Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.1
9.3.1 Betekenis van de onschuldpresumptie voor de bewijslastverdeling
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940506:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11.3. De Hoge Raad staat nog steeds achter deze overweging, zoals blijkt uit de verwijzing in HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.2 (naar de gelijkluidende overweging uit HR 15 april 2011, BNB 2011/206, NTFR 2011/945, r.o. 4.8.3).
EHRM 6 december 1988 (Barberà, Messegué en Jabardo), nr. 10590/83, Publ. Ser. A 146, NJCM-Bulletin 1989, p. 90, par. 77.
Zie Feteris 2002, p. 360, alsmede de literatuurverwijzing in noot 14.
EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku), nr. 10519/83, NJ 1991, 351, FED 1990/420, par. 28.
Zie EHRM 4 maart 2014 (Grande Stevens), nr. 18640/10, par. 159 en EHRM 13 december 2011 (Ajdarić), nr. 20883/09, par. 35, en de verwijzingen aldaar.
Anders: Koopman 1996, p. 182, die de laatstgenoemde plicht op één lijn stelt met de stelplicht.
Idem: Koopman 1996, p. 183.
Vgl. EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku), nr. 10519/83, NJ 1991, 351, FED 1990/420, par. 27.
In dezelfde zin: Koopman 1996, p. 183.
Zie paragraaf 6.1, paragraaf 6.2.1 en paragraaf 6.3.1. Dat de Hoge Raad deze elementen ook uitdrukkelijk onderscheidt, is onder meer terug te vinden in HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207 (zie de gebruikte kopjes en r.o. 3.5.4 en r.o. 3.8.5). Ook onder het oude boeterecht gold dit reeds, zie Scheltens in zijn noot bij HR 23 maart 1988, BNB 1988/274.
Zie daarover nader paragraaf 6.2 en paragraaf 6.3.
Zie daarover nader paragraaf 6.4.
Zie daarover nader paragraaf 6.5.
HR 15 juli 1988, BNB 1988/270 (behandeld in paragraaf 3.5.4.2) en HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.2 (behandeld in paragraaf 13.3.3.2 en verder). In dezelfde zin: Den Boer, Koopman & Wattel 1999, p. 572 en Haas & Jansen 2015.
Zie hierover ook Koopman 1996, par. 6.7.2 en Feteris 2002, p. 364.
Zie paragraaf 3.5.4.2. Het Nederlandse nationale bewijsrecht kent op dit punt geen bijzondere regels voor wat betreft de boeteoplegging, aldus ook Feteris 2007, p. 307.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2017, V-N 2017/60.3, r.o. 4.16.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 22 januari 2016, V-N 2016/9.6, m.n. r.o. 5.7 en Hof ’s-Hertogenbosch 12 december 2014, V-N 2015/15.14, r.o. 4.50. Zie ook paragraaf 12.4.1.2.
In paragraaf 12.4.1.3 en paragraaf 15.5.2 kom ik hierop terug. Zie over de term ‘ambtshalve toetsingsplicht’ paragraaf 9.4.1.3.
Feteris 2007, p. 317 en Feteris 2002, p. 361.
Aldus ook: Koopman 1996, p. 184, en Feteris 2002, p. 361, zij het dat zij zich niet bedienen van de door mij gehanteerde terminologie. Zie voorts Bemelmans 2018, par. V.5, die op onderdelen (bijvoorbeeld ten aanzien van strafuitsluitingsgronden) wel betekenis toekent aan de onschuldpresumptie.
EHRM 1 maart 2007 (Geerings), nr. 30810/03, NJ 2007, 349, par. 43, EHRM 8 juni 1976 (Engel), nrs. 5100/71, 5101/71, 5102/71, 5354/72 en 5370/72, NJ 1978, 223, par. 90. Zie voorts Feteris 2007, p. 317, De Blieck e.a. 2004, p. 337, Bemelmans 2018, par. V.3.3.4 en Feteris 2002, p. 361. Voorts verwijs ik naar paragraaf 9.4.17.
Zie paragraaf 7.3.4.3 voor wat betreft de sfeer van de heffing.
Zie Rb Gelderland 24 december 2015, V-N 2016/18.9 en Hof Amsterdam 10 augustus 2021, V-N 2021/44.18.13.
Zie daaromtrent paragraaf 9.4.15.
HR 21 januari 2022, V-N 2022/6.14, r.o. 3.1.
