Rechtbank Noord-Holland 13 juni 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:6697.
HR, 18-07-2025, nr. 24/02972
ECLI:NL:HR:2025:1171
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-07-2025
- Zaaknummer
24/02972
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1171, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:1161
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:301
ECLI:NL:PHR:2025:301, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1171
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑10‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑09‑2024
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2025/252
VAAN-AR-Updates.nl 2025-0921
AR-Updates.nl 2025-0921
JAR 2025/218 met annotatie van M. Faber
BPR-Updates.nl 2025-0066
TvPP 2025/43, p.214 met annotatie van L.V.V. Meijers
TRA 2025/84 met annotatie van I.L.N. Timp
NJ 2026/21 met annotatie van F.G. Laagland
JAR 2025/218 met annotatie van M. Faber
Uitspraak 18‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Ontslagrecht. Ontbinding arbeidsovereenkomst (art. 7:671b BW jo. art. 7:669 lid 3 BW). Hof oordeelt dat noch e-grond, noch subsidiaire g-grond voldragen waren, maar laat ontbinding in stand op i-grond (cumulatiegrond). Toets herplaatsingsplicht art. 7:669 lid 1 BW bij i-grond miskend? Heeft hof t.a.v. bevoegdheid tot toekennen extra vergoeding ex art. 7:671b lid 8 BW devolutieve werking hoger beroep en eigen ambtshalve bevoegdheid miskend?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/02972
Datum 18 juli 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[de werknemer],
wonende te [plaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de werknemer,
advocaat: S.F. Sagel,
tegen
PROFOTO B.V.,
gevestigd te Haarlem,
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: Profoto,
advocaat: J.B.B. Heinen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 10397558 \ AO VERZ 23-28 van de rechtbank Noord-Holland van 13 juni 2023;
b. de beschikking in de zaak 200.332.200/01 van het gerechtshof Amsterdam van 30 april 2024.
[de werknemer] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Profoto heeft een verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt in zowel het principaal cassatieberoep als het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Profoto houdt zich bezig met het ontwikkelen en exploiteren van hard- en software voor productfotografie.
(ii) De werknemer is in 2018 in dienst getreden bij Profoto in de functie van image processing developer. Daartoe is hij naar Nederland verhuisd. Laatstelijk genoot de werknemer een salaris van € 5.508,-- bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van het personeelshandboek van Profoto van toepassing.
(iii) De leidinggevende van de werknemer (hierna: de leidinggevende) heeft de vakantieaanvragen van de werknemer van 23 tot en met 31 december 2022 en van 16 tot en met 27 januari 2023 geaccordeerd. Op 4 december 2022 heeft de werknemer zijn vakantieaanvraag gewijzigd door de week van 23 tot en met 31 december te ruilen voor de week van 12 tot en met 18 december 2022. De leidinggevende heeft deze wijziging op 6 december 2022 geaccordeerd.
(iv) Op 11 december 2022 heeft de werknemer zich ziek gemeld en Profoto verzocht om zijn vakantiedagen om te zetten in ziektedagen.
(v) Op 12 december 2022 is de werknemer naar Iran gegaan.
(vi) Op 14 december 2022 heeft de werknemer aan de leidinggevende laten weten dat hij zich weer wat beter voelde. Als reactie daarop heeft de leidinggevende de werknemer verzocht om de camera die Profoto van Canon in bruikleen had (hierna: de camera), terug te brengen zodra de werknemer weer beter was. De werknemer heeft de leidinggevende daarop laten weten dat hij de camera heeft meegenomen naar Iran om daarmee op afstand te kunnen werken, waarop de leidinggevende de werknemer heeft geschreven dat hij niet wist dat de werknemer op afstand zou werken. De leidinggevende heeft de werknemer gewezen op de regel dat hij zonder toestemming geen apparatuur mag meenemen op vakantie. Daarop heeft de werknemer laten weten dat hij al in Iran was en dat hij op 27 januari 2023 terug zou vliegen, maar dat dit om medische redenen misschien later zou worden. De werknemer heeft de leidinggevende verzocht om een alternatief te vinden voor de camera, of hem de tijd te geven om de camera via DHL terug te sturen naar kantoor. Partijen hebben overleg gevoerd over verschillende wijzen van terugbrengen van de camera.
(vii) Op 15 december 2022 heeft de werknemer zich beter gemeld.
(viii) Op 16 december 2022 heeft de werknemer laten weten dat hij de camera niet veilig per koerier kan versturen vanuit Iran.
(ix) Op 22 december 2022 heeft de werknemer een schriftelijke waarschuwing gekregen, kort gezegd vanwege het (1) van 11 december 2022 tot 16 januari 2023 zonder toestemming vanuit Iran werken, (2) zonder toestemming meenemen van de camera naar Iran en (3) benaderen van een sales manager in plaats van HR met betrekking tot een salarisverhoging, waarmee de werknemer de autoriteit van zijn manager heeft ondermijnd. De werknemer is gesommeerd om op 9 januari 2023 terug te zijn op het werk en de camera te retourneren.
(x) Op 24 december 2022 heeft de werknemer voorgesteld om de camera mee te geven aan personen die naar Nederland zouden vliegen.
(xi) Op 30 december 2022 heeft Profoto aan de werknemer laten weten dat de werknemer de camera persoonlijk moet terugbrengen op 9 januari 2023, omdat er geen passende oplossing is om de camera terug te sturen vanuit Iran. Profoto heeft aangeboden om de kosten van de vlucht van de werknemer van Iran naar Nederland te betalen. Profoto heeft de werknemer verzocht om uiterlijk op 2 januari 2023 te laten weten of hij op 9 januari 2023 terug zal zijn.
(xii) Op 2 januari 2023 heeft de werknemer in reactie op de officiële waarschuwing van 22 december 2022 laten weten dat hij (i) niet anders heeft gehandeld dan in voorgaande jaren, (ii) niet zonder toestemming van zijn manager op afstand is gaan werken en (iii) in voorgaande jaren ook apparatuur heeft meegenomen naar het buitenland om daarmee te werken.
(xiii) Op 3 januari 2023 heeft Profoto de werknemer nogmaals verzocht om te laten weten of hij op 9 januari 2023 terug zal zijn op kantoor. Ook heeft Profoto aan de werknemer meegedeeld dat het werken op afstand niet is goedgekeurd en dat het niet opvolgen van de instructies gevolgen kan hebben voor zijn dienstverband.
(xiv) Op 3 januari 2023 heeft de werknemer aan Profoto laten weten dat hij op 9 januari 2023 niet op kantoor terug zal zijn, omdat hij in verband met tandheelkundige behandelingen in Iran moet blijven. Hij heeft ook laten weten dat hij last heeft van de waarschuwing en het dreigen met ontslag.
(xv) Op 4 januari 2023 heeft de werknemer zich ziek gemeld. Hij heeft aan Profoto laten weten dat hij in Iran een dokter heeft bezocht, die hem medicatie heeft voorgeschreven. Volgens de werknemer kampte hij met burn-outklachten.
(xvi) Op 9 januari 2023 heeft de leidinggevende de werknemer gevraagd om bewijzen van zijn arbeidsongeschiktheid en van de tandheelkundige behandelingen.
(xvii) Op 10 januari 2023 heeft de werknemer in een e-mailbericht aan Profoto laten weten dat hij naar een bedrijfsarts in Iran is geweest, die een milde depressie bij hem heeft geconstateerd en heeft geadviseerd om tot aan zijn vakantie wel werkzaamheden te verrichten. In datzelfde e-mailbericht heeft de werknemer geschreven dat zijn tandheelkundige behandelingen hem niet belemmerden om eerder terug te keren naar Nederland.
(xviii) Op 12 januari 2023 heeft de leidinggevende (wederom) aan de werknemer meegedeeld dat hij niet op afstand mag werken en dat hij deze dagen als vakantie moet opnemen. De werknemer heeft daarop gereageerd met de opmerking dat het al vijf jaar gebruikelijk is om een paar dagen op afstand te mogen werken en stelt voor de discussie daarover voort te zetten na zijn vakantie. De leidinggevende heeft de werknemer verzocht een document over te leggen waaruit blijkt dat hij niet naar huis kan vliegen. Hij heeft zijn email aan de werknemer afgesloten met de opmerking:
“I consider this being the latest communication on the subject and we will discuss this face-to-face the 30th of January when you are back from your vacation.”
De werknemer heeft daarop dezelfde dag gereageerd met:
“Hi, I agree. Let this be the last communication. We will continue after my vacation.”
(xix) Op maandag 16 januari 2023 is de vakantie van de werknemer begonnen en was de werknemer volgens eigen opgave niet bereikbaar.
(xx) De werknemer is per e-mail uitgenodigd voor een gesprek op 30 januari 2023 om 10:00 uur op het kantoor van Profoto. De werknemer heeft deze uitnodiging op 12 januari 2023 eerst geaccepteerd, maar deze diezelfde dag, korte tijd later, alsnog afgewezen omdat hij pas op 31 januari 2023 op Schiphol zou landen. Voor het misverstand rond zijn datum van terugkeer heeft hij zijn verontschuldigingen aangeboden. Hij heeft vervolgens op 12 januari 2023 aan Profoto voorgesteld om het gesprek van 30 januari 2023 te verplaatsen naar woensdag 1 februari 2023. Hierop heeft Profoto niet gereageerd.
(xxi) Op 18 januari 2023 heeft de HR-manager van Profoto aangekondigd dat Profoto zich het recht voorbehoudt op loonopschorting, omdat geen bewijsstuk is ontvangen waaruit blijkt dat de werknemer op 4 januari 2023 niet kon werken en niet kon terugkeren naar Nederland. Daarbij is de werknemer nogmaals gewezen op het gesprek van 30 januari 2023.
(xxii) Op 24 januari 2023 is aan de werknemer meegedeeld dat zijn loon van 4 tot 10 januari 2023 wordt opgeschort totdat hij een bewijsstuk heeft ingeleverd met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid, de voorgeschreven behandeling en een verklaring dat hij niet naar huis kon vliegen. Verder is meegedeeld dat de werknemer op 30 januari 2023 op gesprek wordt verwacht met de mededeling “so far you have not confirmed this” en aangekondigd dat als de werknemer niet verschijnt op het gesprek van 30 januari 2023, dit beschouwd zal worden als werkweigering en een reden voor ontslag op staande voet. In de ochtend van 30 januari 2023 heeft de werknemer bij emailbericht van 08:33 uur aan Profoto laten weten dat hij een recept van de huisarts en een verklaring van de door hem geraadpleegde bedrijfsarts heeft, waarin deze verklaart dat de werknemer last heeft van angsten en depressie, en aangeboden deze toe te zenden. De werknemer heeft voorgesteld om, zoals afgesproken, de discussie voort te zetten nu hij terug is van vakantie. Hij heeft ook laten weten de inhouding op zijn salaris voorbarig te vinden, omdat hij nog niet schuldig is bevonden. Tot slot heeft hij opgemerkt dat Profoto kennelijk zijn afwijzing d.d. 12 januari 2023 van het vergadervoorstel op 30 januari 2023 heeft gemist en verwezen naar de eerdere e-mailwisseling.
(xxiii) De werknemer is niet verschenen op het gesprek van 30 januari 2023.
(xxiv) Op 30 januari 2023 heeft Profoto de werknemer per e-mail en per brief op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van die datum zijn als redenen daarvoor genoemd:
1. het onrechtmatig afwezig zijn op het werk door zonder toestemming in Iran te verblijven van 12 december 2022 tot 13 januari 2023;
2. het zonder toestemming vanaf 12 december 2022 op afstand werken vanuit Iran;
3. het meenemen van een dure camera van een relatie van Profoto naar Iran en het niet retourneren daarvan, ondanks diverse verzoeken van Profoto;
4. het afwijzen van het verzoek van Profoto om op 9 januari 2023 terug te keren naar Nederland, terwijl Profoto heeft aangeboden om het vliegticket te betalen;
5. het zonder geldige reden afwezig zijn op het gesprek van 30 januari 2023;
6. het weigeren van het werk vanaf 30 januari 2023;
7. het gewaarschuwd zijn dat wanneer hij niet verschijnt op het gesprek van 30 januari 2023, dit een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert;
8. het op die waarschuwing alleen reageren met een e-mail met het verwijt dat Profoto de discussie over werken op afstand en terugkeren op het werk in Nederland slecht heeft behandeld;
9. het overleggen van onvoldoende documenten met betrekking tot de gestelde ziekte tijdens zijn verblijf in Iran;
10. het door de werknemer niet bewijzen dat hij niet uit Iran kon terugkomen voor 30 januari 2023; en
11. het niet tijdig reageren op verzoeken en het negeren van instructies en communicatie.
(xxv) Profoto heeft de werknemer de wettelijke transitievergoeding uitbetaald.
2.2
De werknemer heeft in eerste aanleg, voor zover van belang, verzocht om het ontslag op staande voet te vernietigen en Profoto te veroordelen tot wedertewerkstelling en doorbetaling van zijn loon. Profoto heeft, voor zover van belang, voorwaardelijk verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair op grond van verwijtbaar handelen (de egrond (art. 7:669 lid 3, onderdeel e, BW)), subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (de ggrond (art. 7:669 lid 3, onderdeel g, BW)) en meer subsidiair op grond van een combinatie van ontslaggronden (de igrond (art. 7:669 lid 3, onderdeel i, BW)). In reactie op dit meer subsidiaire verzoek van Profoto heeft de werknemer bij de mondelinge behandeling verzocht om toekenning van de extra vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW als de arbeidsovereenkomst op de i-grond wordt ontbonden.
2.3
De kantonrechter1.heeft het ontslag op staande voet vernietigd en de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2023 ontbonden op de egrond.
2.4
De werknemer heeft in hoger beroep verzocht, voor zover van belang, de beschikking van de kantonrechter te vernietigen wat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst betreft en te bepalen dat de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht wordt hersteld. Profoto heeft in incidenteel hoger beroep verzocht, voor zover van belang, voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet geldig is en dat de werknemer schadeplichtig is, dan wel de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 13 juni 2023.
2.5
Het hof2.heeft, voor zover van belang, de vernietiging van het ontslag op staande voet bekrachtigd en beslist dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter niet op de egrond kon worden gegeven maar in stand blijft op de i-grond.
Het hof heeft daartoe onder meer als volgt overwogen.
(1) over de e-grond (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer):
“5.13. In het principaal hoger beroep dient het hof te beoordelen of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen terecht op de e-grond (‘verwijtbaar handelen of nalaten’) heeft ontbonden. De motivering hiervan door de kantonrechter is vermeld in rechtsoverweging 5.21 van de bestreden beschikking. De essentie daarvan is (…) volgens de kantonrechter het ‘door [de werknemer] niet op een fatsoenlijke manier met Profoto (..) communiceren’, waarbij de kantonrechter expliciet verwijst naar vier elementen die [de werknemer] volgens de kantonrechter vóór zijn vertrek naar Iran aan Profoto had moeten melden, namelijk “dat hij (i) in de periode tussen zijn goedgekeurde vakanties op afstand vanuit Iran zou werken, (ii) de camera had meegenomen naar Iran, (iii) tijdrovende tandheelkundige behandelingen zou ondergaan in de periode dat hij vanuit Iran op afstand zou werken en (iv) mogelijk later dan 30 januari 2023 weer terug zou kunnen zijn op het kantoor van Profoto.”. Onder 5.22 voegt de kantonrechter daar, bij haar beoordeling van de door Profoto gestelde ernstige verwijtbaarheid, nog aan toe: “Het handelen van [de werknemer] kan weliswaar als hoogst onfatsoenlijk en onredelijk worden bestempeld, maar is naar het oordeel van de kantonrechter niet zodanig ernstig verwijtbaar dat …”.
Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 5.21 niet. Het hof betrekt daarbij dat [de werknemer] ook in alle, althans diverse eerdere jaren voor en na de jaarwisseling periodes van (vastgestelde) vakanties afwisselde met aansluitende periodes van werken op afstand, ofwel vanuit Mexico (waar zijn vriendin woont) ofwel vanuit zijn geboorteland Iran. Deze informatie was bekend bij de direct leidinggevende (…), die voordien ook directe collega van [de werknemer] was. Het hof gaat er daarom vanuit, zoals door [de werknemer] is gesteld, dat [de leidinggevende] wist of zich ten minste had kunnen realiseren dat [de werknemer] ook rond de jaarwisseling 2022/2023 op vergelijkbare wijze als in de jaren daaraan voorafgaand op afstand zou werken. Gelet op de eerdere op dit punt kennelijk probleemloos verlopen praktijk, had ook van [de leidinggevende] (…) verwacht mogen worden dat hij hierover een vraag had gesteld toen hij aanvankelijk toestemming gaf voor twee vakanties met een tussenliggende periode van slechts twee weken, dan wel nadien na wijziging van de data van de eerste vakantieperiode. Als [de leidinggevende] daar als nieuwe leidinggevende van [de werknemer], anders dan voorheen, een probleem mee had, dan had hij dat zelf tijdig aan de orde kunnen stellen. Gelet op deze voorgeschiedenis beoordeelt het hof dit, anders dan de kantonrechter, niet als zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [de werknemer] dat dit een ontslag op die grondslag mede zou kunnen dragen. De tweede omstandigheid (meenemen camera) was, vanuit het perspectief van [de werknemer], noodzakelijk om daarmee zijn werken op afstand mogelijk te maken (…). Door [de werknemer] is gesteld en onvoldoende [is] weersproken dat hij om die reden de camera had meegenomen. Het verwijt van Profoto treft om die reden hetzelfde lot als het verwijt dat hij op afstand zou gaan werken (zonder dat mede te delen). Het derde verwijt (het ondergaan van tijdrovende tandheelkundige behandelingen) is eveneens ten onrechte als verwijtbaar handelen ter onderbouwing van de ontbinding gekwalificeerd. Door [de werknemer] is gesteld en door Profoto onvoldoende weersproken dat hij die behandelingen om louter tandheelkundige/medische redenen moest ondergaan en dat hij er voor koos om deze, in beginsel na werktijd, in Iran te ondergaan omdat dit voor hem veel goedkoper zou zijn (…). De locatie van die behandelingen lijkt dan, zeker gelet op het regelmatig werken op afstand, nauwelijks relevant. Dat één van die (meer dan tien) behandelingen op een middag zou hebben plaatsgevonden kan onvoldoende gewicht in de schaal leggen om van een voor ontslag relevant verwijtbaar handelen te kunnen spreken. Het vierde en laatste door de kantonrechter aangehaalde verwijt kan dat ook niet: tussen partijen staat vast dat [de werknemer] reeds op 14 december 2022 (dus 2 dagen na zijn vertrek naar Iran) dit aan Profoto heeft medegedeeld. Het oordeel van de kantonrechter dat hij dat vóór zijn vertrek had moeten mededelen moge op zichzelf wel juist en relevant zijn, maar legt – mede gelet op het andersluidende oordeel van het hof over de overige aangehaalde feiten en omstandigheden – naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal om een ontbinding op grond van verwijtbaar handelen of nalaten te kunnen dragen. Het bezwaar van [de werknemer] tegen de beslissing tot ontbinding op de e-grond is dan ook terecht voorgedragen.”
