Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.5.8
9.5.8 Synthese rechtspraak
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS378199:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies 1989/21, p. 10.
Zie § 6.4.3 voor de Landis maatstaf.
Zie § 2.3.
Zo ook Bartman/Dorrestijn/Olaerts, Van het concern (2016), p. 292. Anders: Geerts (2006), p. 13.
Uit art. 2:24b BW volgen de kernelementen economische eenheid en organisatorisch verband. Uit de wetsgeschiedenis volgt het derde element ‘centrale leiding’, zie Kamerstukken II 1979/ 1980, 16 326, nr. 3 (MvT), 42 en Kamerstukken II 1987/1988, 19 813, nr. 5 (MvA), p. 4. Ook de Hoge Raad overweegt dat “uit de wetsgeschiedenis naar voren komt dat optreden onder gezamenlijke leiding kenmerkd is voor de aanwezigheid van een groep (…)”, zie HR 18 november 2011, LJN BQ2860, r.o. 3.4.1.
Aldus Bartman/Dorrestijn/Olaerts, Van het concern (2016), p. 292.
Uit de rechtspraak distilleer ik twee situaties waarin sprake kan zijn van een concernrechtelijke uitleg van de enquêtebevoegdheid van een vakbond.
In de eerste situatie gaat het om het gezamenlijk drijven van een onderneming. Indien de rechtspersoon in wiens onderneming de vakbondsleden werkzaam zijn een onderneming in stand houdt met andere rechtspersonen, dan is de vakbond bij elk van die rechtspersonen enquêtebevoegd. Er is dan immers voldaan aan het vereiste van art. 2:347 BW dat de vakbond in de onderneming werkzame personen onder haar leden telt. Onder onderneming in enquêteverband is eenvoudig te verstaan de onderneming die de rechtspersoon of rechtspersonen, naar wiens beleid de enquête wordt verzocht, in stand houdt. Van belang hierbij is dat het begrip ‘onderneming’ in enquêterechtelijke zin niet noodzakelijk samenvalt met begrip onderneming zoals bedoeld in art. 1 onder c WOR. Een belangrijk verschil is dat de WOR vereist dat sprake is van een arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling. In het enquêterecht is niet van belang op grond van welke overeenkomst de vakbondsleden werkzaam zijn in de onderneming van de te onderzoeken rechtspersoon en evenmin met wie de overeenkomst is gesloten. De figuur van het gezamenlijk drijven van een onderneming binnen concernverband kan zich met name voordoen wanneer sprake is van een vergaande financieel/organisatorische integratie van de betrokken concerngenoten.1
In het kader van het gezamenlijk drijven van een onderneming is de Janssen Pers- beschikking relevant. In deze zaak stelt de OK vast dat de betrokken rechtspersonen feitelijk één onderneming vormen waarvoor een gemeenschappelijke ondernemingsraad is ingesteld. De enquêtebevoegdheid van de vakbond die leden telt onder het in die onderneming werkzame personeel is daarmee gegeven. Deze uitkomst sluit aan bij de WOR. Ondernemingen waarvoor een gemeenschappelijke ondernemingsraad is ingesteld, worden voor de toepassing van de WOR beschouwd als één onderneming (art. 3 lid 3 WOR). Een redelijke wetsuitleg brengt mijns inziens mee dat die conclusie ook geldt voor het gezamenlijk drijven van een onderneming in de zin van het enquêterecht. Dit betekent dat als de OK in een concrete zaak vaststelt dat er voor de ondernemingen van de te onderzoeken rechtspersonen een gemeenschappelijke ondernemingsraad is ingesteld, de vakbond die leden telt onder het in die onderneming werkzame personeel de enquêtebevoegd toekomt bij alle betrokken rechtspersonen.
In de tweede situatie gaat het om de invloed die de moedervennootschap uitoefent op het gewraakte beleid bij de dochtervennootschap. In IIsselwerf en Esteves oordeelt de OK dat de moedervennootschap het gewraakte beleid van de dochtervennootschap geheel of in belangrijke mate bepaalt. In PCM en Meavita stelt de OK dit niet met zoveel woorden vast. Deze benadering van de OK brengt mee dat voor opwaartse concernenquêtes van vakbonden minder zware vereisten gelden dan voor neerwaartse enquêtes van aandeelhouders. Gelet op de wetsgeschiedenis en de gelijkstelling van kapitaalverschaffers en werknemers door de Hoge Raad in Landis, zie ik geen rechtvaardiging voor dat verschil. Een opwaartse concernenquête op verzoek van een vakbond zou mijns inziens niet ‘gemakkelijker’ toewijsbaar moeten zijn dan een neerwaartse concernenquête op verzoek van een kapitaalverschaffer. Dat is onder de huidige rechtspraak wel het geval. Voor opwaartse concernenquêtes van vakbonden dient derhalve de omgekeerde Landis-maatstaf gelden: moedervennootschap en dochtervennootschap moeten zodanig verweven zijn dat binnen de dochtervennootschap zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid ten opzichte van de moedervennootschap ontbreekt. Bepaalt de moedervennootschap het gewraakte beleid van haar dochtervennootschap volledig zodat een zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid bij die dochtervennootschap ontbreekt, dan raakt het beleid en de gang van zaken van de moedervennootschap de belangen van de werknemers bij de dochtervennootschap daardoor evenzeer en op gelijke wijze als het beleid van de dochtervennootschap zelf.2 Het beleid van de moedervennootschap en dochtervennootschap is immers een en hetzelfde. Onder deze omstandigheden zijn de moedervennootschap en dochtervennootschap zodanig met elkaar verweven dat geen sprake meer is van gescheiden situaties en kan worden aangenomen dat de moedervennootschap de onderneming van de dochtervennootschap mede in stand houdt. De strekking van het enquêterecht brengt mijns inziens dan mee dat een vakbond wiens leden werkzaam zijn in de dochtervennootschap (mede) bevoegd is tot het indienen van een enquêteverzoek bij de moedervennootschap. Het enquêterecht strekt ertoe de werknemers te beschermen met het bevorderen van de beginselen van behoorlijk ondernemerschap. Die bescherming van de werknemers, als strekking van het enquêterecht, komt hier tot uiting in aspecten als openheid, sanering, vaststelling van de verantwoordelijkheid voor het mogelijk blijkend wanbeleid en preventie op het niveau van de dochtervennootschap zelf en de moedervennootschap.3
De aanwezigheid van een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding en/of een (vrijwel volledige) personele unie in de onderscheiden besturen kunnen belangrijke indicatoren zijn voor een concernenquête. Groepsverbondenheid in de zin van art. 2:24b BW alleen is volgens mij niet zonder meer voldoende voor een concernenquête.4 De daadwerkelijke uitoefening van centrale leiding, die van belang is voor de economische eenheid en het organisatorisch verband,5 dient zodanig te zijn dat de moedervennootschap het gewraakte beleid bij de dochtervennootschap bepaalt. De Landis-beschikking van de Hoge Raad leert immers dat de relatie tussen de moedervennootschap en de dochtervennootschap(pen) dermate hecht moet zijn dat er geen beleidsvrijheid voor de dochter(s) resteert. Andere omstandigheden die daarop kunnen wijzen zijn een statutair bestuurderschap van de moedervennootschap of ingrijpende besluiten die rechtstreeks voortvloeien uit het groepsbeleid.6
Voor de OK is ten aanzien van bovengenoemde voorwaarden een belangrijke taak weggelegd. Zij moet duidelijk motiveren waarom zij een concernonderzoek toewijst. Die motivering is niet altijd aanwezig, zoals in PCM en Meavita.