Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.4.4.1
5.4.4.1 Inleiding
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655722:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 december 1931, NJ 1932/161, m.nt. P. Scholten (Aeilkema/Hooite Meursing e.a.).
Hof ’s-Gravenhage 29 juni 2004, JOR 2004/298, m.nt. Th.A.L. Kliebisch (Nederlandsche Trustmaatschappij B.V. en Ingenieursbureau Thunnissen B.V./Stichting OFASEC B.V. e.a.).
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.).
Rb. Amsterdam 28 oktober 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:7495, JOR 2015/330, m.nt. U.B. Verboom (VEB en Stichting VEB-Actie Landis/Kuiken en Bus).
HR 3 februari 1927, NJ 1927/636 (Ligterink/Oss e.a.). Overigens ging het in deze zaak niet om beleggers die naar aanleiding van misleidende positieve berichtgeving hun aandelen tegen een kunstmatig hoge koers hadden gekocht, maar om de spiegelbeeldige situatie waarin beleggers als gevolg van misleidende negatieve berichtgeving hun aandelen tegen een kunstmatig lage koers hadden verkocht. Zie over dit arrest uitgebreid De Jong 2010, p. 157-159 en p. 207-208.
Hof ’s-Hertogenbosch 15 mei 1996, JOR 1996/70 (Philips Electronics N.V./VEB e.a.). Naar aanleiding van dit arrest is Philips in cassatie gegaan en dat leidde tot het bekende arrest HR 7 november 1997, NJ 1998/268, m.nt. J. M.M. Maeijer.
Hof Amsterdam 27 mei 1993, NJ 1993/682 (ABN AMRO Bank N. V./Vereniging Coopag Finance BV). Naar aanleiding van dit arrest zijn partijen in cassatie gegaan en dat leidde tot het bekende arrest HR 2 december 1994, NJ 1996/246, m.nt. D.W.F. Verkade.
Rb. Utrecht 15 februari 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3753, JOR 2012/243, m.nt. J.H.M. Willems (Kortekaas e.a./AGEAS N.V. e.a.).
Rb. Midden-Nederland 27 juli 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4094, JOR 2016/305, m.nt. G.T.J. Hoff (VEB/Ziggo Holding B.V.).
Rb. Noord-Nederland 13 december 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4769 (X e.a./Bouwhuis en Wiegel), r.o. 4.7-4.10 en r.o. 8.4.
Zie de volgende overweging: ‘(…) in een eventuele schadestaatprocedure (…) dan wel in eventuele afzonderlijk aanhangig te maken procedures strekkende tot vergoeding van schade [kan] aan de orde komen in welke mate in concrete gevallen het aankoopbeleid al dan niet was beïnvloed door de positieve berichtgeving van de zijde van Philips.’ (toevoeging en curs. ACWP), Hof ’s-Hertogenbosch 15 mei 1996, JOR 1996/70 (Philips Electronics N.V./VEB e.a.), r.o. 10. Zie over deze overweging ook de analyse van De Jong 2010, p. 256-257.
Zie Rb. Utrecht 15 februari 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3753, JOR 2012/243, m.nt. J.H.M. Willems (Kortekaas e.a./AGEAS N.V. e.a.), r.o. 4.77 respectievelijk Rb. Midden-Nederland 27 juli 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4094, JOR 2016/305, m.nt. G.T.J. Hoff (VEB/Ziggo Holding B.V.), r.o. 4.22.
Hetzelfde kan worden gezegd van het oude arrest van het Hof Amsterdam in de zaak Polak/N.V. Nederlandse Agrarische Industrie e. a., Hof Amsterdam 24 juni 1953, NJ 1954/573. Zie over dit arrest Franx 2017, p. 229-230.
Ik wijs erop dat ook in het oude Nederlandse Agrarische Industrie-arrest (zie vorige voetnoot) het ging om een aanbieding van effecten buiten het beurssegment.
In de spaarzame rechtspraak wordt geen eenduidig antwoord gegeven op de vraag of voor het aannemen van causaal verband bij aansprakelijkheid voor misleidende informatie is vereist dat de belegger (direct of indirect) op de misleidende informatie heeft vertrouwd. In deze paragraaf behandel ik achtereenvolgens de volgende vier uitspraken: het Aeilkema-Veenkoloniale Bank-arrest van de Hoge Raad1 (§ 5.4.4.2), het DAF- arrest van het Hof Den Haag2 (§ 5.4.4.3), het World Online-arrest van de Hoge Raad3 (§ 5.4.4.4) en het vonnis van de Rechtbank Amsterdam in de zaak VEB/Kuiken en Bus4 (§ 5.4.4.5). Andere bekende misleidingszaken waarin het causaal verband ter sprake kwam, zoals het oude arrest Ligterink/Oss van de Hoge Raad5 (ook wel bekend als het ‘Haagsche Post’-arrest), het arrest Philips/VEB van het Hof Den Bosch,6 het arrest ABN AMRO/Vereniging Coopag Finance BV van het Hof Amsterdam,7 het vonnis van de Rechtbank Utrecht in de zaak Kortekaas e.a./AGEAS,8 het vonnis van de Rechtbank Midden- Nederland in de zaak VEB/Ziggo9 en het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland in een van de Bouw State-zaken10 laat ik hier buiten beschouwing. Het eerstgenoemde arrest laat ik buiten beschouwing, omdat in deze zaak in rechte vast stond dat de eisende beleggers van de misleidende berichtgeving hadden kennis genomen, zodat de vraag of voor het aannemen van causaal verband is vereist dat de belegger op de misleidende informatie is afgegaan, niet hoefde te worden beantwoord. Het arrest Philips/VEB laat ik buiten beschouwing, omdat in de fase van de procedure waarin het Hof Den Bosch arrest wees, het causaal verband strikt genomen nog niet aan de orde was en het processuele debat daar ook nog niet op was toegespitst (in het arrest van het hof lijkt overigens wel een impliciet oordeel over het causaal verband besloten te liggen).11 Het arrest ABN AMRO/Vereniging Coopag Finance BV behandel ik niet, omdat het oordeel dat het Hof Amsterdam in dit arrest formuleerde over het causaal verband bij prospectusaansprakelijkheid lijkt te zijn achterhaald door het latere World Online-arrest van de Hoge Raad. Het vonnis van de Rechtbank Utrecht in de zaak Kortekaas e.a./AGEAS respectievelijk het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland in de zaak VEB/Ziggo behandel ik niet, omdat ook in deze procedures het causaal verband strikt genomen nog niet aan de orde was (maar ook voor deze beide vonnissen geldt dat daarin een impliciet oordeel over het causaal verband besloten lijkt te liggen).12 En het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland in de genoemde Bouw State-zaak laat ik buiten beschouwing, omdat ook in deze zaak kon worden vastgesteld dat de eisende beleggers het misleidende prospectus hadden gelezen, zodat de vraag of voor het aannemen van causaal verband is vereist dat de belegger op de misleidende informatie is afgegaan, niet hoefde te worden beantwoord.13 Daar komt bij dat het in deze zaak ging om een aanbieding van effecten buiten het beurssegment, zodat zij voor het onderhavige onderzoek minder van belang is.14