(2) over de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding):
“5.14. (…) Hoewel uit de communicatie per e-mail van begin december 2022 over de geschillen met betrekking tot loonsverhoging en patent reeds de indruk van een enigszins gespannen werkrelatie tussen [de werknemer] en [de leidinggevende] (…) blijkt, komt het hof tot het oordeel dat de verstandhouding tussen hen op 30 januari 2023 niet al zodanig verstoord was dat van partijen niet meer verwacht kon worden dit onderling te bespreken, zoals immers ook de afspraak tussen partijen was ten aanzien van het gesprek dat zij na terugkeer van vakantie samen zouden voeren (in aanwezigheid van een HR-medewerkster). Dat Profoto het verzoek van [de werknemer] om dat gesprek te verplaatsen naar 1 februari 2023 kennelijk heeft afgewezen (want genegeerd), komt vooral voor haar eigen rekening. Van Profoto had, als zij kennis had genomen van dat verzoek, verwacht mogen worden dat zij [de werknemer] er meteen (althans vóór zijn vakantie) op gewezen had dat het verzoek werd afgewezen omdat van hem verwacht werd (en naar het oordeel van het hof ook had mogen worden) dat hij zijn retourvlucht zou vervroegen om daarmee zelf (indien aan de orde: op eigen kosten) zijn eigen vergissing te herstellen. Door in het geheel niet (althans niet tijdig vóór diens vakantie) op zijn verzoek om uitstel te reageren, heeft Profoto in de periode voorafgaand aan het gesprek tegenover [de werknemer] de mogelijkheid open gehouden dat zij zich bij de door [de werknemer] gemaakte vergissing en zijn daarop gebaseerde uitstelverzoek had neergelegd.
Van partijen had verwacht mogen worden dat zij in een open gesprek over en weer het ervaren ongemak op tafel zouden leggen, de ander de ruimte zouden geven zich daarover uit te spreken en pas daarna te bezien of het ‘point of no return’ al dan niet was bereikt. Dat die gemaakte afspraak niet is uitgevoerd staat aan een ontbinding op grond van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding in de weg. De ontbinding op de g-grond had derhalve ook, als de kantonrechter daaraan toe was gekomen, niet toewijsbaar geoordeeld moeten worden.”
(3) over de i-grond (de combinatie-grond):
“5.15. Tot slot dient het hof te beoordelen of de kantonrechter de ontbinding wel op de igrond (de combinatie van e en g) had kunnen toewijzen. Het hof komt op dat punt tot de conclusie dat dit meer subsidiaire tegenverzoek van Profoto wel toewijsbaar was. Het hof dient dat verzoek te beoordelen naar de stand van zaken ten tijde van die beslissing, althans de datum van de mondelinge behandeling bij de kantonrechter. Allereerst had de kantonrechter kunnen vaststellen dat er sprake was van enig verwijtbaar handelen (al was dat op zichzelf onvoldoende voor de gevraagde ontbinding) en ook dat er sprake was van een – door miscommunicatie en daarop gebaseerd ontslag – wel in meer dan geringe mate verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter had daarin ook (al dan niet ambtshalve) mogen betrekken het feit dat [de werknemer], hoewel toen niet arbeidsongeschikt, niet had verzocht of gevorderd om bij voorlopige maatregel, uitvoerbaar bij voorraad, toegelaten te worden tot het verrichten van de bedongen arbeid. Door die toelating slechts in de bodemprocedure te vorderen, waarvan – na een juiste toepassing van het bewijsrecht – de verwachte duur zodanig lang kon zijn dat terugkeer op basis van de eindbeschikking reeds vanwege die lange duur illusoir zou kunnen worden bevonden (nog afgezien van het risico van dan een toegewezen voorwaardelijk ontbindingsverzoek, waarna terugkeer niet meer aan de orde zou zijn), heeft [de werknemer] onvoldoende weersproken dat de verhouding tussen partijen stevig verstoord was. Een door de kantonrechter op basis van dit dossier op de igrond (als voldragen grond, bestaande uit een combinatie van elementen van e en g) uitgesproken ontbinding had het hof daarom gegrond bevonden. De i-grond is immers voor situaties als deze in de wet opgenomen. (…)”
(4) over een aanvullende vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW:
“5.15. (…) Met die vaststelling is niet voldaan aan het wettelijk vereiste dat luidt dat herstel dan wel toekenning van een vervangende billijke vergoeding pas aan de orde komt als het hof tot het oordeel komt dat het verzoek tot ontbinding ten onrechte is toegewezen. Had de kantonrechter het (meer subsidiaire) tegenverzoek van Profoto op basis van de i-grond toegewezen dan had de kantonrechter moeten beslissen of aan [de werknemer], naast zijn recht op de volledige transitievergoeding, nog een aanvullende vergoeding als bedoeld in artikel 7:671b, lid 8 BW toegekend had moeten worden. Noch afgezien van de verwachting dat het oordeel van de kantonrechter op dit punt niet toewijzend zou zijn geweest, is het – ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg door of namens [de werknemer] gedane subsidiaire verzoek om toekenning van een (aanvullende) transitievergoeding bij ontbinding op de i-grond – in hoger beroep niet meer aan de orde. Het is in hoger beroep niet door [de werknemer] verzocht, ook niet in voorwaardelijke zin.”
3. Beoordeling van het middel in het principaal cassatieberoep
3.1
De in de onderdelen 1.a en 1.b van het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.2.1
Onderdeel 1.c klaagt dat het hof heeft miskend dat het, alvorens te kunnen beslissen dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst weliswaar niet op de e-grond maar wel op de i-grond kon ontbinden, had moeten onderzoeken of en vaststellen dat Profoto ten tijde van de ontbindingsbeschikking, althans de datum van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, had voldaan aan haar herplaatsingsplicht van art. 7:669 lid 1 BW. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus de klacht.
3.2.2
De rechter kan een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van – onder meer – art. 7:669 lid 3, onderdeel i, BW (de igrond) ingevolge art. 7:671b lid 2 BW slechts inwilligen indien is voldaan aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in art. 7:669 BW. Art. 7:669 lid 1, eerste volzin, BW houdt in dat de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen indien, voor zover hier van belang, herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Herplaatsing ligt in ieder geval niet in de rede, zo bepaalt art. 7:669 lid 1, tweede volzin, BW, indien sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in art. 7:669 lid 3, onderdeel e, BW (de egrond). De ontstaansgeschiedenis van de i-grond bevestigt hetgeen volgt uit de tekst van de hiervoor genoemde bepalingen, namelijk dat ontbinding op de i-grond slechts mogelijk is als de rechter tot het oordeel is gekomen dat herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt.3.Uit de beschikking van het hof blijkt niet dat het hof heeft onderzocht of herplaatsing niet mogelijk was of niet in de rede lag. De hiervoor in 3.2.1 weergegeven klacht slaagt derhalve.
3.3.1
Onderdeel 1.d klaagt onder meer dat het oordeel dat sprake was van “enig verwijtbaar gedrag” (rov. 5.15), onvoldoende is gemotiveerd. Uit rov. 5.13 valt volgens de klacht namelijk niet, althans niet voldoende begrijpelijk, af te leiden waaruit dat verwijtbare gedrag van de werknemer dat onderdeel uitmaakt van de i-grond, zou bestaan.
3.3.2
Deze klacht slaagt. In rov. 5.13 bespreekt het hof het oordeel van de kantonrechter over het door de werknemer niet op een fatsoenlijke manier communiceren met Profoto en de elementen die de werknemer volgens de kantonrechter aan Profoto had moeten melden vóór zijn vertrek naar Iran. Die elementen waren dat de werknemer:
in de periode tussen zijn goedgekeurde vakanties op afstand vanuit Iran zou werken,
de camera had meegenomen naar Iran,
tijdrovende tandheelkundige behandelingen zou ondergaan in de periode dat hij vanuit Iran op afstand zou werken, en
mogelijk later dan 30 januari 2023 weer terug zou kunnen zijn op het kantoor van Profoto.
Het hof overweegt met betrekking tot het eerste en het tweede element dat het die, gelet op de voorgeschiedenis en op hetgeen van Profoto verwacht had mogen worden, niet als zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer beoordeelt dat zij een ontslag op de egrond mede zouden kunnen dragen.
Van het derde element overweegt het hof dat het eveneens ten onrechte als verwijtbaar handelen ter onderbouwing van de ontbinding is gekwalificeerd, en dat de omstandigheid dat één van de tandheelkundige behandelingen op een middag zou hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht in de schaal kan leggen om van een voor ontslag relevant verwijtbaar handelen te kunnen spreken.
Met betrekking tot het vierde element overweegt het hof dat het met de kantonrechter van oordeel is dat de werknemer voor zijn vertrek had moeten meedelen dat hij mogelijk later dan 30 januari 2023 terug op kantoor zou zijn. Maar ook hier kan volgens het hof niet worden gesproken van een voor ontslag relevant verwijtbaar handelen.
Gelet op dit een en ander is weliswaar duidelijk dat naar het oordeel van het hof bij geen van de elementen sprake is van een voor ontslag op de egrond relevant verwijtbaar handelen, maar is zonder nadere motivering onvoldoende duidelijk op welk specifiek gedrag van de werknemer het hof doelt met zijn oordeel dat sprake was van enig verwijtbaar handelen dat kan bijdragen aan ontbinding op de igrond.
3.4.1
Hoewel de werknemer door het slagen van onderdeel 1 geen belang heeft bij de klachten van onderdeel 2, ziet de Hoge Raad aanleiding onderdeel 2 toch te behandelen. Het onderdeel klaagt over het oordeel van het hof – in rov. 5.15, slot – dat in hoger beroep toekenning van een aanvullende vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW niet meer aan de orde is. Volgens het onderdeel was het door de werknemer in eerste aanleg gedane verzoek om toekenning van een vergoeding op grond van art. 7:671b lid 8 BW in hoger beroep door de devolutieve werking daarvan wel degelijk nog aan de orde. Verder miskent het hof dat het, ook als de werknemer daar niet om zou hebben gevraagd, die vergoeding ambtshalve kon toekennen, aldus het onderdeel.
3.4.2
In reactie op het meer subsidiaire verzoek van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de i-grond, heeft de werknemer in eerste aanleg verzocht om toekenning van de extra vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW (zie hiervoor in 2.2). De kantonrechter is aan dit meer subsidiaire verzoek van de werkgever niet toegekomen omdat hij de arbeidsovereenkomst op de e-grond heeft ontbonden, en is dus ook niet toegekomen aan het verzoek van de werknemer om toekenning van de extra vergoeding. Het hof is wel aan de i-grond toegekomen. Op grond van de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep had het hof ook moeten beslissen op het verzoek van de werknemer om toekenning van de extra vergoeding. Op die grond slaagt onderdeel 2 reeds.
3.4.3
Ook de andere hiervoor in 3.4.1 weergegeven klacht van onderdeel 2 is gegrond. De verplichting van de rechter om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen (art. 25 Rv) geldt ook voor toepassing van de igrond. Uit de ontstaansgeschiedenis van art. 7:669 lid 3, onderdeel i, BW blijkt dat de wetgever voor ambtshalve toepassing van de igrond uitdrukkelijk ruimte heeft gelaten.4.Als de rechter de arbeidsovereenkomst ontbindt op de igrond, kan hij ingevolge art. 7:671b lid 8 BW aan de werknemer een extra vergoeding toekennen van ten hoogste de helft van de in art. 7:673 lid 2 BW bedoelde transitievergoeding. Voor toekenning van deze extra vergoeding is niet vereist dat de werknemer daarom heeft verzocht.
Als de rechter in eerste aanleg het voornemen heeft de arbeidsovereenkomst op de igrond te ontbinden en daaraan de extra vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW te verbinden, moet hij ingevolge art. 7:686a lid 6 BW partijen van zijn voornemen een extra vergoeding toe te kennen in kennis stellen en de werkgever in de gelegenheid stellen het verzoek in te trekken.5.
Als de rechter in hoger beroep oordeelt dat een verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is afgewezen en toewijsbaar is op de igrond, bepaalt hij op de voet van art. 7:683 lid 5 BW op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Daarbij is ten aanzien van de vergoeding art. 7:671b BW van overeenkomstige toepassing. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat dan ook art. 7:686a lid 6 BW van overeenkomstige toepassing is. Een ander brengt mee dat als de rechter in hoger beroep het voornemen heeft om te beslissen dat een in eerste aanleg afgewezen ontbindingsverzoek toewijsbaar is op de igrond en om aan de bepaling van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt – al dan niet ambtshalve – de extra vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW te verbinden, hij partijen van zijn voornemen een extra vergoeding toe te kennen in kennis moet stellen en de werkgever gelegenheid moet geven zijn verzoek in te trekken.
Als de rechter in hoger beroep oordeelt dat het verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst in eerste aanleg ten onrechte is toegewezen op grond van art. 7:669 lid 3, onderdeel c, d, e, g of h, BW en dat het verzoek om ontbinding wel toewijsbaar was op de i-grond en die rechter het voornemen heeft aan de werknemer – al dan niet ambtshalve – de extra vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW toe te kennen, moet hij partijen van zijn voornemen de extra vergoeding toe te kennen in kennis stellen en de werkgever gelegenheid geven zijn verzoek in te trekken. Indien de werkgever dat doet, kan de rechter met overeenkomstige toepassing van art. 7:683 lid 3 BW de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen.
3.5
Het hiervoor overwogene brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat de overige klachten van het middel geen behandeling behoeven.
4. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep
4.1
Hiervoor in 3.5 is gebleken dat het middel in het principale beroep doel treft. Daarmee is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld. Het daarin voorgestelde middel moet daarom worden onderzocht.
4.2
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof in rov. 5.13 bij de beoordeling of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden op de e-grond, slechts de overwegingen van de kantonrechter over de vier door de kantonrechter aangehaalde verwijten heeft besproken en beoordeeld. Het onderdeel klaagt terecht dat Profoto aan het beroep op de egrond in eerste aanleg en in hoger beroep méér ten grondslag heeft gelegd en dat niet blijkt dat het hof al die stellingen heeft beoordeeld. Aldus heeft het hof de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep en de herkansingsfunctie van het hoger beroep miskend.
4.3
Het hiervoor overwogene brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat de overige klachten van het middel geen behandeling behoeven.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep en in het incidentele beroep:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 30 april 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
in het principale beroep:
- veroordeelt Profoto in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de werknemer] begroot op € 361,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Profoto deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- veroordeelt [de werknemer] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Profoto begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de werknemer] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 18 juli 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑07‑2025
Gerechtshof Amsterdam 30 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1161.
Kamerstukken II 2018/19, 35074, nr. 9, p. 61, 65 en 72-73.
Conclusie 07‑03‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02972
Zitting 7 maart 2025
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[de werknemer] ,
verzoeker tot cassatie,
verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: S.F. Sagel,
tegen
Profoto B.V.,
verweerster in cassatie,
verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: J.B.B. Heinen.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [de werknemer] respectievelijk Profoto.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Dit is de eerste arbeidszaak die aan de Hoge Raad wordt voorgelegd waarin een rol is weggelegd voor de zogeheten ‘cumulatiegrond’ (de ‘i-grond’ uit art. 7:669 lid 3 BW). Deze i-grond is met de Wet arbeidsmarkt in balans per 1 januari 2020 toegevoegd aan de opsomming van redelijke gronden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Tegelijkertijd kreeg de kantonrechter, indien hij een arbeidsovereenkomst op de i-grond ontbindt, de mogelijkheid om aan de werknemer een aanvullende vergoeding toe te kennen ter hoogte van maximaal de helft van de transitievergoeding (art. 7:671b lid 8 BW).
1.2
De aanleiding voor deze procedure is het ontslag op staande voet van werknemer [de werknemer] door zijn werkgever Profoto, nadat [de werknemer] – zonder toestemming en met een door de werkgever geleende kostbare camera – anderhalve maand naar Iran is afgereisd voor een combinatie van werk en vakantie. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd. Deze beslissing staat in cassatie niet ter discussie.
1.3
De kantonrechter heeft op verzoek van Profoto de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens verwijtbaar handelen of nalaten van [de werknemer] (de ‘e-grond’ uit art. 7:669 lid 3 BW). Het hof heeft geoordeeld dat de kantonrechter niet kon komen tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond. Het hof laat de ontbinding echter wel in stand, maar baseert die op de i-grond. Het hof kent [de werknemer] niet een aanvullende vergoeding toe.
1.4
Mijns inziens kan de bestreden beschikking niet in stand blijven. Het lijkt erop dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep niet scherp voor ogen heeft gehad. Dat leidt tot slagende klachten van zowel het principaal cassatiemiddel van [de werknemer] als het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel van Profoto. Ten overvloede besteed ik aandacht aan de vraag of de aanvullende vergoeding bij ontbinding op de i-grond ambtshalve kan worden toegekend.
2. Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.
2.2
Profoto houdt zich bezig met het ontwikkelen en exploiteren van hard- en software voor productfotografie.
2.3
[de werknemer] , geboren in 1977, heeft de Iraanse nationaliteit en een Frans paspoort. Op 5 februari 2018 is [de werknemer] in dienst getreden bij Profoto in de functie van image processing developer. Daartoe is hij naar Nederland verhuisd. Laatstelijk genoot [de werknemer] een salaris van € 5.508,00 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van het personeelshandboek van Profoto van toepassing.
2.4
[betrokkene 1] , software development manager bij Profoto (hierna: [betrokkene 1]), heeft de vakantieaanvragen van [de werknemer] van 23 tot en met 31 december 2022 en van 16 tot en met 27 januari 2023 geaccordeerd. Op 4 december 2022 heeft [de werknemer] zijn vakantieaanvraag gewijzigd door de week van 23 tot en met 31 december te ruilen voor de week van 12 tot en met 18 december 2022. [betrokkene 1] heeft deze wijziging op 6 december 2022 geaccordeerd.
2.5
Op 11 december 2022 heeft [de werknemer] zich ziek gemeld en Profoto verzocht om zijn vakantiedagen om te zetten in ziektedagen.
2.6
Op 12 december 2022 is [de werknemer] naar Iran gegaan.
2.7
Op 14 december 2022 heeft [de werknemer] aan [betrokkene 1] laten weten dat hij zich weer wat beter voelde. Als reactie daarop heeft [betrokkene 1] [de werknemer] verzocht om de camera, die Profoto van Canon in bruikleen had (hierna: de camera), terug te brengen, zodra [de werknemer] weer beter was. [de werknemer] heeft [betrokkene 1] daarop laten weten dat hij de camera heeft meegenomen naar Iran om daarmee op afstand te kunnen werken, waarop [betrokkene 1] [de werknemer] heeft geschreven dat hij niet wist dat [de werknemer] op afstand zou werken. [betrokkene 1] heeft [de werknemer] gewezen op de regel dat hij zonder toestemming geen apparatuur mag meenemen op vakantie. Daarop heeft [de werknemer] laten weten dat hij al in Iran was en dat hij op 27 januari 2023 terug zou vliegen, maar dat dit om medische redenen misschien later zou worden. [de werknemer] heeft [betrokkene 1] verzocht om een alternatief te vinden voor de camera, of hem de tijd te geven om de camera via DHL terug te sturen naar kantoor. Partijen hebben overleg gevoerd over verschillende wijzen van terugbrengen van de camera.
2.8
Op 15 december 2022 heeft [de werknemer] zich beter gemeld.
2.9
Op 16 december 2022 heeft [de werknemer] laten weten dat hij de camera niet veilig per koerier kan versturen vanuit Iran.
2.10
Op 22 december 2022 heeft [de werknemer] een schriftelijke waarschuwing gekregen, kort gezegd vanwege het (1) van 11 december 2022 tot 16 januari 2023 zonder toestemming vanuit Iran werken, (2) zonder toestemming meenemen van de camera naar Iran en (3) benaderen van [betrokkene 2] in plaats van HR met betrekking tot een salarisverhoging, waarmee [de werknemer] de autoriteit van zijn manager heeft ondermijnd. [de werknemer] is gesommeerd om op 9 januari 2023 terug te zijn op het werk en de camera te retourneren.
2.11
Op 24 december 2022 heeft [de werknemer] voorgesteld om de camera mee te geven aan Iraniërs die naar Nederland zouden vliegen.
2.12
Op 30 december 2022 heeft Profoto aan [de werknemer] laten weten dat [de werknemer] de camera persoonlijk moet terugbrengen op 9 januari 2023, omdat er geen passende oplossing is om de camera terug te sturen vanuit Iran. Profoto heeft aangeboden om de kosten van de vlucht van [de werknemer] van Iran naar Nederland te betalen. Profoto heeft [de werknemer] verzocht om uiterlijk op 2 januari 2023 te laten weten of hij op 9 januari 2023 terug zal zijn.
