Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/5.1.1:5.1.1 Garantverklaring
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/5.1.1
5.1.1 Garantverklaring
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85628:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Omtrent de inhoud, de vorm en de aard van de garantverklaring/bereidsverklaring om in te staan wordt in de richtlijntekst niets bepaald. Wel is duidelijk dat de verklaring in schriftelijke vorm moet worden gegeven. Dit vloeit voort uit de in hoofdstuk 6 te onderzoeken openbaarmakingsvoorwaarde.1 Een eis aan de in die verklaring te hanteren taal is niet gesteld maar is er indirect wel via de openbaarmakingsvoorwaarde.2
Beckman merkt op dat in de richtlijn geen normadressaat is genoemd. Er is in de unitaire regeling ruimte zowel voor een ongerichte garantie van de moederonderneming voor schulden van de door 3de dochteronderneming aangegane verplichtingen, als voor een tot de dochteronderneming gerichte verklaring van de moederonderneming dat zij de dochteronderneming in de gelegenheid stelt haar aangegane verplichtingen na te komen waaraan zij door middel van de vrij te stellen dochteronderneming bekendheid geeft. Voorts acht hij het in de unitaire regeling mogelijk dat de verklaring zo wordt geformuleerd dat sprake is van een subsidiaire verplichting van de moedermaatschappij in de betekenis dat pas als de dochteronderneming haar verplichtingen tegenover de desbetreffende schuldeiser(s) niet nakomt, betaling van de moederonderneming kan worden verlangd.
Uit de EU richtlijn jaarrekeningen blijkt niet expliciet of voor ieder jaar dat van de vrijstelling gebruik wordt gemaakt, een nieuwe verklaring is vereist dan wel dat een eenmaal gegeven verklaring voor aaneensluitende boekjaren kan worden gebruikt. Daar in het kader van de richtlijn elk jaar opnieuw wordt bezien of van de vrijstelling gebruik wordt gemaakt, ligt het eerste voor de hand, maar de woordkeuze in de richtlijn verhindert niet dat een eenmaal afgelegde verklaring voor aaneensluitend gebruik kan worden aangewend.
Over het tijdstip dat de verklaring bij eerste gebruik van de vrijstelling dan wel bij jaarlijkse afgelegde verklaringen er uiterlijk moet zijn, is niets bepaald. Er is evenwel een natuurlijke begrenzing opgesloten in het richtlijnvereiste dat een jaarrekening binnen een redelijke termijn van niet meer dan twaalf maanden na de balansdatum openbaar moet worden gemaakt op de wijze als in een lidstaat overeenkomstig Richtlijn 2017/1132/EU is voorzien. Daaruit vloeit mijns inziens voort dat vanuit de optiek van de richtlijn deze voorwaarde uiterlijk vervuld moet zijn op het tijdstip dat anders de betrokken onderneming volgens het op haar toepasselijk recht haar jaarrekening openbaar moet maken maar niet later dan twaalf maanden na afloop van het boekjaar.