de onwaardige kan worden vergeven. Dergelijk gedrag is maatschappelijk of juridisch gezien onvergefelijk of wordt dit geacht te zijn.3 Willems & Taillieu hebben de indruk dat er door de wetgever te weinig aandacht is besteed aan de situatie dat enkel sprake is van een poging en het slachtoffer de gedraging dus overleeft.4 Vanuit de autonomie van de erflater bezien om zelf te beschikken over zijn nalatenschap, bestaat er naar mijn mening geen goede rechtvaardiging om vergeving in dit geval categorisch uit te sluiten.5
Voor feiten waarvoor vergeving is uitgesloten, staat het de erflater vrij (mits hij niet is overleden door de gedraging) de onwaardige bij testament te bevoordelen. De onwaardigheid vervalt daarmee echter niet.6