2.13
Op 2 januari 2023 heeft [de werknemer] gereageerd op de officiële waarschuwing van 22 december 2022 dat hij (i) niet anders heeft gehandeld dan in voorgaande jaren, (ii) niet zonder toestemming van zijn manager op afstand is gaan werken en (iii) in voorgaande jaren ook apparatuur heeft meegenomen naar het buitenland om daarmee te werken.
2.14
Op 3 januari 2023 heeft Profoto [de werknemer] nogmaals verzocht om te laten weten of hij op 9 januari 2023 terug zal zijn op kantoor. Ook heeft Profoto aan [de werknemer] meegedeeld dat het werken op afstand niet is goedgekeurd en dat het niet opvolgen van de instructies gevolgen kan hebben voor zijn dienstverband.
2.15
Op 3 januari 2023 heeft [de werknemer] aan Profoto laten weten dat hij op 9 januari 2023 niet op kantoor terug zal zijn, omdat hij in verband met tandheelkundige behandelingen in Iran moet blijven. Hij heeft ook aangegeven dat hij last heeft van de waarschuwing en het dreigen met ontslag.
2.16
Op 4 januari 2023 heeft [de werknemer] zich ziek gemeld. Hij heeft aan Profoto laten weten dat hij in Iran een dokter heeft bezocht, die hem medicatie heeft voorgeschreven. Volgens [de werknemer] kampte hij met burn-outklachten.
2.17
Op 9 januari 2023 heeft [betrokkene 1] [de werknemer] gevraagd om bewijzen van zijn arbeidsongeschiktheid en van de tandheelkundige behandelingen.
2.18
Op 10 januari 2023 heeft [de werknemer] in een e-mailbericht aan Profoto laten weten dat hij naar een bedrijfsarts in Iran is geweest, die een milde depressie bij hem heeft geconstateerd en heeft geadviseerd om tot aan zijn vakantie wel werkzaamheden te verrichten. In datzelfde e-mailbericht schrijft [de werknemer] dat zijn tandheelkundige behandelingen hem niet belemmerden om eerder terug te keren naar Nederland.
2.19
Op 12 januari 2023 heeft [betrokkene 1] (wederom) aan [de werknemer] meegedeeld dat hij niet op afstand mag werken en dat hij deze dagen als vakantie moet opnemen. [de werknemer] reageert daarop met de opmerking dat het al vijf jaar gebruikelijk is om een paar dagen op afstand te mogen werken en stelt voor de discussie daarover voort te zetten na zijn vakantie. [betrokkene 1] heeft [de werknemer] verzocht een document over te leggen waaruit blijkt dat hij niet naar huis kan vliegen. Hij sluit zijn mail aan [de werknemer] af met de opmerking:
“I consider this being the latest communication on the subject and we will discuss this face-to-face the 30th of January when you are back from your vacation.”
[de werknemer] reageert daarop dezelfde dag met:
“Hi, I agree. Let this be the last communication. We will continue after my vacation.”
2.20
Op maandag 16 januari 2023 start de vakantie van [de werknemer] en is hij volgens eigen opgave niet bereikbaar.
2.21
[de werknemer] is per mail uitgenodigd voor een gesprek op 30 januari 2023 om 10:00 uur op het kantoor van Profoto. [de werknemer] heeft deze uitnodiging op 12 januari 2023 eerst geaccepteerd, maar deze diezelfde dag, korte tijd later, alsnog afgewezen omdat hij pas op 31 januari 2023 op Schiphol zou landen. Voor het misverstand rond zijn datum van terugkeer biedt hij zijn verontschuldigingen aan. Hij stelt vervolgens op 12 januari 2023 aan Profoto voor om het gesprek van 30 januari 2023 te verplaatsen naar woensdag 1 februari 2023. Hierop heeft Profoto niet gereageerd.
2.22
Op 18 januari 2023 heeft [HR-manager] aangekondigd dat Profoto zich het recht voorbehoudt op loonopschorting, omdat geen bewijsstuk is ontvangen waaruit blijkt dat [de werknemer] op 4 januari 2023 niet kon werken en niet kon terugkeren naar Nederland. Daarbij is [de werknemer] nogmaals gewezen op het gesprek van 30 januari 2023.
2.23
Op 24 januari 2023 is aan [de werknemer] meegedeeld dat zijn loon wordt opgeschort van 4 tot 10 januari 2023, totdat hij een bewijsstuk heeft ingeleverd met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid, de voorgeschreven behandeling en een verklaring dat hij niet naar huis kon vliegen. Verder is meegedeeld dat [de werknemer] op 30 januari 2023 op gesprek wordt verwacht met de mededeling ‘so far you have not confirmed this’, met als aankondiging dat als [de werknemer] niet verschijnt op het gesprek van 30 januari 2023 dit beschouwd zal worden als werkweigering en een reden voor ontslag op staande voet. In de ochtend van 30 januari 2023 heeft [de werknemer] per mail van 08.33 a.m. aan Profoto laten weten dat hij een recept van de huisarts en een verklaring van de door hem geraadpleegde bedrijfsarts heeft, waarin deze verklaart dat hij last heeft van angsten en depressie en aangeboden deze toe te zenden. Hij stelt voor om, zoals afgesproken, de discussie voort te zetten nu hij terug is van vakantie. Hij laat ook weten de inhouding op zijn salaris voorbarig te vinden, omdat hij nog niet schuldig is bevonden. Tot slot merkt hij op dat Profoto kennelijk zijn afwijzing d.d. 12 januari 2023 van het vergadervoorstel op 30 januari 2023 heeft gemist en verwijst naar de eerdere mailwisseling.
2.24
[de werknemer] is niet verschenen op het gesprek van 30 januari 2023, 10.00 uur.
2.25
Op 30 januari 2023 is [de werknemer] per e-mail en per brief op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van die datum staan als redenen daarvoor genoemd:
1. het onrechtmatig afwezig zijn op het werk door zonder toestemming in Iran te verblijven van 12 december 2022 tot 13 januari 2023;
2. het zonder toestemming vanaf 12 december 2022 op afstand werken vanuit Iran;
3. het meenemen van een dure camera van een relatie van Profoto naar Iran en het niet retourneren daarvan, ondanks diverse verzoeken van Profoto;
4. het afwijzen van het verzoek van Profoto om op 9 januari 2023 terug te keren naar Nederland, terwijl Profoto heeft aangeboden om het vliegticket te betalen;
5. het zonder geldige reden afwezig zijn op de meeting van 30 januari 2023;
6. het weigeren van het werk vanaf 30 januari 2023;
7. het gewaarschuwd zijn dat wanneer hij niet verschijnt op de meeting van 30 januari 2023, dit een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert;
8. het op die waarschuwing alleen reageren met een e-mail met het verwijt dat Profoto de discussie over werken op afstand en terugkeren op het werk in Nederland slecht heeft behandeld;
9. het overleggen van onvoldoende documenten met betrekking tot de gestelde ziekte tijdens zijn verblijf in Iran;
10. het door [de werknemer] niet bewijzen dat hij niet uit Iran kon terugkomen voor 30 januari 2023; en
11. het niet tijdig reageren op verzoeken en het negeren van instructies en communicatie.
In de ontslagbrief wordt [de werknemer] gesommeerd de bij hem in gebruik zijnde bedrijfsmiddelen van Profoto binnen drie dagen te retourneren en verzocht daarvoor een afspraak in te plannen. Na correspondentie tussen de advocaten van partijen (bevattend o.m. een verzoek en de weigering om het ontslag op staande voet in te trekken) heeft [de werknemer] de bedrijfsmiddelen op vrijdagmorgen 3 februari 2023 ingeleverd.
2.26
Op de salarisspecificatie van eind februari 2023 is een bedrag van € 5.948,64 bruto aan gefixeerde schadevergoeding verrekend met het loon en de eindafrekening van [de werknemer] . Profoto heeft [de werknemer] de wettelijke transitievergoeding uitbetaald.
3. Procesverloop
Eerste aanleg
3.1
Bij verzoekschrift van 16 maart 2023 heeft [de werknemer] de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, (hierna: de kantonrechter) verzocht om het ontslag op staande voet te vernietigen en om Profoto te veroordelen tot het wedertewerkstellen van hem en tot doorbetaling van zijn loon vanaf 30 januari 2023, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.
3.2
Profoto heeft verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van [de werknemer] af te wijzen. Voor het geval het ontslag op staande voet zou worden vernietigd, heeft Profoto de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst per direct, of op de eerst mogelijke datum, te ontbinden, primair op grond van verwijtbaar handelen zoals bedoeld in art. 7:669 lid 3 onder e BW (hierna: de e-grond), subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 3 onder g BW, hierna: de g-grond), meer subsidiair op grond van een combinatie van ontslaggronden (art. 7:669 lid 3 onder i BW, hierna: de i-grond). Verder heeft Profoto de kantonrechter verzocht om te bepalen dat [de werknemer] geen recht heeft op de transitievergoeding of enige andere vergoeding en om een verklaring voor recht dat [de werknemer] schadeplichtig is jegens Profoto, zodat de gefixeerde schadevergoeding verrekend mocht worden met de eindafrekening en Profoto per saldo niks meer verschuldigd is aan [de werknemer] voor wat betreft de eindafrekening.
3.3
Op 16 mei 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [de werknemer] heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van Profoto en heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt.
3.4
Bij beschikking van 13 juni 20232.heeft de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigd en Profoto veroordeeld tot betaling aan [de werknemer] van (achterstallig) loon ad € 5.508,00 bruto per maand, vanaf 30 januari 2023 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging tot een maximum van 10%, met veroordeling van Profoto in de proceskosten. De gedragingen van [de werknemer] zijn naar het oordeel van de kantonrechter weliswaar onbehoorlijk en onfatsoenlijk, maar leveren geen dringende reden op voor een ontslag op staande voet.
3.5
Bij dezelfde beschikking heeft de kantonrechter, op voorwaardelijk (tegen-)verzoek van Profoto, de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 1 augustus 2023, met veroordeling van [de werknemer] in de proceskosten. De kantonrechter heeft ontbonden op grond van verwijtbaar handelen door [de werknemer] (de e-grond). Van hem had, als redelijk handelend werknemer, mogen worden verwacht dat hij voordat hij naar Iran vertrok (tenminste) aan Profoto zou hebben gemeld dat hij (i) in de periode tussen zijn goedgekeurde vakanties op afstand vanuit Iran zou werken, (ii) de camera zou meenemen naar Iran, (iii) tijdrovende tandheelkundige behandelingen zou ondergaan in de periode dat hij vanuit Iran op afstand zou werken en (iv) mogelijk later dan 30 januari 2023 weer terug zou zijn op het kantoor van Profoto. [de werknemer] heeft daarover niet op een fatsoenlijke manier gecommuniceerd met Profoto. Alle door de kantonrechter vastgestelde handelingen tezamen maken dat sprake is van verwijtbaar handelen.3.
3.6
Het handelen van [de werknemer] is echter niet zodanig ernstig verwijtbaar dat dit ertoe zou moeten leiden dat [de werknemer] geen recht meer zou hebben op een transitievergoeding. Het verzoek van Profoto te bepalen dat [de werknemer] geen recht heeft op de transitievergoeding, heeft de kantonrechter afgewezen.
Hoger beroep
3.7
[de werknemer] is op 13 september 2024 van de beschikking van de kantonrechter in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof), onder aanvoering van drie grieven.
3.8
[de werknemer] verzoekt, zakelijk weergegeven:
primair
- dat het hof de beschikking van de kantonrechter zal vernietigen wat betreft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst,
- dat het hof zal bepalen dat de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht per 1 augustus 2023 dan wel met ingang van een door het hof te bepalen datum, wordt hersteld, met betaling van loon en vakantiebijslag, en
- indien het hof oordeelt dat de arbeidsovereenkomst met ingang van een latere datum dan 1 augustus 2023 wordt hersteld, verzoekt [de werknemer] om Profoto te veroordelen tot betaling van al hetgeen waarop [de werknemer] uit hoofde van het dienstverband tot die latere datum aanspraak zou hebben gehad,
subsidiair
- dat het hof, in plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst, Profoto veroordeelt tot betaling van een billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:683 lid 3 BW ter hoogte van € 214.151,- bruto,
zowel primair als subsidiair met veroordeling van Profoto in de proceskosten in beide instanties.
3.9
Profoto heeft op 31 januari 2024 een verweerschrift, tevens incidenteel beroepschrift, ingediend. Het verweer strekt tot afwijking van de verzoeken van [de werknemer] , met veroordeling in de proceskosten in beide instanties, met wettelijke rente.
3.10
Profoto verzoekt in incidenteel hoger beroep, onder aanvoering van zeven grieven, zakelijk weergegeven:
- vernietiging van de beschikking van de kantonrechter,
- verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet per 30 januari 2023 rechtsgeldig is verleend en dat [de werknemer] op grond van art. 7:677 BW schadeplichtig is jegens Profoto,
- veroordeling van [de werknemer] tot betaling van die gefixeerde schadevergoeding en tot terugbetaling van al hetgeen Profoto op basis van de beschikking in eerste aanleg aan [de werknemer] heeft betaald,
- met veroordeling van [de werknemer] in de proceskosten in beide instanties.
Indien het hof oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, verzoekt Profoto, zakelijk weergegeven:
primair:
- ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 13 juni 2023, dan wel bekrachtiging van de ontbindingsdatum van de kantonrechter (1 augustus 2023),
- verklaring voor recht dat het handelen van [de werknemer] kwalificeert als ernstig verwijtbaar handelen en dat [de werknemer] geen aanspraak heeft op de transitievergoeding,
Indien het hof deze verzoeken toewijst verzoekt Profoto daarnaast een verklaring voor recht dat Profoto de reeds betaalde transitievergoeding onverschuldigd heeft betaald aan [de werknemer] en dat [de werknemer] geen recht heeft op loon vanaf 13 juni 2023, dan wel het loon te matigen, en [de werknemer] te veroordelen tot terugbetaling van zowel de transitievergoeding als het brutoloon.
subsidiair, indien het hof oordeelt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft ontbonden, het primaire verzoek van [de werknemer] af te wijzen dan wel de arbeidsovereenkomst niet met terugwerkende kracht te herstellen. Daarnaast heeft Profoto het hof verzocht te bepalen dat [de werknemer] vanaf 1 augustus 2023 geen recht heeft op loon dan wel dat [de werknemer] recht heeft op 70% van zijn loon, en het subsidiaire verzoek van [de werknemer] af te wijzen en de billijke vergoeding op nihil vast te stellen.
zowel primair als subsidiair met veroordeling van [de werknemer] in de proceskosten in beide instanties.
3.11
[de werknemer] heeft een verweerschrift in incidenteel beroep ingediend, strekkende tot afwijzing van de verzoeken van Profoto.
3.12
Op 13 maart 2024 heeft een meervoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden. Beide partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
3.13
Bij beschikking van 30 april 20244.(hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof, kort gezegd,5.geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter in stand blijft, onder aanvulling van gronden (de i-grond, in plaats van de door de kantonrechter bij de ontbinding gehanteerde e-grond).
3.14
Het hof komt tot het oordeel dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft de opzegging door Profoto terecht vernietigd. Zie rov. 5.7-5.11 (in cassatie onbestreden).
3.15
Daarna komt het hof tot het oordeel dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet op de e-grond (verwijtbaar handelen) kon ontbinden. Zie rov. 5.13 (waartegen het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van Profoto zich richt).
3.16
Het hof beoordeelt vervolgens of de subsidiair en meer subsidiair door Profoto aangedragen redelijke gronden de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter kunnen dragen. Het gaat hier om de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) resp. de i-grond (combinatie van ontslaggronden).
3.17
Niet toewijsbaar was het ontbindingsverzoek op de g-grond, zou de kantonrechter daaraan zijn toegekomen, zo oordeelt het hof. Zie rov. 5.14 (in cassatie onbestreden).
3.18
Het hof oordeelt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst wel had kunnen ontbinden op de i-grond, waar het meer subsidiaire tegenverzoek van Profoto in eerste aanleg op zag. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst blijft dus in stand en dat betekent dat het hof niet toekomt aan toekenning van een vervangende billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:683 lid 3 BW. Zou de kantonrechter de ontbinding hebben uitgesproken op de i-grond, dan had de kantonrechter moeten beslissen of aan [de werknemer] , naast zijn recht op de transitievergoeding, nog een aanvullende vergoeding had moeten worden toegekend als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW. Het hof wijst die vergoeding niet toe. Zie rov. 5.15 en 5.16 (waartegen het principaal cassatieberoep van [de werknemer] zich richt).
3.19
Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [de werknemer] is geen sprake. Hij heeft recht op de transitievergoeding. Zie rov. 5.17 (in cassatie onbestreden).
Cassatie
3.20
[de werknemer] heeft tegen de bestreden beschikking op 30 juli 2024 – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. [de werknemer] heeft hierbij een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van de procesinleiding, omdat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof nog niet beschikbaar was. Na ontvangst van het proces-verbaal op 14 oktober 2024 heeft [de werknemer] van aanvulling afgezien.
3.21
Profoto heeft op 2 oktober 2024 een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Ook Profoto heeft een voorbehoud tot aanvulling gemaakt vanwege het ontbrekende proces-verbaal. Van de daartoe geboden gelegenheid heeft ook zij geen gebruik gemaakt. [de werknemer] heeft geen verweerschrift ingediend tegen het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van Profoto.
4. Bespreking van het principaal cassatiemiddel van [de werknemer]
4.1
Het cassatiemiddel van [de werknemer] bestrijdt zowel het oordeel van het hof dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden, zij het op de e-grond in plaats van de i-grond (onderdeel 1), als de beslissing om aan hem niet op de voet van art. 7:671b lid 8 BW een aanvullende vergoeding in verband met de i-grond toe te kennen (onderdeel 2). Onderdeel 3 bevat een voortbouwklacht.
Onderdeel 1
4.2
[de werknemer] bestrijdt het oordeel van het hof dat, kort gezegd, de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden . Het hof overweegt:
“5.15 Tot slot dient het hof te beoordelen of de kantonrechter de ontbinding wel op de i-grond (de combinatie van e en g) had kunnen toewijzen. Het hof komt op dat punt tot de conclusie dat dit meer subsidiaire tegenverzoek van Profoto wel toewijsbaar was. Het hof dient dat verzoek te beoordelen naar de stand van zaken ten tijde van die beslissing, althans de datum van de mondelinge behandeling bij de kantonrechter. Allereerst had de kantonrechter kunnen vaststellen dat er sprake was van enig verwijtbaar handelen (al was dat op zichzelf onvoldoende voor de gevraagde ontbinding) en ook dat er sprake was van een – door miscommunicatie en daarop gebaseerd ontslag – wel in meer dan geringe mate verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter had daarin ook (al dan niet ambtshalve) mogen betrekken het feit dat [de werknemer] , hoewel toen niet arbeidsongeschikt, niet had verzocht of gevorderd om bij voorlopige maatregel, uitvoerbaar bij voorraad, toegelaten te worden tot het verrichten van de bedongen arbeid. Door die toelating slechts in de bodemprocedure te vorderen, waarvan – na een juiste toepassing van het bewijsrecht – de verwachte duur zodanig lang kon zijn dat terugkeer op basis van de eindbeschikking reeds vanwege die lange duur illusoir zou kunnen worden bevonden (nog afgezien van het risico van dan een toegewezen voorwaardelijk ontbindingsverzoek, waarna terugkeer niet meer aan de orde zou zijn), heeft [de werknemer] onvoldoende weersproken dat de verhouding tussen partijen stevig verstoord was. Een door de kantonrechter op basis van dit dossier op de i-grond (als voldragen grond, bestaande uit een combinatie van elementen van e en g) uitgesproken ontbinding had het hof daarom gegrond bevonden. De i-grond is immers voor situaties als deze in de wet opgenomen. Met die vaststelling is niet voldaan aan het wettelijk vereiste dat luidt dat herstel dan wel toekenning van een vervangende billijke vergoeding pas aan de orde komt als het hof tot het oordeel komt dat het verzoek tot ontbinding ten onrechte is toegewezen (…).”