De Hoge Raad grijpt voor de bewijspositie van partijen bij de fiscale bestuurlijke boete rechtstreeks terug op art. 6 EVRM:
‘Bij de beantwoording van de vraag of de inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit heeft geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die een belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM. Die waarborgen houden onder meer in dat de bewijslast op de inspecteur rust en de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund (…)’.1
De Hoge Raad refereert hier rechtstreeks aan de zaak Barberà, Messegué en Jabardo, waarin het EHRM het uitgangspunt dat de bewijslast bij een criminal charge altijd op de vervolgende autoriteit rust, duidelijk verwoordde:
‘Paragraph 2 (art. 6-2) embodies the principle of the presumption of innocence. It requires, inter alia, that when carrying out their duties, the members of a court should not start with the preconceived idea that the accused has committed the offence charged; the burden of proof is on the prosecution, and any doubt should benefit the accused. It also follows that it is for the prosecution (…) to adduce evidence sufficient to convict him.’2
De achtergrond van deze regel is dat de overheid door het opleggen van een straf dermate diep ingrijpt in het leven van de burger, dat zij daartoe slechts mag overgaan wanneer zij de aanleiding voor die ingreep ook deugdelijk kan onderbouwen.3 De onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM houdt in, dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.4 Het EHRM legt de onschuldpresumptie verdragsautonoom uit.5
Zoals uit de bovengenoemde overweging (die intussen vaste jurisprudentie van het EHRM is geworden6) blijkt, rust zowel de last om te bewijzen (the burden of proof) als de plicht om bewijs bij te brengen (to adduce evidence) op de vervolgende instantie.7 Voorts wordt duidelijk dat de onschuldpresumptie ziet op de vraag of ‘the accused has committed the offence charged’: heeft de boeteling het hem ‘tenlastegelegde’ beboetbare feit inderdaad begaan?8 De (delicts)omschrijving van het beboetbare feit bepaalt derhalve welke elementen (‘constituent elements’9) de vervolgende instantie zal moeten bewijzen.10
De onschuldpresumptie en de daaruit voortvloeiende bewijslastverdeling gelden aldus voor de centrale stellingen, oftewel de elementen van het beboetbare feit of ook wel de bestanddelen van de delictsomschrijving. De verschillende te bewijzen elementen heb ik in hoofdstuk 6 per beboetbaar feit uiteengezet en toegelicht. Kort gezegd gaat het om drie aspecten:11
Het kale beboetbare feit (de feitelijke gedraging, het handelen of nalaten);12
De schuldgradatie (de mate van verwijtbaarheid);13
De kwaliteit (de hoedanigheid van de boeteling).14
Voor de centrale stellingen geldt dat de stelplicht en bewijslast volledig op de inspecteur rust en alle bestanddelen van het beboetbare feit omvat.15 In de huidige fiscale bestuurlijke boetebepalingen zoals die bij de herziening van 1998 zijn ingevoerd, is deze bewijslastverdeling niet expliciet opgenomen. De formulering van de bepalingen is neutraal. Wel heeft de wetgever duidelijk toegelicht dat de bewijslastverdeling zoals deze op grond van het EVRM heeft te gelden, nadrukkelijk is overgenomen.16 Niettemin moet deze ook nu nog worden afgeleid uit het verdragsrecht van het EVRM.17
De onschuldpresumptie houdt nadrukkelijk in, dat het voordeel van de twijfel altijd aan de boeteling moet toekomen.18 Dat heeft naar mijn mening onder meer gevolgen voor de stelplicht van de inspecteur. Het enkele stellen is ten aanzien van de centrale stellingen niet voldoende, ook niet als daarbij een begin van bewijs wordt aangedragen. De inspecteur moet het positieve bewijs leveren, aan de hand van specifiek op de boeteling toegesneden concrete feiten en omstandigheden.19 De rechter heeft bovendien een ambtshalve toetsingsplicht: hij moet steeds nagaan of het dossier voldoende bewijs bevat voor de centrale stellingen, ook al heeft de boeteling daarover geen standpunt ingenomen.20
Van belang is dat de onschuldpresumptie alleen betrekking heeft op de vraag of het beboetbare feit als zodanig is begaan,21 maar niet doorwerkt naar de perifere stellingen22 en ook niet naar de strafmaat.23 Dat betekent dat het ook in de boetesfeer mogelijk is dat de bewijslast ter zake van dezelfde feitelijkheid op de inspecteur dan wel op de boeteling kan rusten.24 Te denken valt aan de vraag of er uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte. De boeteling kan verleend uitstel aanvoeren als (tegen)bewijs tegen de centrale stelling van de inspecteur dat hij te laat aangifte heeft gedaan,25 terwijl de inspecteur het verleende uitstel in stelling kan brengen als (tegen)bewijs gericht tegen een beroep van de boeteling op verjaring26 (een perifere stelling). Verder is het goed om op te merken dat de onschuldpresumptie niet de invordering van fiscale bestuurlijke boetes verhindert, ook niet als die boetes nog niet onherroepelijk vaststaan.27
In het vervolg van deze paragraaf ga ik afzonderlijk in op de drie aspecten van de centrale stellingen. In paragraaf 9.3.2 ga ik nader in op de schuldgradatie. Het kale beboetbare feit komt aan de orde in paragraaf 9.3.3. Het kwaliteitsvereiste behandel ik in paragraaf 9.3.4. Ten slotte geef ik in paragraaf 9.3.5 mijn belangrijkste conclusies weer.