Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.3.4.e:5.3.3.4.e Uitstel van betaling voor verkrijgers van onderbedelingsvorderingen op verkrijgers van ondernemingsvermogen
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.3.4.e
5.3.3.4.e Uitstel van betaling voor verkrijgers van onderbedelingsvorderingen op verkrijgers van ondernemingsvermogen
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS351615:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In paragraaf 5.3.3.3.e is nog de vergelijking gemaakt tussen verkrijgers van een onderbedelingsvordering en verkrijgers van ander vermogen (niet zijnde ondernemingsvermogen). Ik beschouw verkrijgers van onderbedelingsvermogen als verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen. Verkrijgers van onderbedelingsvorderingen en verkrijgers van ander vermogen zullen in deze optiek nooit ongelijke gevallen zijn. Deze analyse hoeft dan ook in deze paragraaf niet te worden gemaakt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf staan centraal verkrijgers die een onderbedelingsvordering krijgen op een een medeverkrijger betrekking hebbend op door deze persoon verkregen ondernemingsvermogen (art. 25, dertiende lid, IW 1990). In deze paragraaf is het uitgangspunt dat verkrijgers van een onderbedelingsvordering en verkrijgers van ondernemingsvermogen als ongelijke gevallen zijn aan te merken.1
In paragraaf 5.3.3.4.c heb ik ten aanzien van de vergelijking tussen verkrijgers van ondernemingsvermogen en verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen het standpunt ingenomen dat sprake is van een overduidelijke onevenredige ongelijke behandeling van ongelijke gevallen. Onder verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen versta ik, zoals al eerder aan de orde is geweest, ook verkrijgers van onderbedelingsvorderingen. Zou de conclusie hier dan hetzelfde moeten zijn? De nuancering die hier evenwel gemaakt moet worden is dat verkrijgers van onderbedelingsvorderingen ook een faciliteit hebben gekregen. Zij kunnen immers verzoeken om rentedragend uitstel van betaling. Is er dan in deze situatie nog sprake van een overduidelijke onevenredige ongelijke behandeling? Naar mijn mening moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Het verschil tussen het bieden van een voorwaardelijke vrijstellingsfaciliteit en het bieden van rentedragend uitstel van betaling is te groot.