Geen billijke vergoeding ex artikel 7:683, lid 3 BW
5.16.
Het hof gaat ervan uit dat aan het wettelijk criterium (‘ten onrechte ontbonden’) niet is voldaan. (…)”
4.3
Het onderdeel valt uiteen in vier subonderdelen (a-d). De invalshoeken zijn, kort gezegd:
a. de (verzwaarde) stelplicht van de werkgever bij de i-grond;
b. het verbod tot aanvulling van de feitelijke grondslag door de rechter (art. 24 Rv);
c. de mogelijkheid van herplaatsing (art. 7:669 lid 1 BW); en
d. motiveringseisen bij ontbinding op de i-grond.
4.4
Voordat ik de klachten van onderdeel 1 bespreek, maak ik enkele opmerkingen over de i-grond in art. 7:669 lid 3 onder i BW (ook wel ‘cumulatiegrond’ genoemd).
De i-grond
4.5
Art. 7:669 lid 1 BW bepaalt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
4.6
Art. 7:669 lid 3 BW bevat een limitatieve opsomming van die redelijke gronden voor opzegging:
“3. Onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 wordt verstaan:
a. het vervallen van arbeidsplaatsen (…);
b. ziekte of gebreken van de werknemer (…);
c. het bij regelmaat niet kunnen verrichten van de bedongen arbeid als gevolg van ziekte of gebreken van de werknemer met voor de bedrijfsvoering onaanvaardbare gevolgen, mits (…);
d. de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer, mits de werkgever de werknemer hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en hem in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer;
e. verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren;
f. het weigeren van de werknemer de bedongen arbeid te verrichten wegens een ernstig gewetensbezwaar, mits (…);
g. een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren;
h. andere dan de hiervoor genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren;
i. een combinatie van omstandigheden genoemd in twee of meer van de gronden, bedoeld in de onderdelen c tot en met e, g en h, die zodanig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.”
4.7
Deze bepaling is eveneens relevant bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst,6.ook al spreekt art. 7:669 BW van ‘opzeggen’. De kantonrechter kan een werkgeversverzoek tot ontbinding slechts inwilligen indien is voldaan aan de in art. 7:669 BW neergelegde voorwaarden voor opzegging en geen opzegverbod van toepassing is (art. 7:671b lid 2 BW).
4.8
De (voor)geschiedenis van de i-grond is als volgt.
4.9
Met de Wet werk en zekerheid (Wwz) is het ontslagrecht per 1 juli 2015 grondig herzien. Dit heeft onder meer geleid tot de invoering van het grondenstelsel.
4.10
Vóór die tijd kon de werkgever kiezen of hij het UWV verzocht om toestemming voor opzegging (art. 6 lid 1 BBA 1945 (oud)) of dat hij de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden ‘wegens gewichtige redenen’, veelal bestaande uit ‘veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen’ (art. 7:685 BW (oud)). Hierbij kon de kantonrechter, zo het hem met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkwam, een vergoeding toekennen.
4.11
Door met de Wwz concrete normen op te nemen om te beoordelen of sprake is van een redelijke grond voor ontslag, werd beoogd om juridisering van ontslag te voorkomen en de rechtszekerheid te bevorderen.7.Bij ontslag heeft de werknemer in beginsel recht op een transitievergoeding, waarvan de hoogte rechtstreeks uit de wet voortvloeit (art. 7:673 BW). Daarnaast kan de rechter, indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, de werknemer een billijke vergoeding toekennen (art. 7:671b lid 9 onder c BW).
4.12
Per 1 januari 2020 is de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) in werking getreden. Daarbij is de lijst met redelijke gronden uitgebreid met de i-grond. Met dit onderdeel van de Wab werd tegemoetgekomen aan het in de praktijk gebleken knelpunt dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd wordt geacht, hoewel niet is voldaan aan een van de redelijke gronden genoemd in art. 7:669 lid 3 onder a t/m h BW.8.Het gaat meer specifiek om omstandigheden die afzonderlijk onvoldoende zijn om een redelijke grond te vormen, maar waarbij gezien het geheel van omstandigheden het redelijk wordt geacht dat de arbeidsovereenkomst eindigt.9.Het is aan de rechter om te beoordelen of de door de werkgever aangevoerde omstandigheden in combinatie met elkaar een redelijke grond vormen die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Met de introductie van de i-grond werd beoogd het ontslagrecht te verruimen, zonder te breken met het stelsel van gesloten ontslaggronden.10.
4.13
Wel achtte de wetgever het wenselijk dat de rechter bij ontbinding op de i-grond de mogelijkheid heeft om aan de werknemer een extra vergoeding toe te kennen, ter compensatie voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst terwijl de overige ontslaggronden ieder voor zich onvoldoende zijn om een ontslag te rechtvaardigen.11.Daarom werd per eveneens 1 januari 2020 voorzien in de mogelijkheid van een additionele vergoeding (hierna: aanvullende vergoeding, soms aangeduid als ‘cumulatievergoeding’). De aanvullende vergoeding is neergelegd in art. 7:671b lid 8 BW dat als volgt luidt:
“8. Indien de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt op grond van artikel 669, lid 3, onderdeel i, kan hij aan de werknemer een vergoeding toekennen van ten hoogste de helft van de transitievergoeding, bedoeld in artikel 673, lid 2”.
4.14
De aanvullende vergoeding heeft een ander karakter dan de transitievergoeding (en de billijke vergoeding), en moet daarvan los worden gezien. Ik citeer uit de wetsgeschiedenis, allereerst de memorie van toelichting:
“De gevolgen van het ontslag voor de werknemer spelen geen rol bij de vaststelling van de hoogte van de extra vergoeding. Deze zijn immers al verdisconteerd in de transitievergoeding. Ook eventuele ernstige verwijtbaarheid van de werkgever speelt geen rol bij het vaststellen van de hoogte van de extra vergoeding. Als ernstige verwijtbaarheid aan de orde is kan de rechter een billijke vergoeding toekennen.”12.
Zie ook de nota naar aanleiding van het verslag:
“Van een hogere transitievergoeding bij een beroep op de i-grond is geen sprake. De extra vergoeding is juist een separate aanvulling op de transitievergoeding. Deze extra vergoeding is bedoeld als compensatie voor toepassing van de cumulatiegrond. De aard van deze extra vergoeding is een andere dan de aard van de transitievergoeding. (…)
De leden van de D66-fractie spreken over een hogere transitievergoeding, maar de extra vergoeding is naar zijn aard nadrukkelijk geen transitievergoeding.”13.
4.15
In de praktijk kent de rechter bij ontbinding op de i-grond vrijwel altijd een aanvullende vergoeding toe aan de werknemer. Deze wordt in ongeveer twee derde van de gevallen bepaald op 50% van de transitievergoeding, oftewel op het maximale bedrag.14.
Bespreking van de klachten van onderdeel 1
4.16
Subonderdeel 1.a bevat een rechtsklacht en een motiveringklacht. Die klachten stellen de stelplicht van de werkgever ten aanzien van de i-grond aan de orde.
4.17
Het subonderdeel neemt tot uitgangspunt dat voor toewijzing van een ontbindingsverzoek op de i-grond de werkgever dient te voldoen aan “een (verzwaarde) stelplicht”: de werkgever dient precies aan te geven en te onderbouwen welke omstandigheden/elementen uit twee of meer van de ontslaggronden (c, d, e, g en h-grond) ertoe hebben geleid dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.15.Voldoet de werkgever hieraan niet, dan dient het ontbindingsverzoek, voor zover gebaseerd op de i-grond, te worden afgewezen.16.Deze (verzwaarde) stelplicht leidt de steller van het middel af uit de wetsgeschiedenis van de i-grond.17.
4.18
De rechtsklacht houdt in dat het hof heeft miskend dat voor ontbinding op de i-grond slechts ruimte bestaat wanneer de werkgever precies heeft gesteld en onderbouwd welke omstandigheden uit twee of meer van de c, d, e, g en h-grond ertoe hebben geleid dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, en waarom die combinatie van omstandigheden tot ontbinding moet leiden.18.Profoto heeft immers in het geheel niet concreet aangegeven en onderbouwd welke omstandigheden zij aan haar beroep op de cumulatiegrond ten grondslag legde, aldus het subonderdeel.19.
4.19
De motiveringsklacht wordt opgeworpen voor het geval het hof op dit punt niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. In dat geval is zijn impliciete oordeel dat Profoto in rechte voldoende precies heeft gesteld waaruit de i-grond die ontbinding van het dienstverband van [de werknemer] rechtvaardigde in dit geval bestond, onbegrijpelijk in het licht van de (enkel) blote en algemene stellingen van Profoto, waarin – zonder enige nadere toelichting, die in de bestreden beschikking ontbreekt – de rechtens vereiste concretisering in het geheel niet te lezen valt.
4.20
Mijns inziens faalt het subonderdeel.
4.21
Het lijkt erop dat [de werknemer] verdedigt dat aanleiding bestaat om de i-grond wat betreft de stelplicht anders te behandelen dan de overige redelijke gronden uit art. 7:669 lid 3 BW. Een dergelijke opvatting houd ik voor onjuist.
4.22
Bij de i-grond behoort het tot de stelplicht van de werkgever dat van hem niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zoals overigens ook geldt bij de e-, g- en h-grond. Ik zie geen aanleiding om de i-grond wat betreft de stelplicht strenger, althans anders, te behandelen dan de overige redelijke gronden. Hierbij betrek ik dat de wetgever ervoor heeft gekozen om de i-grond te beschouwen als een volwaardige redelijke grond voor ontslag. Zie de memorie van toelichting (mijn onderstreping, ook in de daarop volgende citaten):20.
“Dit wetsvoorstel regelt voor de hiervoor geschetste situaties dat deze cumulatie van omstandigheden een redelijke grond vormt voor ontslag en voegt daartoe een nieuwe grond toe aan de redelijke gronden voor ontslag: de i-grond (van artikel 7:669, derde lid, BW). Deze grond houdt in dat er sprake moet zijn van een combinatie van omstandigheden uit twee of meer ontslaggronden (c tot en met h) die zodanig is dat in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het stelsel van gesloten ontslaggronden, dat is ingevoerd teneinde juridisering van ontslag tegen te gaan en werkgever en werknemer zoveel mogelijk rechtszekerheid vooraf te bieden, blijft daarmee intact. De werkgever kan om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoeken op een van de ontslaggronden c tot en met h en subsidiair, voor het geval de rechter tot het oordeel komt dat deze gronden onvoldragen zijn of onvoldoende onderbouwd, op grond van de cumulatiegrond. De werkgever kan ook de cumulatiegrond primair ten grondslag leggen aan het ontbindingsverzoek, waarbij dan wel omstandigheden uit twee of meer gronden (c-h) moeten worden aangevoerd. Voor de werknemer kan daar wel een hogere gemaximeerde, door de rechter te bepalen, vergoeding naast de transitievergoeding tegenover staan, hetgeen in de volgende paragraaf nader wordt toegelicht.”
4.23
Uiteraard zal de werkgever feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen aan zijn ontbindingsverzoek, ongeacht op welke redelijke grond(en) het verzoek is gebaseerd. De memorie van toelichting bij de Wab biedt echter geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de i-grond wat dit betreft een afwijkende – en voor de werkgever striktere – benadering zou kennen. In het bijzonder valt dit niet af te leiden uit het bovenstaande citaat, waarin ten aanzien van de werkgever die zich primair op de i-grond beroept wordt verwezen naar het aanvoeren van omstandigheden uit meerdere van de overige redelijke gronden. Ook volgt hieruit niet dat de werkgever die zich subsidiair of (zoals in het voorliggende geval) meer subsidiair op de i-grond beroept, hij niet aan zijn stelplicht ter zake zou kunnen voldoen door te verwijzen naar omstandigheden die in het kader van andere ontslaggronden zijn aangevoerd.
4.24
De nota naar aanleiding van het verslag, waaruit subonderdeel 1.a citeert, leidt niet tot een ander oordeel. Dat de werkgever het ontbindingsverzoek moet motiveren, moet beschikken over een deugdelijk dossier en moet onderbouwen waarom de door hem aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontslag opleveren,21.wijst er niet op de voor de i-grond een zwaardere stelplicht zou gelden dan voor de overige redelijke gronden genoemd in art. 7:669 lid 3 BW.
4.25
Hetzelfde geldt voor de andere passage waarnaar het subonderdeel verwijst:22.
“De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering het risico ziet dat de cumulatiegrond juist als een meer open grond gaat gelden, met het risico dat werkgevers verschillende slecht onderbouwde gronden bij elkaar zullen «verzamelen».
Door toevoeging van de cumulatiegrond wordt niet gebroken met het huidige gesloten stelsel van ontslaggronden. Voor een succesvol beroep op de cumulatiegrond dient de werkgever immers precies aan te geven en te onderbouwen welke omstandigheden uit twee of meer van de gronden c tot en met h tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst ertoe hebben geleid dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De rechter beoordeelt of sprake is van een redelijke grond en zal, wanneer daarvan geen sprake is, niet overgaan tot ontbinding. Voor een gerechtvaardigd beroep op de cumulatiegrond is dan ook vereist dat in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Enkele slecht onderbouwde gronden die bij elkaar zijn gesprokkeld om op eenvoudige wijze tot beëindiging te komen zijn daarvoor niet voldoende.”
4.26
Voor zover het middel niet een strengere stelplicht bij de i-grond zou bepleiten dan bij de overige redelijke gronden, zie ik de klachten van dit eerste subonderdeel ook niet slagen. Dit laat zich als volgt toelichten.
4.27
De cassatieklachten nemen als vertrekpunt dat Profoto haar beroep op de i-grond slechts heeft onderbouwd met een algemene verwijzing naar hetgeen zij heeft aangevoerd in het kader van haar beroep op de door haar in eerste aanleg primair (e-grond) en subsidiair (g-grond) aangevoerde omstandigheden. Volgens de procesinleiding heeft Profoto haar beroep op de cumulatiegrond niet anders of beter heeft onderbouwd dan met de volgende stellingen23.weergegeven in het verweerschrift tevens voorwaardelijk ontbindingsverzoek van Profoto:24.
“5.8 (…) Uit de combinatie van feiten en omstandigheden, zoals uitvoerig verwoord in dit uitgebreide processtuk, afkomstig van twee of meerdere van de hiervoor genoemde ontslaggronden (e- en g-grond) volgt dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in alle redelijkheid niet van Profoto kan worden gevergd. De onderbouwing van de hiervoor genoemde ontslaggronden bevat (meer dan) voldoende aanknopingspunten voor cumulatie van twee of meer gronden en uitsluitend voor het geval deze gronden op zichzelf 'onvoldragen' zijn.”
4.28
Dat is echter niet het hele verhaal. Het betoog van Profoto vervolgt namelijk:
“5.9 Wat Profoto betreft is immers sprake van een situatie waarbij de gedragingen van [de werknemer] dienen te worden aangemerkt als (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten en wel zodanig dat als gevolg daarvan Profoto elk vertrouwen dat zij als werkgever dient te hebben in [de werknemer] als werknemer heeft verloren. Profoto ziet een terugkeer van [de werknemer] op het werk absoluut niet zitten. Indien en voorzover deze arbeidsovereenkomst nog mocht bestaan vanaf 30 januari 2023, dan dient deze arbeidsovereenkomst hoe dan ook te eindigen en vandaar dit voorwaardelijk verzoek tot ontbinding.”
4.29
Gelet hierop faalt subonderdeel 1.a reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Profoto heeft met de zojuist geciteerde nrs. 5.8 en 5.9 wel degelijk voldaan aan haar stelplicht met betrekking tot de i-grond, indachtig de overige door haar aangevoerde feiten en omstandigheden in het kader van haar beroep op de e- en g-grond (welke in dit geval grotendeels verwant zijn aan hetgeen Profoto ten grondslag heeft gelegd aan het door haar gegeven ontslag op staande voet).25.
4.30
Subonderdeel 1b klaagt over het door de rechter ambtshalve bijbrengen van feiten en omstandigheden, dus het aanvullen van de feitelijke grondslag door de rechter. De rechtsklacht en de motiveringsklacht richten zich specifiek tegen het oordeel van het hof in rov. 5.15, vijfde zin, dat de kantonrechter in zijn oordeel (al dan niet ambtshalve) ook had mogen betrekken “het feit dat [de werknemer] , hoewel toen niet arbeidsongeschikt, niet had verzocht of gevorderd om bij voorlopige maatregel, uitvoerbaar bij voorraad, toegelaten te worden tot het verrichten van de bedongen arbeid”. Dat argument komt enkel en alleen uit de spreekwoordelijke koker van het hof, aldus de steller van het middel.26.
4.31
De rechtsklacht houdt in dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door in rov. 5.15 klaarblijkelijk te oordelen dat de kantonrechter de vrijheid heeft om de aanwezigheid van een cumulatiegrond, buiten de feitelijke stellingen van de werkgever om, (mede) te baseren op door de kantonrechter zelf bijgebrachte feiten en omstandigheden, althans heeft het hof zelf – in strijd met het bepaalde in art. 24 Rv – de feitelijke grondslag van het ontbindingsverzoek, voor zover gebaseerd op de cumulatiegrond, aangevuld.27.
4.32
De motiveringsklacht wordt opgeworpen voor het geval de bestreden beschikking zó zou moeten worden gelezen dat het hof ook heeft beslist dat het de kantonrechter vrijstond om het vervuld zijn van de cumulatiegrond (mede) te baseren op het uitblijven van een verzoek of vordering van [de werknemer] om bij wijze van voorlopige maatregel tot zijn werk te worden toegelaten, omdat Profoto zich daarop ter onderbouwing van haar beroep op de i-grond had beroepen. Die beslissing getuigt dan van een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van Profoto, aldus de klacht.28.
4.33
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.34
Het middel neemt tot uitgangspunt dat de kantonrechter indachtig art. 24 Rv niet de vrijheid heeft om de aanwezigheid van de i-grond, buiten de feitelijke stellingen van de werkgever om, (mede) te baseren op door de rechter zelf bijgebrachte feiten en omstandigheden. Dat is juist: het is aan de werkgever om te beslissen welke feiten en omstandigheden hij aan het ontbindingsverzoek ten grondslag legt.
4.35
Toch slaagt het subonderdeel niet. Net als Profoto29.lees ik de bestreden beschikking anders dan de steller van het middel doet en meen ik daarom dat de klachten feitelijke grondslag missen. Het hof heeft namelijk niet de feitelijke grondslag van het ontbindingsverzoek aangevuld met de omstandigheid dat [de werknemer] geen voorlopige maatregelen heeft geïnitieerd om tot zijn werk te worden toegelaten. Het hof betrekt deze omstandigheid bij zijn oordeel dat door [de werknemer] “onvoldoende weersproken” is dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding,30.welke verstoring Profoto aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd. Art. 24 Rv staat hieraan niet in de weg. Het middel klaagt overigens niet dat het hof op dit punt een verrassingsbeslissing zou hebben gegeven.
4.36
Meer in algemene zin merk ik nog wel het volgende op. Een op staande voet ontslagen werknemer moet zich binnen de vervaltermijn van twee maanden tot de rechter wenden als hij zich niet kan vinden in de onverwijlde opzegging. Vernietigt de rechter het ontslag op staande voet31.en komt hij daardoor toe aan de beoordeling van een (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek van de werkgever, dan is het mijns inziens onwenselijk te achten dat de werknemer krijgt tegengeworpen dat hij niet zélf rechtsmaatregelen heeft genomen32.ten einde reeds voorafgaand aan de door de werknemer beoogde vernietiging van de opzegging weer tot het werk te worden toegelaten. In zijn algemeenheid valt niet goed in te zien dat de ten onrechte op staande voet ontslagen werknemer hiertoe gehouden zou zijn, terwijl het juist de werkgever is die heeft gekozen voor de niet gerechtvaardigde inzet van ontslag op staande voet. In deze zaak kan dit punt verder blijven rusten.
