Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.10.2.c
9.10.2.c Subsidiaire aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en de verkrijgende rechtspersoon
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250176:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Olffen, Buijn & Simonis 2004, p. 89, Verbrugh 2006, p. 55 en Verbrugh 2007, p. 270. Vgl. Van der Kraan 2012, p. 158 en Holtman 2019, p. 164, die van mening zijn dat een crediteur pas een vordering op de moedermaatschappij krijgt als hij haar op grond van de 403-verklaring aansprakelijk heeft gesteld. Art. 2:334t BW is volgens hen daarom niet van toepassing als een crediteur de moedermaatschappij ten tijde van de afsplitsing nog niet aansprakelijk heeft gesteld. Dit standpunt is echter niet juist. Zie HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, m.nt. Bartman (Akzo/ING), r.o. 3.4.3, waar de Hoge Raad oordeelt dat een moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring rechtstreeks aansprakelijk is. Deze aansprakelijkheid ontstaat dus niet pas als de crediteur de moedermaatschappij aansprakelijk stelt. Zie ook § 6.2.5.
Verbrugh 2007, p. 229 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/587. Zie ook Kamerstukken II 1996/97, 24702, 6, p. 10 (NnavhV).
Zie § 9.9.2.c.
Zie in vergelijkbare zin § 9.9.2.c met betrekking tot een zuivere splitsing van een moedermaatschappij.
De moedermaatschappij en de verkrijgende rechtspersoon zijn op grond van art. 2:334t BW beide aansprakelijk voor de schulden van de moedermaatschappij ten tijde van de afsplitsing. Dit betreft ook de schulden op grond van de 403-verklaring.1 Als een schuld bij de afsplitsing op de verkrijgende rechtspersoon is overgegaan, blijft de moedermaatschappij subsidiair aansprakelijk voor de nakoming van deze schuld. Is een schuld daarentegen bij de moedermaatschappij achtergebleven dan is de verkrijgende rechtspersoon subsidiair aansprakelijk. De aansprakelijkheid ex art. 2:334t BW is beperkt tot de bestaande schulden van de moedermaatschappij op het moment van de afsplitsing, al hoeven deze nog niet opeisbaar te zijn.2 Schulden die na de afsplitsing voortvloeien uit een daarvoor door de moedermaatschappij aangegane rechtsverhouding vallen hier niet onder.
De crediteuren van de 403-maatschappij die op het moment van de afsplitsing van vermogen van de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring een vordering hebben op de moedermaatschappij, hebben daarna drie mogelijkheden om hun vordering voldaan te krijgen. Ten eerste kan een dergelijke crediteur verhaal halen op de 403-maatschappij zelf. Afhankelijk van het antwoord op de vraag of de 403-aansprakelijkheid bij de moedermaatschappij is achtergebleven of op de verkrijgende rechtspersoon is overgegaan, kan de crediteur ook deze partij aansprakelijk stellen – de crediteur kan naar vrije keuze de 403-maatschappij of de moedermaatschappij, respectievelijk de verkrijgende rechtspersoon aansprakelijk stellen. Tot slot is de verkrijgende rechtspersoon of de moedermaatschappij op grond van art. 2:334t BW subsidiair aansprakelijk voor de nakoming van deze schuld – afhankelijk van het antwoord op de vraag of de 403-aansprakelijkheid bij de moedermaatschappij is achtergebleven of op de verkrijgende rechtspersoon is overgegaan. Evenals bij een zuivere splitsing van de moedermaatschappij3 meen ik dat de subsidiaire aansprakelijkheid ex art. 2:334t BW met zich brengt dat de crediteur hier als laatste van deze drie gronden pas een beroep op kan doen. Als bijvoorbeeld een schuld van de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring bij de afsplitsing onder algemene titel op de verkrijgende rechtspersoon is overgegaan, zal de crediteur eerst moeten proberen om zijn vordering voldaan te krijgen bij de 403-maatschappij en de verkrijgende rechtspersoon. Pas als deze tekortschieten in de nakoming, kan de crediteur de moedermaatschappij aansprakelijk stellen op grond van art. 2:334t BW.
Ik sluit af met de opmerking dat als na de afsplitsing de 403-verklaring wordt ingetrokken – door de moedermaatschappij als de 403-aansprakelijkheid bij haar is achtergebleven, of door de verkrijgende rechtspersoon als deze aansprakelijkheid op haar is overgegaan – en de overblijvende aansprakelijkheid wordt beëindigd, daardoor ook de subsidiaire aansprakelijkheid ex art. 2:334t BW van de moedermaatschappij of de verkrijgende rechtspersoon voor deze schulden eindigt.4