Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/2:Hoofdstuk 2 Groepsvoorwaarde
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/2
Hoofdstuk 2 Groepsvoorwaarde
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85542:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste voorwaarde waaraan voor het gebruik van het groepsregime in de Nederlandse wetgeving moet zijn voldaan, houdt in dat de rechtspersoon als omschreven in art. 2:360 BW die van art. 2:403 BW gebruik wil maken, moet behoren tot een groep van een andere maatschappij. Alvorens daarop in te gaan sta ik eerst stil bij de regeling als vastgelegd in de EU richtlijn jaarrekeningen (paragraaf 2.1), onderscheiden naar het toepassingsgebied van de richtlijn en de inhoud van de unitaire optionele vrijstellingsregeling, om daarna te komen op de relatie tussen de vrij te stellen dochteronderneming en de moederonderneming. Vervolgens komt aan de orde de optionele vrijstellingsregeling in de drie lidstaten buiten Nederland. Daarbij geef ik eerst de regeling weer en ga dan in op de vereiste relatie van de vrij te stellen vennootschap tot de consoliderende moederonderneming (paragraaf 2.2). Daarna komt de groepsvoorwaarde in de Nederlandse regeling ter sprake waarbij ik eerst de tekst van de vrijstellingsregeling weergeef en daarna de groepsvoorwaarde analyseer (paragraaf 2.3). In die analyse laat ik de vervulling van de overige voorwaarden voor het gebruik van het groepsregime buiten beschouwing. Een op de Nederlandse regeling toegespitste conclusie, in het licht van de richtlijn en de wijze van verwerking in de andere drie lidstaten, trek ik in paragraaf 2.4.
2.1 EU richtlijn jaarrekeningen2.2 Lidstaten met een optioneel vrijstellingsregime2.3 Nederlandse wetgeving2.4 Afsluitende conclusie