4.37
Subonderdeel 1.c richt pijlen op de wijze waarop het hof is omgegaan met de herplaatsingsplicht uit art. 7:669 lid 1 BW. De arbeidsovereenkomst is in eerste aanleg ontbonden op de e-grond, zodat herplaatsing vanwege art. 7:669 lid 3 onder e BW niet in de rede lag. Nu het hof oordeelt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet op de e- maar wel op de i-grond had kunnen ontbinden, diende het hof vast te stellen dat ten tijde van de beslissing in eerste aanleg (althans de mondelinge behandeling in eerste aanleg) voldaan was aan de herplaatsingsplicht uit art. 7:669 lid 1 BW. Het hof heeft verzuimd dit te doen. De klachten komen erop neer dat hetzij het oordeel van het hof dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, hetzij dat het hof zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd door geen enkel inzicht te bieden in zijn gedachtegang dat en waarom in eerste aanleg aan de herplaatsingsplicht voldaan was.
4.38
Het subonderdeel slaagt om de volgende reden.
4.39
Na de bezwaren van [de werknemer] tegen de op de e-grond gebaseerde ontbinding gegrond te hebben geacht (zie rov. 5.13), onderzoekt het hof of de door Profoto subsidiair (g-grond) en/of meer subsidiair (i-grond) aangedragen gronden de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter kunnen dragen (rov. 5.14). Het hof komt tot de conclusie dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet op de g-grond maar wel op de i-grond toewijsbaar is (rov. 5.15). Het komt mij echter voor dat het hof hierbij de vraag naar herplaatsing over het hoofd heeft gezien. De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst immers slechts ontbinden indien is voldaan aan de in art. 7:669 BW neergelegde voorwaarden voor opzegging (zie art. 7:671b lid 2 BW), waaronder begrepen het vereiste uit art. 7:669 lid 1 BW dat “herplaatsing binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt”. Daar is het hof echter niet op ingegaan.
4.40
Herplaatsing ligt in elk geval niet in de rede indien sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub e BW, zo bepaalt het slot van lid 1. Dat verklaart dat de beschikking in eerste aanleg niet over herplaatsing rept; de kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst immers op de e-grond.
4.41
Nu het hof oordeelt dat in dit geval niet op de e-grond kon worden ontbonden, moest het – in het kader van door hem terecht opgeworpen vraag of de ontbindingsbeschikking wel in stand zou kunnen blijven op de i-grond – alsnog beoordelen of in dat geval herplaatsing van [de werknemer] destijds niet mogelijk was of niet in de rede lag, ook al hebben partijen het hof niet attent gemaakt op het herplaatsingsvereiste. Het subonderdeel klaagt met recht dat het hof dit ten onrechte heeft nagelaten.
4.42
Ik acht het overigens niet ondenkbaar dat het hof in dit geval tot het oordeel kon zijn gekomen dat de kantonrechter bij ontbinding op de i-grond had kunnen oordelen dat herplaatsing van [de werknemer] niet in de rede ligt, gelet op de feiten en omstandigheden die volgens het hof een voldragen i-grond opleverden, zoals Profoto in cassatie uiteenzet.33.Feit is evenwel dat de bestreden beschikking van die feiten en omstandigheden geen gewag maakt34.en, zoals [de werknemer] terecht klaagt, niet enig inzicht geeft in zo’n (veronderstelde) gedachtegang.
4.43
Subonderdeel 1.d stelt de rechterlijke motiveringsplicht bij een ontbinding op de i-grond aan de orde, met (primair) een rechtsklacht en (subsidiair) twee motiveringsklachten.
4.44
De rechtsklacht komt erop neer dat het hof klaarblijkelijk heeft miskend dat de rechter, bij een beroep op de cumulatiegrond, in zijn beschikking deugdelijk zal moeten motiveren niet alleen (i) uit welke gedeeltelijk vervulde wettelijke ontslaggronden de cumulatiegrond is samengesteld, maar ook (ii) uit welke feiten en omstandigheden die gedeeltelijk voldragen gronden dan bestaan en waarom die combinatie meebrengt dat het dienstverband in redelijkheid niet langer kan worden voortgezet. Dit ligt in het verlengde van de stelplicht van de werkgever, die bij een beroep op de cumulatiegrond ‘precies’ zal moeten stellen en onderbouwen welke feiten en omstandigheden vallend in het domein van de relevante ontslaggronden (c, d, e, g en h-grond) samen de cumulatiegrond vormen, maar ook gelet op de zwaarwegende belangen die in het algemeen voor een werknemer betrokken zijn bij de beëindiging van het dienstverband. Zo’n deugdelijke motivering is eens te meer vereist nu de cumulatiegrond – blijkens de wetsgeschiedenis – niet beoogt te breken met het fundamentele uitgangspunt van het met de Wwz geïntroduceerde ontslagrecht dat voor beëindiging van het dienstverband pas ruimte bestaat als sprake is van een voldragen wettelijke ontslaggrond als vermeld in art. 7:669 lid 3 BW en ook de rechterlijke toets van het vervuld zijn van de cumulatiegrond geen lichtere beoogt te zijn dan de toetsing aan de overige redelijke gronden voor ontslag, aldus het middel.
4.45
De motiveringsklacht onder a houdt in dat uit de bestreden beschikking niet, althans in elk geval niet op voldoende begrijpelijke wijze, valt af te leiden waaruit het verwijtbare gedrag zijdens [de werknemer] dat onderdeel uitmaakt van de i-grond, zou bestaan.
4.46
Het hof overweegt in rov. 5.15, vierde zin, dat de kantonrechter had kunnen vaststellen dat er sprake was van “enig verwijtbaar handelen”. In rov. 5.15 wordt niet verduidelijkt waaruit dat verwijtbare gedrag precies bestond; partijen zullen dat moeten distilleren uit rov. 5.13, waarin het hof is ingegaan op de vraag of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden op de e-grond. De motiveringsklacht komt erop neer dat ook uit rov. 5.13 niet – althans in elk geval niet zonder nadere toelichting – valt af te leiden dat de e-grond op enige, voor ontslag relevante wijze, vervuld is.
4.47
Volgens het middel is het hof bij de beoordeling of sprake is van verwijtbaar handelen in de zin van de e-grond (en of die grond vervuld is), de vier omstandigheden langsgelopen die de kantonrechter (in rov. 5.21) aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd.35.De beoordeling door het hof komt erop neer dat geen van die vier omstandigheden zelfs maar kan bijdragen aan het bestaan van een e-grond en/of een ontslagrechtelijk relevant verwijt oplevert.36.Dat zo zijnde, is de beslissing van het hof in rov. 5.15 dat de cumulatiegrond mede steunt op verwijtbaar gedrag (wat dus betekent: verwijtbaar handelen in de zin van de e-grond), onbegrijpelijk gemotiveerd: ook uit rov. 5.13 valt niet – althans in elk geval niet zonder enige nadere toelichting, die ontbreekt – af te leiden dat de e-grond op enige, voor ontslag relevante wijze, vervuld is. De beslissing van het hof is onbegrijpelijk, althans volstrekt onvoldoende gemotiveerd,37.aldus [de werknemer] in zijn motiveringklacht onder a.
4.48
Mijns inziens slaagt de klacht.
4.49
In zijn algemeenheid geldt dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.38.De Hoge Raad heeft dit aangemerkt als ‘grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging’.39.Uiteraard hangt mede af van het partijdebat welke eisen precies aan de motivering moeten worden gesteld.
4.50
In deze zaak berust het oordeel van het hof over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op een aantal overwegingen waartussen een zekere spanning bestaat. Anders dan de kantonrechter oordeelde, oordeelt het hof dat aan de voorwaarden van de e-grond niet is voldaan. Aan de voorwaarden van de subsidiair voorgedragen g-grond is volgens het hof evenmin voldaan. Vervolgens oordeelt het hof echter op basis van omstandigheden uit het domein van zowel de e-grond als de g-grond dat er wel een voldoende grondslag bestaat voor toepassing van de i-grond. Dat laatste oordeel is conceptueel voorstelbaar, maar het vergt wel een stevige motivering.
4.51
Het hof heeft in de bestreden beschikking onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang leidend tot het oordeel dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op de i-grond zou hebben kunnen ontbinden. Bij dat oordeel betrekt het hof dat de kantonrechter had kunnen vaststellen dat er sprake was “van enig verwijtbaar handelen” van [de werknemer] (dat op zichzelf onvoldoende was voor de gevraagde ontbinding). Zie rov. 5.15, vierde zin. Dat lijkt mij te onbepaald, ook indachtig de rest van de bestreden beschikking.
4.52
Het hof vermeldt in rov. 5.15, vierde zin, dat genoemd ‘enig verwijtbaar handelen’ op zichzelf onvoldoende was voor de gevraagde ontbinding op de e-grond. Het ligt daarom voor de hand dat het hof met dat ‘enig verwijtbaar handelen’ terugverwijst naar rov. 5.13, waar het tot dat oordeel over de e-grond is gekomen. Dat maakt echter nog niet duidelijk op welk verwijtbaar handelen van [de werknemer] het hof precies het oog heeft bij het oordeel dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op de i-grond had kunnen ontbinden.
4.53
Het hof constateert in rov. 5.13 dat de essentie van de ontbindingsbeslissing van de kantonrechter is dat [de werknemer] niet op een fatsoenlijke manier met Profoto heeft gecommuniceerd. Daarbij verwijst de kantonrechter in rov. 5.21 van haar beschikking expliciet naar vier elementen die [de werknemer] vóór zijn vertrek naar Iran aan Profoto had moeten melden (zie ook reeds 3.5), namelijk dat hij:
(i) in de periode tussen zijn goedgekeurde vakanties op afstand vanuit Iran zou werken,
(ii) de camera had meegenomen naar Iran,
(iii) tijdrovende tandheelkundige behandelingen zou ondergaan in de periode dat hij vanuit Iran op afstand zou werken, en
(iv) mogelijk later dan 30 januari 2023 weer terug zou kunnen zijn op het kantoor van Profoto.
Het hof loopt in de tweede alinea van rov. 5.13 deze vier punten langs in het kader van de e-grond, welke grond volgens het hof dus onvoldragen is.
4.54
Op mijn beurt zal ik deze vier gronden langslopen met het oog op de vraag of het hof voldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang leidend tot het oordeel dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op de i-grond zou hebben kunnen ontbinden, in het bijzonder daar waar het gaat om het ‘enig verwijtbaar handelen’ van [de werknemer] .
- Ad (i). Met de steller van het middel veronderstel ik dat het verwijt van op afstand werken Profoto niet helpt. Het hof overweegt immers dat [de werknemer] in alle, althans diverse eerdere jaren voor en na de jaarwisseling periodes van (vastgestelde) vakanties afwisselde met aansluitende periodes van werken op afstand, ofwel vanuit Mexico (waar zijn vriendin woont) ofwel vanuit Iran (zijn geboorteland), welke informatie ook bekend was bij de direct leidinggevende [betrokkene 1] , waarbij het hof ervan uitgaat dat deze wist of zich ten minste had kunnen realiseren dat [de werknemer] ook rond de jaarwisseling 2022/2023 op vergelijkbare wijze als in eerdere jaren op afstand zou werken en tegen welke achtergrond het hof overweegt dat het van [betrokkene 1] (handelend namens Profoto) verwacht had mogen worden dat hij hierover een vraag had gesteld toen hij aanvankelijk toestemming gaf voor twee vakanties met een tussenliggende periode van twee weken, dan wel nadien na wijziging van de data van de eerste vakantieperiode.40.Als [betrokkene 1] daar als nieuwe leidinggevende van [de werknemer] een probleem mee had, dan had [betrokkene 1] dat zelf tijdig aan de orde kunnen stellen, aldus het hof.41.Gelet op deze voorgeschiedenis beoordeelt het hof het verwijt onder (i) “niet als zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [de werknemer] dat dit een ontslag op die grondslag mede zou kunnen dragen”.42.Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, meen ik dat het hof op dit eerste punt geen verwijt maakt aan [de werknemer] , maar eerder wijst op de gebruikelijke gang van zaken en op de verantwoordelijkheid van [betrokkene 1] als leidinggevende.43.
- Ad (ii). Het hof oordeelt dat dit verwijt van Profoto hetzelfde lot deelt als het verwijt onder (i).44.Ook wat dit tweede aspect betreft houd ik het ervoor dat het hof geen verwijt maakt aan [de werknemer] .
- Ad (iii). Ik begrijp het zo dat het hof ook dit verwijt van Profoto niet beschouwt als verwijtbaar gedrag van [de werknemer] . Het hof overweegt immers dat de kantonrechter het (niet communiceren over) het ondergaan van tijdrovende tandheelkundige behandelingen ten onrechte heeft gekwalificeerd als verwijtbaar handelen ter onderbouwing van de ontbinding.45.Met de lezing dat hier van verwijtbaar gedrag geen sprake is, strookt mijns inziens dat het hof overweegt dat [de werknemer] redenen had om de behandelingen in Iran te ondergaan, in beginsel na werktijd, en dat het feit dat één van de behandelingen op een middag zou hebben plaatsgevonden onvoldoende gewicht in de schaal kan leggen om te kunnen spreken van een voor ontslag relevant verwijt.46.Ook op dit derde punt kan in hetgeen het hof overweegt geen verwijt aan [de werknemer] worden gelezen.
- Ad (iv). Op dit punt vind ik de gedachtegang van het hof niet zo makkelijk te volgen. Enerzijds overweegt het hof dat op zichzelf juist en relevant is het oordeel van de kantonrechter dat [de werknemer] vóór zijn vertrek (in plaats van twee dagen daarna) had moeten meedelen dat hij mogelijk later dan 30 januari 2023 weer terug zou kunnen zijn,47.waarin besloten lijkt te liggen dat [de werknemer] volgens het hof op dit punt een verwijt valt te maken (dat dan weer onvoldoende gewicht in de schaal legt om een ontbinding op de e-grond te kunnen dragen). Anderzijds sluit het hof aan bij zijn uitkomst ten aanzien van het verwijt onder (iii), daar waar het overweegt dat dit vierde verwijt ook van onvoldoende gewicht is om van een voor ontslag relevant verwijtbaar handelen te kunnen spreken.48.Al met al lijkt het erop dat het hof hier [de werknemer] inderdaad een verwijt maakt, waarvan het tegelijkertijd de ernst dusdanig relativeert dat in het vage blijft wat het gewicht daarvan zou zijn in het kader van de beoordeling of is voldaan aan de i-grond.
4.55
Profoto leest de uitspraak anders. Volgens haar vindt het hof de in rov. 5.13 besproken gedragingen weliswaar niet verwijtbaar genoeg voor ontbinding op de e-grond maar niettemin wel in bepaalde mate verwijtbaar.49.
4.56
Kennelijk meent het hof in het kader van de i-grond dat de kantonrechter had kunnen vaststellen dat sprake was van enig verwijtbaar handelen van [de werknemer] , maar ook dan blijft staan dat onvoldoende duidelijk is welke gedragingen het hof daarbij op het oog heeft.
4.57
Ook wijst Profoto op het oordeel van het hof in rov. 5.1050.over een gedraging die ten grondslag is gelegd aan het ontslag op staande voet:
“5.10 (…) Ten aanzien van het niet terugsturen van de camera overweegt het hof dat dit weliswaar aan [de werknemer] kan worden verweten (de opdracht was immers stellig en duidelijk), maar dat de (persoonlijke) omstandigheden waarin [de werknemer] toen verkeerde (midden in een langdurige tandheelkundige behandeling, in zijn geboorteland, van waaruit een veilig terugsturen per koerier of via een landgenoot ook in de ogen van Profoto te risicovol was, terwijl Profoto [de werknemer] slechts de kosten van een enkele reis zou vergoeden) ook meegewogen dienen te worden en het hof tot het oordeel leiden dat dit verwijt geen dringende reden in de zin van de wet oplevert. (…)”
4.58
Het is mij niet duidelijk of het hof in rov. 5.15 (onder een ander tussenkopje) bij de beoordeling van de i-grond betrekt dat het [de werknemer] kan worden verweten dat hij de camera niet heeft teruggestuurd ondanks het stellige en duidelijke verzoek daartoe van Profoto (welk verwijt het hof blijkens bovenstaand citaat zelf al direct aanzienlijk nuanceert in het licht van de persoonlijke omstandigheden van [de werknemer] ). Dat dit onduidelijk blijft, onderstreept het motiveringsgebrek dat het middel aansnijdt.
4.59
Gelet op het voorgaande meen ik dat de motiveringsklacht van subonderdeel 1.d onder a terecht is voorgesteld: zonder nadere toelichting geeft de bestreden beschikking onvoldoende inzicht in de door het hof gevolgde gedachtegang betreffende het oordeel in rov. 5.15 dat de kantonrechter had kunnen vaststellen dat sprake was van enig verwijtbaar handelen van [de werknemer] . Het subonderdeel klaagt met succes dat onduidelijk blijft om welk gedrag het hier gaat.
4.60
De motiveringsklacht onder b wordt opgeworpen voor het geval de overweging van het hof in rov. 5.13, voorlaatste zin, zó moet worden begrepen dat het hof daar heeft beslist dat het vierde verwijt dat de kantonrechter aan haar beslissing dat sprake was van een voldragen e-grond ten grondslag heeft gelegd, wél een voor ontslag relevant verwijtbaar handelen opleverde. In dat geval is die beslissing onbegrijpelijk, want evident innerlijk tegenstrijdig met de beslissing van het hof in rov. 5.13, vijftiende zin, die niet anders kan worden uitgelegd dat ook voor verwijt (iv) geldt dat het van onvoldoende gewicht is om van een voor ontslag relevant verwijtbaar handelen te kunnen spreken,
4.61
Nu de motiveringsklacht onder a slaagt, behoeft deze klacht geen bespreking.
4.62
De slotsom is dat onderdeel 1 (gedeeltelijk) slaagt.
Onderdeel 2
4.63
[de werknemer] bestrijdt met rechtsklachten de laatste drie zinnen van rov. 5.15. Daar heeft het hof beslist dat voor toekenning van de aanvullende vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW geen ruimte bestaat. Het hof overweegt daartoe het volgende:
“5.15 (…) Had de kantonrechter het (meer subsidiaire) tegenverzoek van Profoto op basis van de i-grond toegewezen dan had de kantonrechter moeten beslissen of aan [de werknemer] , naast zijn recht op de volledige transitievergoeding, nog een aanvullende vergoeding als bedoeld in artikel 7:671b, lid 8 BW toegekend had moeten worden. Noch afgezien van de verwachting dat het oordeel van de kantonrechter op dit punt niet toewijzend zou zijn geweest, is het – ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg door of namens [de werknemer] gedane subsidiaire verzoek om toekenning van een (aanvullende) transitievergoeding bij ontbinding op de i-grond – in hoger beroep niet meer aan de orde. Het is in hoger beroep niet door [de werknemer] verzocht, ook niet in voorwaardelijke zin.”
4.64
De eerste rechtsklacht klaagt dat onjuist is de beslissing van het hof dat voor toewijzing van de aanvullende vergoeding op grond van art. 7:671b lid 8 BW aan [de werknemer] geen ruimte bestaat, nu het in eerste aanleg gedane verzoek tot toekenning van zo’n vergoeding in hoger beroep “niet meer aan de orde is” omdat [de werknemer] in hoger beroep niet om toekenning van die vergoeding heeft verzocht, ook niet in voorwaardelijke zin. Het hof miskent hiermee dat, zelfs wanneer [de werknemer] in hoger beroep niet opnieuw expliciet om toekenning van die additionele vergoeding heeft gevraagd, die vergoeding wel ambtshalve door het hof toegekend kon worden (wanneer, zoals in dit geval, in hoger beroep wordt geoordeeld dat de ontbinding die is uitgesproken in eerste aanleg niet op de e-grond, maar op de i-grond gebaseerd had moeten worden).
