Instellingen voor collectieve belegging in effecten
Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/5.1:5.1 Inleiding
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/5.1
5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. J.E. de Klerk , datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS194351:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2 lid 1 sub b en art. 2 lid 2 en Bijlage II Icbe-Richtlijn.
Art. 6 lid 1 Icbe-Richtlijn.
Art. 2 lid 1 sub c Icbe-Richtlijn en art. 7 lid 1 sub d Icbe-Richtlijn. Het hoofdkantoor moet in dezelfde lidstaat gevestigd zijn als de statutaire zetel van de beheerder.
Art. 7 lid 1 en 2 en art. 8 lid 1 Icbe-Richtlijn.
Central Bank of Ireland, Fund Management Companies – guidance, december 2016 en CSSF circular 18/698.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meeste bepalingen uit de Icbe-Richtlijn zijn gericht tot de beheerder. Het beheer van icbe’s is de belangrijkste taak van de beheerder. Onder dit beheer valt het beheer van beleggingen, en de verhandeling en administratie ervan.1 Daarnaast mag een lidstaat toestaan dat een beheerder ook enkele beleggingsdiensten verricht. Een beheerder mag pas werkzaamheden uitvoeren nadat hij een vergunning heeft ontvangen.2 De toezichthouder van de lidstaat van herkomst van beheerder is bevoegd de vergunning te verlenen. Dit is de lidstaat waarin de beheerder zijn statutaire zetel en hoofdkantoor heeft.3 In de Richtlijn zijn minimumvereisten opgenomen waaraan een beheerder moet voldoen om een vergunning te ontvangen.4 De lidstaat van herkomst mag aanvullende verplichtingen opleggen. Nadat de vergunning is verleend, zijn er doorlopende vereisten waaraan de beheerder moet voldoen.
In dit hoofdstuk worden de bepalingen beschreven die betrekking hebben op de beheerder. De bepalingen uit de Icbe-Richtlijn zijn vergeleken met vergelijkbare bepalingen uit de AIFM-Richtlijn en MiFID II en met de IOSCO-papers. In dit hoofdstuk is een vergelijking gemaakt met de volgende IOSCO-papers:
Open-ended Fund Liquidity and Risk Management – Good Practices and Issues for Consideration, FR02/2018;
Recommendations for Liquidity Risk Management for Collective Investment Schemes, FR01/2018;
Good Practice for Fees and Expenses of Collective Investment Schemes, FR09/16;
Principles on Suspensions of Redemptions in Collective Investment Schemes, FR02/12;
Delegation of Functions (2000);
Conflicts of Interests of CIS Operators (2000).
Van opvallende verschillen en omissies wordt melding gemaakt. Voorts zijn wederom de nationale implementaties in Nederland, Ierland en Luxemburg met elkaar vergeleken. In Luxemburg en Ierland heeft de toezichthouder lijvige documenten opgesteld met bepalingen waaraan beheerders zich dienen te houden.5 Deze bepalingen zijn veelal een gedetailleerde uitwerking van hetgeen in de wet of Richtlijn is bepaald. Het is niet interessant om de bepalingen uit deze documenten nauwgezet op te nemen in dit proefschrift. Pas als de bepalingen leiden tot materiële verschillen, heb ik ze opgenomen.
Dit hoofdstuk heeft de volgende opbouw. Eerst wordt ingegaan op de eisen aan de vergunningverlening en vervolgens op de bevoegdheden van de beheerder. In de vierde paragraaf zijn de inrichtings- en prudentiële eisen beschreven en in de vijfde paragraaf de gedragsvereisten. Paragraaf 6 betreft het Europese paspoort van de beheerder. Het hoofdstuk eindigt met een korte conclusie waarin de hoofdvragen van dit onderzoek aan bod komen.