Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/10:Hoofdstuk 10 Conclusies, bevindingen en aanbevelingen
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/10
Hoofdstuk 10 Conclusies, bevindingen en aanbevelingen
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85565:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het groepsregime geeft in concernverband aan de tot een groep behorende rechtspersoon als omschreven in art. 2:360 BW de bevoegdheid om als aan een aantal voorwaarden is voldaan, af te wijken van de voor zijn jaarrekening geldende inrichtingsvereisten met alsdan tevens vrijstelling van de inrichtingsvereisten voor het bestuursverslag en de overige gegevens, vrijstelling van accountantscontrole, vrijstelling van openbaarmaking door deponering van de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens bij het handelsregister, en vrijstelling van de ter inzagelegging van het bestuursverslag voor aandeelhouders, leden respectievelijk vennoten.
De argumentatie voor invoering van het groepsregime heb ik paragraaf 1.3 gegeven en besproken. Ik heb laten zien dat het groepsregime in Nederland is te herleiden tot de volgende drie veronderstellingen:
de geconsolideerde informatie over de groep (in samenhang bezien met de overige voorwaarden die gelden voor bevoegd en rechtmatig gebruik van het groepsregime) biedt voldoende inzicht dan wel komt voldoende tegemoet aan degenen die belang hebben bij de (jaarrekening van de) groepsrechtspersoon (belanghebbenden);
de gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid (in samenhang bezien met de overige voorwaarden die gelden voor bevoegde toepassing van het groepsregime) biedt de belanghebbenden voldoende waarborg voor hun vordering dan wel komt de belanghebbenden voldoende tegemoet;
de gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid leidt niet tot een inbreuk op de waarborg van degenen die belang hebben bij de ((geconsolideerde) jaarrekening van de) consoliderende moedermaatschappij.
Met name de eerste twee veronderstellingen zijn terug te vinden in de constitutieve voorwaarden voor de verkrijging van de bevoegdheid om voor de jaarrekening van de groepsrechtspersoon af te wijken van het daaromtrent in Titel 9 Boek 2 BW bepaalde. Daar ik over de juistheid van de veronderstellingen grote twijfel heb, en de vrijstellingsregeling nog al wat onvolkomenheden laat zien – en ook afwijkt van de unitaire regeling en van de op unitaire leest geschoeide regelingen in de drie andere lidstaten – heb ik onderzocht op welke wijze de onvolkomenheden het beste kunnen worden opgeheven en de regeling meer in de pas met de unitaire regeling kan worden gebracht. Alvorens daarop in paragraaf 10.2 concreter in te gaan, herhaal ik in paragraaf 10.1 mijn conclusies uit de afzonderlijke hoofdstukken. In paragraaf 10.3 formuleer ik een aantal voorstellen tot wetswijziging.
10.1 Overzicht afsluitende conclusies10.2 Beantwoording onderzoeksvraag10.3 Voorstellen voor wetswijziging