4.65
De tweede rechtsklacht keert zich tegen de beslissing van het hof dat er geen ruimte is voor toekenning van de in art. 7:671b lid 8 BW bedoelde vergoeding voor zover die beslissing erop berust dat naar de “verwachting” van het hof “het oordeel van de kantonrechter op dit punt niet toewijzend zou zijn geweest”. Het hof heeft met die beslissing miskend dat het voor de beantwoording van de vraag of, in geval als het onderhavige, waarin de kantonrechter de arbeidsovereenkomst volgens het hof ten onrechte heeft ontbonden op de e-grond en het hof beslist dat de kantonrechter die ontbinding had moeten baseren op de i-grond, niet beslissend is wat de kantonrechter – die een onjuiste beslissing op het punt van de te hanteren ontslaggrond heeft genomen – naar verwachting zou hebben beslist omtrent de vergoeding (als hij de juiste ontslaggrond zou hebben gehanteerd), maar of het hof oordeelt dat wanneer de ontbinding in de eerste aanleg gebaseerd zou zijn op de i-grond, volgens hem (dus: volgens het hof zelf) daarbij destijds een additionele vergoeding in de zin van art. 7:671b lid 8 BW toegekend had moeten worden.
4.66
De derde rechtsklacht van onderdeel 2 klaagt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend. Nu [de werknemer] met succes is opgekomen tegen de beslissing van de kantonrechter dat zich een e-grond voordeed voor ontbinding op de voet van art. 7:671b BW, kwam het hof – gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep – toe aan de overige gronden voor ontbinding die Profoto in eerste aanleg subsidiair (de g-grond) en meer subsidiair (de i-grond) had aangevoerd. Dat betekende echter tegelijkertijd ook dat het hof, op grond van diezelfde devolutieve werking, tevens rekening diende te houden met de stellingen die [de werknemer] in prima tegen die subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen van het ontbindingsverzoek van Profoto heeft ingebracht, waaronder de stelling dat hem, bij ontbinding op de cumulatiegrond, de in art. 7:671b lid 8 BW bedoelde vergoeding toekwam51., welke stelling hij in hoger beroep niet heeft prijsgegeven. Het verzoek van [de werknemer] tot toekenning van die aanvullende vergoeding van in hoger beroep wel degelijk nog actueel en de beslissing van het hof dat dit verzoek niet langer aan de orde was, is onjuist.
4.67
De klachten behoeven geen behandeling. Het oordeel van het hof over de aanvullende vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW bouwt immers voort op het oordeel van het hof dat (kort gezegd) de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen [de werknemer] en Profoto terecht heeft ontbonden (omdat dit mogelijk was op de i-grond). Dat oordeel wordt succesvol bestreden met onderdeel 1, zodat [de werknemer] geen belang heeft bij behandeling van onderdeel 2. Dat belang heeft hij echter wél, indien het oordeel van het hof dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden (zij het op de e-grond in plaats van de hier geëigende i-grond) in cassatie stand houdt en onderdeel 1 dus, anders dan ik hiervoor heb betoogd, zou falen. Ik zal daarom toch, althans gedeeltelijk, op de klachten van onderdeel 2 ingaan.
4.68
De eerste klacht stelt een voor de rechtspraktijk belangrijke vraag aan de orde: kan de aanvullende vergoeding ambtshalve worden toegekend? [de werknemer] beantwoordt die vraag bevestigend;52.Profoto ontkennend.53.Ik merk daar het volgende over op.
4.69
Het met de Wwz en de Wab gewijzigde ontslagrecht kent verschillende vergoedingen, in geval van ontbinding onder meer:
(i) de transitievergoeding (art. 7:673 BW),
(ii) de billijke vergoeding (onder andere art. 7:671b lid 9 onder c BW), en
(iii) de aanvullende vergoeding bij ontbinding op de i-grond (art. 7:671b lid 8 BW).
4.70
De verschuldigdheid van de transitievergoeding en de hoogte daarvan vloeien rechtstreeks voort uit art. 7:673 BW.54.De wetgever heeft daarbij gekozen voor een abstract en gestandaardiseerd stelsel.55.
4.71
Daarentegen is de billijke vergoeding een vergoeding die de rechter kan toekennen indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De billijke vergoeding dient ter compensatie van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De hoogte van de billijke vergoeding zal aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval moeten worden vastgesteld.56.
4.72
De aanvullende vergoeding is een vergoeding die de rechter, net als de billijke vergoeding, kan toekennen indien hij de arbeidsovereenkomst op de i-grond ontbindt. De aanvullende vergoeding dient als compensatie voor ontslag op de i-grond.57.Zij moet niet worden gezien als een verhoogde transitievergoeding (zie reeds hiervoor 4.14). Omwille van de rechtszekerheid is de aanvullende vergoeding gemaximeerd: zij bedraagt ten hoogste de helft van de transitievergoeding. Voor het overige heeft de rechter speelruimte om maatwerk te bieden.58.Hij bepaalt de hoogte aan de hand van de omstandigheden van het geval59.en zal het toegekende bedrag dus moeten motiveren.60.
4.73
Art. 7:686a lid 6 BW bepaalt dat de rechter alvorens een ontbinding uit te spreken aan de partij die de ontbinding verzoekt een termijn stelt waarbinnen zij het ontbindingsverzoek kan intrekken als hij voornemens is aan de ontbinding ‘een vergoeding’ te verbinden.61.Deze bepaling zag aanvankelijk (primair) op een billijke vergoeding, maar is ook van toepassing als de rechter voornemens is in verband met een ontbinding op de i-grond aan de werknemer een aanvullende vergoeding toe te kennen.62.
4.74
Deze verplichting van de rechter uit art. 7:686a lid 6 BW geldt niet in het geval waarin hij de werkgever veroordeelt tot betaling van enkel een transitievergoeding, zo heeft de Hoge Raad beslist. De rechter die voornemens is de arbeidsovereenkomst te ontbinden zonder toekenning van een billijke vergoeding maar met – tegen het verzoek van de werkgever in – veroordeling van de werkgever tot betaling van een transitievergoeding aan de werknemer, mag dus niet ambtshalve de werkgever in de gelegenheid stellen om zijn ontbindingsverzoek in te trekken.63.In dezelfde beschikking oordeelde de Hoge Raad dat art. 23 Rv meebrengt dat de rechter een voorwaardelijke beslissing als in die zaak aan de orde was64.niet ambtshalve mag geven, maar slechts indien een dergelijke beslissing is gevorderd of verzocht, dan wel in de vordering of het verzoek besloten ligt.65.
4.75
Door sommige schrijvers is verdedigd dat dat de kantonrechter enkel bevoegd is om de aanvullende vergoeding in verband met de i-grond aan de werknemer toe te kennen indien de werknemer daarom heeft verzocht, gelet op art. 23 Rv.66.Dat is in deze procedure ook het standpunt van Profoto.67.Als uitgangspunt lijkt mij dit juist. Een vergelijking met andere ontslagrechtelijke voorbeelden brengt dat uitgangspunt echter aan het wankelen.
4.76
Zo wijs ik op de situatie waarin het hof in hoger beroep tot het oordeel komt dat in eerste aanleg het werkgeversverzoek tot ontbinding ten onrechte is toegewezen.68.Het hof kan de ontbindingsbeschikking niet vernietigen,69.maar wel de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen70.of aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen, zo volgt uit art. 7:683 lid 3 BW. Stel dat de appellerende werknemer verzoekt om (veroordeling tot) herstel van de arbeidsovereenkomst, maar het hof tot het oordeel komt dat herstel inmiddels niet meer in de rede ligt. Dan lijkt niets eraan in de weg te staan dat het hof, in plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst, aan de werknemer de billijke vergoeding toekent als bedoeld in art. 7:683 lid 3 BW, ondanks het ontbreken van een daartoe strekkend verzoek van de werknemer. Met deze regeling is immers beoogd dat het hof de mogelijkheid heeft om – ambtshalve – in plaats van herstel een billijke vergoeding toe te kennen, bijvoorbeeld in verband met het tijdsverloop sinds de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.71.Voor een adequate bescherming van de werknemer is dat noodzakelijk te achten. Mijns inziens is goed verdedigbaar dat het zelfde geldt voor de rechterlijke mogelijkheid tot toekenning van de aanvullende vergoeding: als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op de i-grond ontbindt, kan hij aan de werknemer de aanvullende vergoeding toekennen op de voet van art. 7:671b lid 8 BW, ongeacht of de werknemer om die aanvullende vergoeding heeft verzocht. Recent werd door kantonrechters ook in die zin geoordeeld.72.
4.77
Verder wijs ik op het volgende. De vraag of de kantonrechter ambtshalve een aanvullende vergoeding kan toekennen, kan niet los worden gezien van de vraag of hij ambtshalve de i-grond als redelijke grond voor ontbinding ambtshalve kan toepassen bij wijze van aanvulling van rechtsgronden (art. 25 Rv). Deze laatste vraag wordt in de literatuur overwegend in bevestigende zin beantwoord voor de redelijke gronden van art. 7:669 lid 3 BW, zij het met de nuancering dat het antwoord anders kan luiden als een werkgever zeer uitdrukkelijk voor het anker van één bepaalde redelijke grond is gaan liggen of heeft aangegeven zich op een bepaalde grond uitdrukkelijk niet te willen beroepen.73.De rechter is voorts gebonden aan de door partijen aangevoerde feitelijke grondslag (art. 24 lid 1 Rv).
4.78
Daarbij wordt voor de i-grond geen uitzondering gemaakt.74.In de memorie van toelichting bij de Wab is tot uitdrukking gebracht dat de rechter zelf kan beoordelen of gelet op de omstandigheden van het geval ambtshalve toepassing van de i-grond aan de orde zou kunnen zijn.75.Ik zou menen dat indien de rechter ambtshalve de i-grond kan toepassen, het voor de hand ligt dat hij eveneens de bevoegdheid heeft om de bij die grond behorende vergoeding ambtshalve toe te passen en dus een aanvullende vergoeding kan toekennen indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, ook als de werknemer daar niet om heeft verzocht (voor welk verzoek ook geen aanleiding bestond als de werkgever, anders dan in deze zaak, geen beroep op de i-grond heeft gedaan). Voor de werkgever geldt dat hij dan weliswaar kan worden geconfronteerd met een voor hem aanvankelijk onvoorziene aanvullende vergoeding, maar als gezegd krijgt de werkgever ingevolge art. 7:686a lid 6 BW de mogelijkheid om het verzoek alsnog in te trekken.
4.79
Het voorgaande geldt gelijkelijk voor de kantonrechter en de appelrechter. Ook in hoger beroep heeft de rechter de mogelijkheid om in verband met de i-grond een aanvullende vergoeding toe te kennen. Dat geldt allereerst indien in hoger beroep de arbeidsovereenkomst alsnog op de i-grond wordt ontbonden nadat de kantonrechter het werkgeversverzoek tot ontbinding had afgewezen.76.Daarnaast meen ik dat een redelijke wetsuitsleg meebrengt dat de rechter in hoger beroep ook de mogelijkheid heeft om de aanvullende vergoeding toe te kennen indien hij oordeelt dat de in eerste aanleg uitgesproken ontbinding in stand kan blijven, zij het op de i-grond en niet op de door de kantonrechter gehanteerde andere redelijke grond (zoals het geval is in de voorliggende zaak).77.Ik zie geen rechtvaardiging om de werknemer in zo’n geval zijn eventuele recht op een aanvullende vergoeding te ontzeggen als gevolg van het feit dat de kantonrechter – volgens het hof: ten onrechte – op een andere grond heeft ontbonden dan op de i-grond.
4.80
Ik zie geen aanleiding om op de tweede klacht van het subonderdeel in te gaan.
4.81
Tot slot de derde klacht. Het is juist dat op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep het hof heeft miskend door te oordelen dat het verzoek van [de werknemer] om een aanvullende vergoeding “in hoger beroep niet meer aan de orde” was (want daar niet was herhaald), terwijl het hof nu juist het bekrachtigen van de ontbinding heeft gebaseerd op de i-grond. Daarbij ga ik ervan uit, in lijn met het voorgaande en anders dan Profoto betoogt in haar voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep (nr. 3.5), dat in een geval zoals hier aan de orde de aanvullende vergoeding in hoger beroep op zichzelf toewijsbaar is, ook al ontbindt het hof niet zelf de arbeidsovereenkomst omdat de kantonrechter dat al heeft gedaan.
4.82
Afrondend, daartoe uitgenodigd door onderdeel 2, meen ik dat in algemene zin de rechter bevoegd moet worden geacht om in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de i-grond ambtshalve een aanvullende vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW aan de werknemer toe te kennen.
Onderdeel 3
4.83
Dit onderdeel bevat enkel een voortbouwklacht. [de werknemer] klaagt dat gegrondbevinding van één of meer van de klachten uit de onderdelen 1 en 2 ook de volgende beslissingen van het hof vitieert:
(i) dat niet is voldaan aan het criterium van art. 7:683 lid 3 BW dat de arbeidsovereenkomst ‘ten onrechte ontbonden’ moet zijn (als voorwaarde voor herstel van het dienstverband of toekenning van een billijke vergoeding op de voet van die bepaling);78.
(ii) dat de voorwaarde waaronder het verzoek van [de werknemer] onder III is ingesteld,79.niet is vervuld,80.en
(iii) de beslissingen inzake de proceskostenveroordelingen in eerste aanleg met betrekking tot het tegenverzoek van Profoto en in het principaal hoger beroep van [de werknemer] .81.
4.84
De voortbouwklacht slaagt. Met het slagen van onderdeel 1 kunnen de drie oordelen die de voortbouwklacht bestrijdt niet in stand blijven.
5. Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel van Profoto
5.1
Profoto heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld, onder de voorwaarde dat het principale cassatiemiddel van [de werknemer] doel treft. Die voorwaarde is vervuld.
5.2
Het incidenteel cassatieberoep richt zich tegen rov. 5.13 van de bestreden beschikking, waarin het hof oordeelt dat het bezwaar van [de werknemer] tegen de beslissing tot ontbinding op de e-grond terecht is voorgedragen.
5.3
Het middel van Profoto valt uiteen in drie onderdelen.
Onderdeel 1
5.4
Profoto klaagt in de kern82.dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend. Geklaagd wordt dat bij de beoordeling of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht op de e-grond heeft ontbonden, het hof zich ten onrechte heeft beperkt tot slechts die verwijten die volgens de kantonrechter maakten dat sprake is van een voldragen e-grond. Het hof heeft ten onrechte niet (kenbaar) ook de overige verwijten betrokken die Profoto aan [de werknemer] heeft gemaakt.83.Voor zover het hof dat wel zou hebben gedaan, heeft het hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.84.
5.5
De klacht slaagt.
5.6
De bestreden beschikking valt niet anders te begrijpen dan dat het hof de devolutieve werking van het appel inderdaad niet scherp voor ogen heeft gehad.
5.7
In rov. 5.13, eerste zin, overweegt het hof dat het hof in het principaal hoger beroep dient te beoordelen of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen terecht op de e-grond heeft ontbonden.
5.8
Vervolgens richt het hof zich op de vier elementen die [de werknemer] volgens de kantonrechter vóór zijn vertrek naar Iran aan Profoto had moeten melden (zie de bespreking van subonderdeel 1.d van het principaal cassatiemiddel). Dat brengt het hof tot het oordeel dat het bezwaar van [de werknemer] tegen de op de e-grond gebaseerde ontbinding terecht is voorgesteld (rov. 5.13).
5.9
Direct aansluitend onderzoekt het hof of de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter wél kan worden gedragen door de redelijke gronden die Profoto subsidiair (de g-grond) en/of meer subsidiair (de i-grond) heeft aangedragen (rov. 5.14 en 5.15). Zie uitdrukkelijk de bestreden beschikking:
“5.13 (…) Het bezwaar van [de werknemer] tegen de beslissing tot ontbinding op de e-grond is dan ook terecht voorgedragen.
5.14
Dientengevolge dient het hof te beoordelen of de subsidiair (de g-grond) en/of meer subsidiair (de i-grond) door Profoto aangedragen gronden voor ontbinding de beschikking tot ontbinding kunnen dragen. (…)”
5.10
Hiermee gaat het hof te kort door de bocht: toen de betreffende bezwaren van [de werknemer] gegrond werden bevonden, was het hof op grond van de positieve zijde van de devolutieve werking gehouden om de in eerste aanleg door partijen aangevoerde stellingen (voor zover niet prijsgegeven) alsnog/opnieuw te beoordelen.85.Dit heeft het hof nagelaten te doen. Het hof heeft namelijk niet (kenbaar) beoordeeld of – indachtig het gehele partijdebat, dus met inbegrip van de overige relevante stellingen van Profoto – de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op de door Profoto primair aangedragen e-grond had kunnen ontbinden. Profoto heeft immers méér aangevoerd dan hetgeen de kantonrechter heeft betrokken bij diens motivering van het oordeel dat sprake is van een voldragen e-grond.86.
5.11
Onderdeel 1 slaagt dus.
5.12
Onderdeel 2 en onderdeel 3 bestrijden de juistheid en de motivering van de wél door het hof gegeven oordelen in het kader van de e-grond in rov. 5.13.
5.13
Het betreft hier de oordelen ten aanzien van het niet-tijdig melden door [de werknemer] :
- dat hij in de periode tussen zijn goedgekeurde vakanties op afstand vanuit Iran zou werken87.(onderdeel 2), en
- dat hij de camera zou meenemen88.(onderdeel 3).
5.14
Beide onderdelen bevatten diverse motiveringsklachten, die met name klagen over onbegrijpelijkheid van de bestreden beschikking gelet op bepaalde stellingen van Profoto.89.
5.15
Ook werpt Profoto rechtsklachten op. Zo verdedigt onderdeel 2 dat een werknemer die voornemens is om (voor langere tijd) naar het buitenland te gaan (mede) om vanuit daar te werken, uit oogpunt van goed werknemerschap vóór vertrek hiervoor toestemming dient te vragen en/althans afstemming dient te zoeken over dat voornemen en/althans minst genomen zijn werkgever daarvan op de hoogte stelt, waarbij het hof zou hebben miskend dat het nalaten hiervan zodanig verwijtbaar is dat dit een ontslag op de e-grond (mede) kan dragen.90.Onderdeel 3 betoogt dat in elk geval van een werknemer die voornemens is om apparatuur van een klant (voor langere tijd) naar het (verre) buitenland mee te nemen, uit oogpunt van goed werkgeverschap mag worden verwacht dat hij daarover ten minste overleg voert met zijn werkgever/leidinggevende, en klaagt dat het hof heeft miskend dat het nalaten hiervan zodanig verwijtbaar is dat dit een ontslag op de e-grond (mede) kan dragen.
5.16
Ik laat onderdelen 2 en 3 onbesproken. Gelet op het slagen van onderdeel 1 kan rov. 5.13 reeds niet in stand blijven. Na vernietiging van de bestreden beschikking door de Hoge Raad zal het verwijzingshof opnieuw dienen te beoordelen of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen terecht heeft ontbonden.
6. Conclusie
De conclusie strekt in zowel het principaal cassatieberoep als het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑03‑2025
Ontleend aan de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 30 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1161, rov. 3.1-3.25.
Ktr. Haarlem 13 juni 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:6697.
Beschikking van de kantonrechter, rov. 5.21.
Hof Amsterdam van 30 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1161.
Zie nader het dictum van de bestreden beschikking. De daar genoemde niet-ontvankelijkverklaringen spelen in cassatie geen rol (kort gezegd: vernietiging van de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst is niet mogelijk, gelet op art. 7:683 BW), waarover rov. 5.2 en 5.3 van de bestreden beschikking.
Behalve als niet de werkgever maar de werknemer om ontbinding verzoekt (art. 7:671c BW) en bij de weinig gebruikte mogelijkheid van ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens tekortkoming (art. 7:686 BW).
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 43 (MvT Wwz).
Zie o.a. Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 3, p. 54 (MvT Wab).
Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 9, p. 60 (NaV Wab).
Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 9, p. 59 (NaV Wab).
Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 3, p. 57 (MvT Wab).
Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 3, p. 57 (MvT Wab).
Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 9, p. 63 (NaV Wab).
Zie Y. Smit, 'De cumulatiegrond: een analyse', ArbeidsRecht 2024/30, par. 4.1.
Procesinleiding, nr. 13.
Procesinleiding, nr. 14, met verwijzing naar feitenrechtspraak en naar Y. Smit, 'De cumulatiegrond: een analyse', ArbeidsRecht 2024/30, par. 3.
Procesinleiding, nr. 13, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2018/19, 35074, nr. 9, p. 60 en 64 (NaV Wab).
Zie procesinleiding, nr. 18.
Zie procesinleiding, nrs. 15-17.
Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 3, p. 54 (MvT Wab). Zie ook p. 112, waar de regering reageert op opmerkingen over een vermeende breuk met het gesloten stelsel van ontslaggronden: “De regering benadrukt dat de cumulatiegrond is toegevoegd aan de reeds bestaande ontslaggronden en daarmee onderdeel uitmaakt van het gesloten stelsel van redelijke gronden.” Zie bijv. ook Kamerstukken II 2018/19, 35074, nr. 9, p. 58 (NaV Wab): “De rechter kan de arbeidsovereenkomst ontbinden als daar een redelijke grond voor is. De cumulatiegrond is een [van] de redelijke gronden en wordt daarom als grond i toegevoegd aan de reeds bestaande ontslaggronden. Het opnemen van de cumulatiegrond elders in de wet zou niet te prefereren zijn.”, en Kamerstukken I 2018/19, 35 074, nr. D, p. 58 (MvA Wab): “Met de invoering van de cumulatiegrond wordt niet gebroken met het huidige gesloten stelsel van ontslaggronden. De cumulatiegrond is een separate redelijke ontslaggrond die aan het gesloten stelsel wordt toegevoegd.”
Kamerstukken II 2018/19, 35074, nr. 9, p. 60 (NaV Wab), geciteerd in procesinleiding, nr. 13.
Kamerstukken II 2018/19, 35074, nr. 9, p. 64 (NaV Wab), waarvan een deel geciteerd in procesinleiding, nr. 13.
Procesinleiding, nr. 18, met verwijzing naar nr. 15.
Verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, van Profoto in eerste aanleg d.d. 4 mei 2023.
In de literatuur is erop gewezen dat voor de onderbouwing van de i-grond het voldoende zou moeten zijn te verwijzen naar de reeds in het verzoekschrift opgenomen feiten en omstandigheden ten aanzien van de andere redelijke gronden, met een korte toelichting waarom deze onderdelen in samenhang zouden moeten leiden tot ontbinding. Zie: N. IJzerman & F. Sax, ‘De i-grond: cumuleren kun je leren?!’, ArbeidsRecht 2021/5, par. 4, onder verwijzing naar O. van der Kind, ‘De cumulatiegrond: combineren is nog niet zo eenvoudig’, ArbeidsRecht 2020/225, p. 10.
Procesinleiding, nr. 22.
Procesinleiding, nr. 21.
Zie procesinleiding, nr. 22 (met verwijzing naar de stellingen van Profoto, zoals aldaar weergegeven in nr. 15).
Verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nr. 2.18.
Bestreden beschikking, rov. 5.15, zevende zin (slot).
Waarbij ik aanneem dat de rechter in een eventueel hoger beroep dit oordeel in stand laat en dus niet oordeelt dat het verzoek om vernietiging van de opzegging door de kantonrechter ten onrechte zou zijn toegewezen (waarbij zij aangetekend dat de rechter in hoger beroep de vernietigingsbeslissing van de kantonrechter niet kan vernietigen, gelet op art. 7:683 lid 6 BW). Zie voor complicaties rondom het recht op loon indien de rechter in hoger beroep het ontslag op staande voet, anders dan de kantonrechter, wél rechtsgeldig acht: HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1209, NJ 2019/54, m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens (Wilco).
In de vorm van een kort geding of een provisioneel verzoek in de vernietigingsprocedure.
Zie verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nrs. 2.24-2.30.
Zie over herplaatsing in het kader van de i-grond bijv. I. Veerkamp, ‘Eén jaar i-grond: vooralsnog een worsteling met gezichtspunten’, TvO 2021/1, par. 6; N. IJzerman & F. Sax, ‘De i-grond: cumuleren kun je leren?!’, ArbeidsRecht 2021/5, par. 7; M. Faber, ‘Het mysterie van de cumulatiegrond: wanneer is het genoeg?’, TAP 2020/247, p. 9.
Procesinleiding, nrs. 27 en 28.
Procesinleiding, nrs. 28 en 29.
Procesinleiding, nr. 29 (slot).
Zie onder meer HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 m.nt. D.W.F. Verkade (Vredo/Veenhuis), rov. 3.4, HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7215, NJ 2007/407 (De Oorsprong/Utrecht), rov. 4.1, en HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2219, NJ 2018/470, rov. 3.3.2.
Zie meest recent HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1384 (Voorzitter/BZV), rov. 4.4.
Bestreden beschikking, rov. 5.13, zesde t/m negende zin.
Bestreden beschikking, rov. 5.13, tiende zin.
Bestreden beschikking, rov. 5.13, elfde zin.
En beslist dus (zelfs) dat verwijt (i) ook niet “mede” een ontslag op de e-grond zou kunnen gedragen, wat ermee spoort dat het hof dit gedrag van [de werknemer] inderdaad niet verwijtbaar acht.
Bestreden beschikking, rov. 5.13, veertiende zin.
Bestreden beschikking, rov. 5.13, vijftiende zin.
Bestreden beschikking, rov. 5.13, zestiende t/m achttiende zin.
Bestreden beschikking, rov. 5.13, twintigste zin.
Bestreden beschikking, rov. 5.13, negentiende zin.
Verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nr. 2.35.
Verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nr. 2.33.
De procesinleiding verwijst in voetnoot 8 naar conclusie van de pleitnota namens [de werknemer] in eerste aanleg: “Indien UEA meent dat er wel sprake is van een ontslaggrond, verzoekt [de werknemer] UEA om de beëindiging van het dienstverband op 31 augustus 2023 te bepalen zodat hem tijd wordt gegund een andere baan te zoeken, onder toekenning van de wettelijke transitievergoeding (en de verhoogde transitievergoeding indien op de i-grond wordt ontbonden)”.
Procesinleiding, nrs. 33-35.
Verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nrs. 3.6-3.8.
Dat neemt niet weg dat, mede gelet op de korte vervaltermijn (art. 7:686a lid 4 onder b BW), namens de verwerende werknemer subsidiair, voor geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, bij wijze van tegenverzoek pleegt te worden verzocht om toekenning van de transitievergoeding ter hoogte van een bepaald bedrag. Dat is niet alleen zinvol ter verkrijging van een executoriale titel, maar ook om eventuele geschillen over de omvang van de vergoeding te beslechten (bijv. welke looncomponenten meetellen).
Vgl. HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:651, NJ 2019/69, m.nt. B. Barentsen (Stichting Diakonessenhuis), rov. 3.3.8, en HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286, NJ 2022/301, m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens (Nayak), rov. 3.3.3.
Zie bijv. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, NJ 2017/298, m.nt. E. Verhulp (New Hairstyle I); uit HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218, NJ 2019/173, m.nt. E. Verhulp (Servicenow), rov. 3.4.2, volgt dat de daar genoemde gezichtspunten ook relevant zijn bij de begroting van de billijke vergoeding als bedoeld in (thans) art. 7:671b lid 9 onder c BW.
Zie o.a. Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 3, p. 57 (MvT Wab); Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 9, p. 57, 58, 69-72 en 88 (NaV Wab).
Zie o.a. Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 9, p. 58, 63-64 (NaV Wab); Handelingen II 2018/19, 48, item 8, p. 48-49; Kamerstukken I 2018/19, 35 074, nr. D, p. 64 (MvA Wab).
Zie o.a. Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 3, p. 57 en 112 (MvT Wab); Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 9, p. 57 en 70 (NaV Wab); Kamerstukken I 2018/19, 35 074, nr. D, p. 56, 62 en 64 (MvA Wab).
Zie o.a. Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 3, p. 56 (MvT Wab); Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 9, p. 70 (NaV Wab); Handelingen II 2018/19, 48, item 8, p. 48.
Zie Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 3, p. 57 (MvT Wab).
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1812, NJ 2019/267 m.nt. B. Barentsen, JAR 2018/274, m.nt. N.T. Dempsey en TRA 2018/109, m.nt. M.D. Ruizeveld (BAM), rov. 3.3.3.
Kort gezegd: het bieden van de intrekkingsmogelijkheid door de rechter bij het voornemen tot ontbinding op de g-grond met toekenning van de transitievergoeding, daar waar de werkgever verzocht om ontbinding op de e-grond en ontzegging van het recht op transitievergoeding wegens ernstig verwijtbaar gedrag van de werknemer.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1812, rov. 3.4.2.
P. Kruit & I.H. Kersten, ‘Statistiek Ontbindingsprocedure 2020: een bijzonder WAB- en coronajaar’, ArbeidsRecht 2021/52, par. 6, laatste alinea. De auteurs stellen dat de kantonrechter niet een cumulatievergoeding kan toekennen als de werknemer daar niet om heeft gevraagd, “nu de rechter op grond van art. 23 Rv niet meer kan toewijzen dan waar partijen om hebben gevraagd (uitzonderingen daargelaten).” Volgens N. IJzerman & F. Sax, ‘De i-grond: cumuleren kun je leren?!’, ArbeidsRecht 2021/5, is het de vraag of de kantonrechter ambtshalve tot toekenning van de aanvullende vergoeding kan overgaan: “De rechter is ex art. 23 Rv immers beperkt tot hetgeen door partijen is gevorderd en verzocht. De wetgever heeft zich hier niet expliciet over uitgelaten. Wij vragen ons af (…) of de rechtspraak en de wetsgeschiedenis hier wel een grondslag voor bieden.”
Verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nrs. 3.6-3.8.
Zie ook HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:284, NJ 2020/379, m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, rov. 3.2.6.
Volledigheidshalve: uit HR 25 januari 2019, ECI:NL:HR:2019:80, NJ 2019/139, m.nt. E. Verhulp (Amsta), rov. 3.5.12, volgt dat het hof, indien de werknemer daarom heeft verzocht, ook zélf de arbeidsovereenkomst mag herstellen (dus in plaats van de werkgever daartoe te veroordelen).
Zie uitdrukkelijk Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 35 en 120 (MvT Wwz); en Kamerstukken I 2013/14, 33 818, nr. C, p. 115 (MvA Wwz).
Zie ook Ktr. Den Haag 28 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10069. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst op de i-grond. Uit rov. 4.19 blijkt dat de werknemer niet expliciet om toekenning van de aanvullende vergoeding heeft verzocht, maar dat de kantonrechter wel aanleiding ziet om gebruik te maken van de wettelijke bevoegdheid uit art. 7:671 lid 8 BW en die vergoeding toekent aan de werknemer (door de kantonrechter bepaald op 35% van de transitievergoeding). In andere uitspraken waarin de aanvullende vergoeding is toegewezen zonder dat de werknemer daarom heeft verzocht, wordt zulks niet nader toegelicht. Zie bijv. Ktr. Amsterdam 9 oktober 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4992, en Ktr. Almere 6 juli 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2705.
Zie o.a. J.H. Bennaars en J.P. Quist, ‘Ambtshalve aanvulling van rechtsgronden in de ontbindingsprocedure’ TAP 2018/99 en I. Haanappel-van der Burg & J.S. Hidajat-Engelsman, ‘Redelijke gronden in de ontbindingsprocedure: over stelplicht, bewijslast en beoordeling’. TvO 2023/4, par. 3.4. Zie anders: M. Jovović & J. Wiewel, ‘De redelijke grond: rechtsfeit of rechtsgrond?’, TvO 2018/3, par. 3.4 en 4.
Zie: N. IJzerman & F. Sax, ‘De i-grond: cumuleren kun je leren?!’, ArbeidsRecht 2021/5, par. 5 (t.a.v. het ambtshalve toekennen van een aanvullende vergoeding zijn deze auteurs als gezegd terughoudend) en Y.L. Smit, ‘De cumulatiegrond: een analyse’, ArbeidsRecht 2024/30, par 5: “De cumulatiegrond kan, net als de andere redelijke gronden, ook ambtshalve door de rechter worden toegepast.” Zie bijv. ook P. Kruit & I.H. Kersten, ‘Statistiek Ontbindingsprocedure Q1 en Q2 2020: i-grond vooralsnog dode letter’, ArbeidsRecht 2020/40, par. 4, B. Barentsen & S.F. Sagel, ‘Kroniek van het sociaal recht’, NJB 2021/2603, par. 5.1, O. van der Kind, ‘De cumulatiegrond: combineren is nog niet zo eenvoudig’, AR-Updates 2020-0225, en I. Veerkamp, ‘Eén jaar i-grond: vooralsnog een worsteling met gezichtspunten’, TvO 2021/1, par. 4.
Kamerstukken II 2018/19, 35044, nr. 3, p. 126 (MvT Wab), waarmee de wetgever de mogelijkheid uitdrukkelijk heeft opengelaten, zij het meer genuanceerd dan in de consultatiefase van de Wab. Dit vormt een aanwijzing, maar m.i. geen beslissend argument om aan te nemen dat het mogelijk is om ambtshalve een aanvullende vergoeding toe te kennen.
Zo volgt uit art. 7:683 lid 5 BW, dat voorschrijft dat het hof bepaalt op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt en dat art. 7:671b BW ten aanzien van de toekenning van een vergoeding van overeenkomstige toepassing verklaart. Dit omvat dus ook de aanvullende vergoeding uit lid 8 (vgl. F.M. Dekker & J.H. Even, ‘VAAN – VvA – Wab – Cumulatiegrond en vergoeding’, TAP 2018/153, p. 31). Het door het hof bepalen van dat tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, is overigens niets anders dan een ontbinding (zie ook de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2021:752), vtn. 17). Kennelijk anders: Profoto in haar verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nr. 3.4, vtn. 20.
Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 29 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2957, waarin het hof oordeelt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden maar dat dit niet op de g-grond maar op de i-grond had moeten worden gebaseerd. Het hof ziet aanleiding voor een vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW, hoewel (blijkens rov. 3.2) de werknemer niet uitdrukkelijk daar om heeft verzocht (en hoewel het hoger beroep tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst dus geen doel treft, en het hof dus niet zélf ontbindt, anders dan wordt gesuggereerd door R. de Vos & A. van der Vis in hun noot in JIN 2021/97, onder 25).
Bestreden beschikking, rov. 5.16.
Dat betreft het verzoek van [de werknemer] aan het hof om te bepalen dat, indien de arbeidsovereenkomst niet met ingang van 1 augustus 2023 maar met ingang van een later gelegen datum wordt hersteld, bepaalde voorzieningen worden getroffen (zie het petitum onder III op p. 10-11 van het beroepschrift van [de werknemer] ).
Bestreden beschikking, rov. 5.18.
Bestreden beschikking, rov. 5.23.
Zie verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nr. 4.4.
Zie verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nrs. 4.4, 4.11-4.16.
Zie verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nrs. 4.4, 4.17.
Waarbij het hof de vraag of het werkgeversverzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst terecht is toegewezen ex tunc dient te oordelen, maar wel acht zal moeten slaan op de eerst in hoger beroep aangevoerde feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de ontbindingsbeschikking in eerste aanleg (zie HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:284, NJ 2020/379, m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, rov. 3.2.6-3.3).
Profoto verwijst voor diverse vindplaatsen in haar processtukken in feitelijke instantie; zie verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nrs. 4.5-4.6 en 4.13-4.16, met vindplaatsen in vtn. 22-28 en 30-34 aldaar.
Zie verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nrs. 4.19 en 4.25.
Zie verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nr. 4.27.
Zie verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nrs. 4.18-4.19, 4.22-4.25 (onderdeel 2) en nrs. 4.26-4.30 (onderdeel 3).
Zie verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, nrs. 4.20-4.21.
Beroepschrift 02‑10‑2024
Hoge Raad der Nederlanden
Verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
inzake
de besloten vennootschap Profoto B.V.,
gevestigd te Haarlem (kantoorhoudende te Hoofddorp)
verweerster in het principaal cassatieberoep, tevens verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
advocaat bij de Hoge Raad:
mr. J.B.B. Heinen, die door Profoto B.V. is aangewezen om dit verweerschrift in te dienen en haar ook overigens in cassatie te vertengewoordigen
tegen
[de werknemer]
wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal cassatieberoep, tevens verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
advocaat bij de Hoge Raad:
mr. S.F. Sagel
1. Inleiding; kern van de zaak
1.1
Inzet van deze procedure is de arbeidsovereenkomst tussen de heer [de werknemer] (hierna: ‘[de werknemer]’) en Profoto B.V. (hierna: ‘Profoto’). Profoto heeft deze overeenkomst opgezegd wegens een dringende reden, waarna [de werknemer] onderhavige procedure is gestart. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd en de arbeidsovereenkomst — op het voorwaardelijke verzoek van Profoto — ontbonden op de e-grond1.. Volgens [de werknemer] is dat ten onrechte. In hoger beroep heeft hij (primair) om herstel van de arbeidsovereenkomst en (subsidiair) om een billijke vergoeding ex art. 7:683 lid 3 BW gevraagd.
1.2
Het hof acht geen e-grond en g-grond2. aanwezig, maar oordeelt dat de kantonrechter de ontbinding op de i-grond3. (bestaande uit een combinatie van de e- en g-grond) had kunnen toewijzen. Het hof vindt daarom dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet ten onrechte heeft ontbonden (als bedoeld in art. 7:683 lid 3 BW). De (hieraan ten grondslag liggende) opvatting van het hof dat geen sprake is van een ten onrechte ontbonden arbeidsovereenkomst (als bedoeld in art. 7:683 lid 3 BW) wanneer de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op een ‘verkeerde’ grond ontbindt (een andere grond dan de grond die het hof aanwezig acht), wordt in cassatie niet bestreden.
1.3
Het hof wijst het gevraagde herstel en de gevraagde billijke vergoeding hierop af. Het hof merkt daarover ten overvloede (en in cassatie als zodanig onbestreden) op dat ook indien de wet hier zo zou moeten worden uitgelegd dat een op een verkeerde grond toegewezen ontbinding voldoende rechtsgrond voor een (vervangende) billijke vergoeding zou kunnen opleveren, het hof van oordeel is dat die billijke vergoeding alsdan op nihil gesteld zou moeten worden. Ook voor het dan aan de orde zijnde (door [de werknemer] verzochte) herstel van de arbeidsovereenkomst ziet het hof onvoldoende grond. Het hof oordeelt (eveneens in cassatie als zodanig onbestreden) dat ter zitting in hoger beroep voldoende duidelijk is geworden dat een eventuele terugkeer van [de werknemer] in de relatief kleine arbeidsorganisatie van Profoto geen vruchtbare werkverhoudingen zal opleveren.
1.4
In cassatie komt [de werknemer] op tegen de beslissingen van het hof over de i-grond, meer in het bijzonder tegen het oordeel van het hof dat de kantonrechter de ontbinding op de i-grond (bestaande uit een combinatie van e en g) had kunnen toewijzen. Ook richt [de werknemer] klachten tegen het oordeel van het hof over de vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW. Profoto zal hierna toelichten dat deze klachten moeten falen.
1.5
Voor het geval uw Raad onverhoopt tot gegrondbevinding van één of meer van de klachten van het principale cassatiemiddel van [de werknemer] oordeelt, stelt Profoto hierbij voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof over de e-grond.
1.6
Profoto zal hierna eerst (in § 2 en 3) het principale cassatiemiddel van [de werknemer] bespreken. Dat middel valt uiteen in drie onderdelen, genummerd 1 tot en met 3. Onderdeel 3 bevat alleen een voortbouwklacht en behoeft geen bespreking. Vervolgens zal Profoto het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep bespreken (in § 4).
2. Onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel — i-grond
2.1
Onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel, dat bestaat uit een viertal subonderdelen (genummerd a tot en met d), bestrijdt vanuit verschillende invalshoeken de beslissing van het hof dat, kort gezegd, de kantonrechter de ontbinding (wel) op de i-grond had kunnen toewijzen.
Subonderdeel a
2.2
Subonderdeel a betoogt dat voor toewijzing van een ontbindingsverzoek op de i-grond de werkgever dient ‘te voldoen aan een (verzwaarde) stelplicht die behelst dat de werkgever precies dient aan te geven en te onderbouwen welke omstandigheden / elementen uit twee of meer van de ontslaggronden als bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub c tot en met e, g en h BW ertoe hebben geleid dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.’ Het middel klaagt dat het hof deze (verzwaarde) stelplicht heeft miskend. Want, zo vervolgt het middel, Profoto heeft haar beroep op de i-grond ‘slechts (…) onderbouwd met een algemene verwijzing naar al hetgeen Profoto heeft aangevoerd in het kader van haar beroep op de door haar primair (e-grond) en subsidiair (g-grond) aangevoerde omstandigheden’. Het middel citeert in dit kader een deel van § 5.8 van het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW van Profoto.
2.3
Het middel gaat daarmee uit van een onvolledige, en dus: onjuiste, lezing van de processtukken van Profoto. Profoto heeft aan haar beroep op de i-grond méér ten grondslag gelegd dan datgene wat het middel citeert en veronderstelt.4. Profoto heeft in eerste aanleg (in het door het middel bedoelde verweerschrift) immers het volgende aangevoerd:
‘5.8
Ten slotte, en nog meer subsidiair wordt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht op grond van artikel 7:669 lid 3 sub i BW, een combinatie van omstandigheden genoemd in de hiervoor genoemde gronden (e en g) die zodanig is dat het van Profoto in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor het geval UEA Kantonrechter — onverhoopt wat Profoto betreft — van mening is dat de hiervoor genoemde (twee) gronden niet ‘voldragen’ zijn, doet Profoto een beroep op de zogeheten ‘combinatiegrond’. Uit de combinatie van feiten en omstandigheden, zoals uitvoerig verwoord in dit uitgebreide processtuk, afkomstig van twee of meerdere van de hiervoor genoemde ontslaggronden (e- en g-grond) volgt dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in alle redelijkheid niet van Profoto kan worden gevergd. De onderbouwing van de hiervoor genoemde ontslaggronden bevat (meer dan) voldoende aanknopingspunten voor cumulatie van twee of meer gronden en uitsluitend voor het geval deze gronden op zichzelf ‘onvoldragen’ zijn.
5.9
Wat Profoto betreft is immers sprake van een situatie waarbij de gedragingen van [de werknemer] dienen te worden aangemerkt als (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten en wel zodanig dat als gevolg daarvan Profoto elk vertrouwen dat zij als werkgever dient te hebben in [de werknemer] als werknemer heeft verloren. Profoto ziet een terugkeer van [de werknemer] op het werk absoluut niet zitten. Indien en voor zover deze arbeidsovereenkomst nog mocht bestaan vanaf 30 januari 2023, dan dient deze arbeidsovereenkomst hoe dan ook te eindigen en vandaar dit voorwaardelijk verzoek tot ontbinding.’5.
(onderstreping toegevoegd)
2.4
Profoto heeft (in § 5.9), in toelichting c.q. aanvulling op de passage die het subonderdeel aanhaalt (‘immers’), dus ook betoogd dat sprake is van een situatie waarbij (i) de gedragingen van [de werknemer] dienen te worden aangemerkt als (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten, (ii) en wel zodanig dat als gevolg daarvan Profoto elk vertrouwen dat zij als werkgever dient te hebben in [de werknemer] als werknemer heeft verloren. Profoto heeft gesteld dat (iii) zij een terugkeer van [de werknemer] op het werk absoluut niet ziet zitten en (iv) de arbeidsovereenkomst hoe dan ook dient te eindigen. Het subonderdeel ziet hieraan voorbij. Het mist dan ook feitelijke grondslag.
2.5
Voor zover het subonderdeel hierop al niet moet stranden, zal hierna worden toegelicht dat het subonderdeel ook te hoge eisen stelt aan de stelplicht van de werkgever in het kader van een beroep op de i-grond.
2.6
Met de Wet werk en zekerheid is een gesloten stelsel van redelijke ontslaggronden in art. 7:669 lid 3 BW opgenomen op basis waarvan de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen en de rechter die overeenkomst (dus) kan ontbinden. In de praktijk is echter gebleken dat zich situaties voordeden waarin ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd werd geacht, terwijl er niet aan een van de redelijke gronden van ontslag werd voldaan. Rechters konden dan niet ontbinden, terwijl in redelijkheid niet van de werkgever gevraagd kon worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Zij konden daardoor onvoldoende maatwerk leveren.6.
2.7
Als antwoord op dit ‘probleem’ is met ingang van 1 januari 2020 sub i aan art. 7:669 lid 3 BW toegevoegd, ook wel de cumulatiegrond genoemd. Deze cumulatiegrond maakt het mogelijk de arbeidsovereenkomst te beëindigen op grond van een combinatie van omstandigheden genoemd in twee of meer van de ontslaggronden onder sub c tot en met e, g en h, die zodanig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het doel van de cumulatiegrond was om rechters in staat te stellen om meer maatwerk te leveren en het ontslagrecht te versoepelen.7. Daardoor zou het voor werkgevers aantrekkelijker moeten worden om werknemers in vaste dienst te nemen.8.
2.8
De wetgever heeft duidelijk gemaakt dat de i-grond zowel primair als (meer) subsidiair ten grondslag kan worden gelegd aan het ontbindingsverzoek:
‘De werkgever kan om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoeken op een van de ontslaggronden c tot en met h en subsidiair, voor het geval de rechter tot het oordeel komt dat deze gronden onvoldragen zijn of onvoldoende onderbouwd, op grond van de cumulatiegrond. De werkgever kan ook de cumulatiegrond primair ten grondslag leggen aan het ontbindingsverzoek, waarbij dan wel omstandigheden uit twee of meer gronden (c-h) moeten worden aangevoerd.’9.
2.9
Uit deze toelichting kan worden afgeleid dat de wetgever twee scenario's voor ogen stond: het scenario waarin de i-grond primair ten grondslag wordt gelegd aan het ontbindingsverzoek, ‘waarbij dan wel omstandigheden uit twee of meer gronden (c-h) moeten worden aangevoerd’ en het scenario waarin de i-grond subsidiair ten grondslag wordt gelegd aan het ontbindingsverzoek, waarbij dan kennelijk (blijkens deze passage) niet de eis geldt dat in het kader van de i-grond omstandigheden uit twee of meer gronden moeten worden aangevoerd.
2.10
Voor deze opvatting pleit ook de opmerking van de wetgever over ambtshalve toepassing van de cumulatiegrond:
‘Het is aan de rechter om te beoordelen of, gelet op de omstandigheden van het geval, ambtshalve toepassing van de i-grond aan de orde zou kunnen zijn. De memorie van toelichting is hierop aangepast.’10.
2.11
Ambtshalve toepassing van de i-grond is dus mogelijk. Dat terwijl in een dergelijke situatie de werkgever (vanzelfsprekend) niet in het kader van de i-grond omstandigheden uit twee of meer andere gronden heeft aangevoerd; de werkgever heeft in die situatie de i-grond helemaal niet aan het verzoek ten grondslag gelegd.
2.12
Voldoende is (dus) dat de werkgever omstandigheden stelt die in het domein liggen van twee of meer gronden. Als de werkgever die omstandigheden stelt in het kader van de gronden c-e, g en h, dan hoeft hij die omstandigheden niet ook nog een keer uitdrukkelijk (allemaal) in het kader van de i-grond te stellen; dat zal ook een nodeloze herhaling inhouden.
2.13
Uit de passages die het middel aanhaalt kan (gelet op het voorgaande) niet iets anders worden afgeleid. De wetgever heeft het daar niet over een verzwaarde stelplicht, of woorden van gelijke strekking. Het middel refereert aan een opmerking van de wetgever dat de werkgever voor een succesvol beroep op de cumulatiegrond precies dient aan te geven en te onderbouwen welke omstandigheden uit twee of meer van de gronden c tot en met h11. tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst ertoe hebben geleid dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat dient de werkgever inderdaad te doen als hij de i-grond primair ten grondslag legt aan het verzoek. Als de werkgever echter primair en subsidiair een andere grond voor ontslag voordraagt — zoals in casu: de e-grond en g-grond — dan heeft de werkgever in de toelichting op die gronden al (i) omstandigheden uit die beide gronden aangevoerd en (ii) gemotiveerd dat en waarom die omstandigheden zodanig zijn dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het spreekt voor zich dat in de visie van de werkgever dan ook voor een combinatie van (alle) omstandigheden uit die beide gronden zal gelden dat in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
2.14
De opvatting van het middel is anders. In die opvatting moet de werkgever ‘precies’ stellen en onderbouwen ‘welke’ omstandigheden uit twee of meer van de gronden als vervat in art. 7:669 lid 3, sub c-e, g en h, BW tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst ertoe hebben geleid dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren en ‘waarom’ die combinatie van omstandigheden tot dat rechtsgevolg moeten leiden. Het middel lijkt hiermee te zeggen dat de werkgever specifiek bepaalde (dus niet alle) omstandigheden die hij in het kader van de andere gronden heeft aangevoerd, moet combineren en moet toelichten dat en waarom dié specifieke combinatie tot gevolg heeft dat, kort gezegd, de arbeidsovereenkomst moet eindigen. Voor die opvatting biedt de parlementaire geschiedenis echter geen steun. Deze opvatting leidt ook tot onbedoelde en ongewenste gevolgen. Op het moment van indiening van het ontbindingsverzoek weet een werkgever nog niet dat en waarom de kantonrechter de primair en subsidiair aangevoerde grond niet voldragen zal achten. Daarom is ook niet goed te bepalen hoeveel gewicht aan iedere grond, en de in dat kader aangevoerde omstandigheden, kan worden toegekend in de onderbouwing van de cumulatiegrond.12. Van de werkgever kan dan ook niet worden gevergd dat hij een combinatie maakt van enkele specifieke omstandigheden die hij in het kader van de andere gronden heeft aangevoerd, met als risico dat hij een ‘verkeerde’ keuze uit die omstandigheden maakt (doordat hij relevante omstandigheden laat liggen) en als gevolg dat de rechter niet tot ontbinding op de i-grond kan overgaan. Deze opvatting strookt (ook) niet met de bedoeling van de wetgever met de invoering van de i-grond om rechters in staat te stellen om meer maatwerk te leveren, het ontslagrecht te versoepelen en daardoor werkgevers te stimuleren om mensen in vaste dienst te nemen (zie hiervóór in § 2.7). De opvatting die het middel voorstaat, is dus onjuist.
2.15
Het subonderdeel faalt. Profoto heeft (meer dan) voldoende gesteld om tot een toewijzing op de i-grond te kunnen komen. Profoto heeft duidelijk gemaakt waar de combinatie in gelegen is (e en g): er is volgens Profoto sprake van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten, zodanig dat als gevolg daarvan Profoto elk vertrouwen dat zij als werkgever dient te hebben in [de werknemer] als werknemer, heeft verloren. Een terugkeer op werk zit er niet in en voortzetting van de arbeidsovereenkomst kan (bijgevolg) in alle redelijkheid niet van Profoto worden gevergd, zo heeft Profoto verder in het kader van de i-grond aangevoerd. Profoto heeft daarbij (ook) verwezen naar haar onderbouwing van de e-grond en de g-grond en de in dat kader aangevoerde feiten en omstandigheden. Dit volstaat. Tot méér dan dit was Profoto niet gehouden.
Subonderdeel b
2.16
Subonderdeel b richt zich tegen rov. 5.15, meer in het bijzonder tegen de hieronder gecursiveerde passage:
‘(…) Allereerst had de kantonrechter kunnen vaststellen dat er sprake was van enig verwijtbaar handelen (al was dat op zichzelf onvoldoende voor de gevraagde ontbinding) en ook dat er sprake was van een — door miscommunicatie en daarop gebaseerd ontslag — wel in meer dan geringe mate verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter had daarin ook (al dan niet ambtshalve) mogen betrekken het feit dat [de werknemer], hoewel toen niet arbeidsongeschikt, niet had verzocht of gevorderd om bij voorlopige maatregel, uitvoerbaar bij voorraad, toegelaten te worden tot het verrichten van de bedongen arbeid. Door die toelating slechts in de bodemprocedure te vorderen, waarvan — na een juiste toepassing van het bewijsrecht — de verwachte duur zodanig lang kon zijn dat terugkeer op basis van de eindbeschikking reeds vanwege die lange duur illusoir zou kunnen worden bevonden (nog afgezien van het risico van dan een toegewezen voorwaardelijk ontbindingsverzoek, waarna terugkeer niet meer aan de orde zou zijn), heeft [de werknemer] onvoldoende weersproken dat de verhouding tussen partijen stevig verstoord was. (…)’
(cursivering en onderstreping toegevoegd)
2.17
Kern van de klachten van het subonderdeel is dat het hof zijn oordeel dat, kort gezegd, de cumulatiegrond vervuld was, (mede c.q. in belangrijke mate) heeft gebaseerd op een feit dat het zelf — ambtshalve — heeft bijgebracht en dat niet door de werkgever is aangevoerd: de hierboven gecursiveerde passage. Aldus zou het hof in strijd hebben gehandeld met art. 24 Rv, aldus het subonderdeel.
2.18
Het subonderdeel faalt. Profoto heeft gesteld dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Het hof behandelt die stelling in de hierboven bedoelde passage. Het hof oordeelt dat [de werknemer] die stelling onvoldoende heeft weersproken. Daarbij gebruikt het hof het feit dat [de werknemer], hoewel toen niet arbeidsongeschikt, niet had verzocht of gevorderd om bij voorlopige maatregel, uitvoerbaar bij voorraad, toegelaten te worden tot het verrichten van de bedongen arbeid. Het hof betrekt dit feit dus bij de beoordeling of [de werknemer] de stelling van Profoto dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding voldoende heeft weersproken. Art. 24 Rv verbiedt dat niet. De rechter mag bij de beoordeling of een stelling al dan niet voldoende is weersproken feiten en omstandigheden betrekken die hem te zijner kennis zijn gebracht en ten processe zijn gebleken. Van een verboden aanvulling van de feitelijke grondslag is geen sprake.
Vgl. ook M.J.A.M. Ashmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom juridisch 2020, p. 115 resp. 118:
‘Voor zover het gaat om ten processe gebleken feiten en omstandigheden die géén rechtsfeiten zijn maar die wel kunnen dienen ter ondersteuning of staving van aangevoerde rechtsfeiten, mag de rechter die gebruiken, zonder dat daarop een beroep is gedaan (uiteraard als ze vaststaan). Dergelijke feiten staan vaak in producties. Hij mag uit de stukken de (on)juistheid van een stelling afleiden. Dat is niet in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Het gaat dan vaak om het verband tussen stelling en productie.
(…)
Conclusie: de rechter mag feitelijke gegevens uit het dossier gebruiken die de gestelde feitelijke grondslag staven ongeacht met welk doel ze naar voren zijn gebracht en door wie; of ze nu naar voren zijn gebracht ten gunste of ten nadele van wie die feiten bij de beslissing worden gebruikt. Dat is dus geheel anders voor rechtsfeiten die behoren tot de feitelijke grondslag. Die moeten zijn gesteld en mogen niet worden afgeleid uit het dossier. Het is uiteindelijk aan de rechter om door uitleg van de wederzijdse stellingen uit te maken wat de aard en de omvang van de feitelijke grondslag is. Ongelukken kunnen worden voorkomen door al tijdens de mondelinge behandeling aan partijen inlichtingen te vragen over wat zij hebben bedoeld; zie paragraaf 6.3.4.’
Ashmann verwijst naar HR 12 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2525, NJ 1998/224, waarin uw Raad het volgende overwoog:
‘Onderdeel C verwijt het Hof dat het bij zijn oordeel dat, kort gezegd, de tijdens de bouw met betrekking tot de brandwerendheid van de panelen gebleken problemen niet voor rekening van Wobouw dienen te komen, een viertal omstandigheden in aanmerking heeft genomen, waarop Wolvega in dit verband geen beroep heeft gedaan.
Deze algemene klacht van het onderdeel ziet eraan voorbij dat het de rechter vrijstaat, binnen de grenzen van de rechtsstrijd, alle behoorlijk te zijner kennis gebrachte en ten processe gebleken feiten en omstandigheden in zijn beoordeling van het hem voorgelegde punt van geschil te betrekken, en dat de rechter bij die beoordeling niet is beperkt tot de feiten en omstandigheden die door ieder van de partijen voor het door haar ingeroepen rechtsgevolg zijn aangevoerd.’
Subonderdeel c
2.19
Subonderdeel c klaagt, kort gezegd, dat het hof niet zou hebben onderzocht of, en vastgesteld dat, ten tijde van de ontbindingsbeschikking, althans de datum van de mondelinge behandeling in prima, ook voldaan was aan de herplaatsingsplicht van art. 7:669 lid 1 BW. Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
2.20
In art. 7:669 lid 1 BW is een wettelijke basis gegeven aan het herplaatsingsvereiste. Volgens deze wettelijke regeling is opzegging (respectievelijk ontbinding) van de arbeidsovereenkomst, ook indien daarvoor een redelijke grond bestaat, slechts toegestaan indien herplaatsing binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Er moet dus een redelijke grond zijn en aan het herplaatsingsvereiste zijn voldaan.
2.21
Bij de beoordeling of herplaatsing ‘niet mogelijk is of niet in de rede ligt’ gaat het erom wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. Met dit begrippenpaar is niet beoogd om een resultaatsverplichting van de werkgever tot herplaatsing in het leven te roepen.
Zie HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64:
‘3.4.1
Onderdeel 2.1 behelst een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof (rov. 9) dat de vraag of herplaatsing in de rede ligt (in de zin van art. 7:669 lid 1 BW) een ‘individuele redelijkheidstoets’ vergt, waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het onderdeel betoogt dat herplaatsing slechts dan ‘niet in de rede ligt’ in de zin van genoemde bepaling, in gevallen waarin de herplaatsingsvraag in het geheel niet behoeft te worden gesteld, oftewel ‘gevallen waarin herplaatsing (in het geheel) ‘niet logisch’ is’.
3.4.2
Uit de in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal in 2.20–2.22 weergegeven geschiedenis van de thans in art. 7:669 lid 1 BW neergelegde herplaatsingsverplichting en de toelichting op de (op art. 7:669 lid 5 BW stoelende) Ontslagregeling blijkt dat met deze regelingen geen breuk is beoogd met het voor de invoering van de Wwz op dit punt geldende recht. In HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182 (Decor) (rov. 3.4.7), is ook in die zin beslist. Daarom moet worden aangenomen dat met het gebruik van het begrippenpaar ‘niet mogelijk is of niet in de rede ligt’ niet is beoogd een resultaatsverplichting van de werkgever tot herplaatsing in het leven te roepen, maar dat het daarbij gaat om hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd (vgl. HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:220 ( […] & […] ), rov. 3.5.2).
Hieruit volgt dat het bij de beantwoording van de vraag of herplaatsing niet in de rede ligt, niet enkel gaat om omstandigheden die niet-herplaatsing vanzelfsprekend doen zijn, maar dat daarbij ook redelijkheidsargumenten een rol kunnen spelen. Daarmee wordt de werkgever een zekere beoordelingsruimte gelaten. Het onderdeel mist dus doel.’
2.22
Volgens de tweede volzin art. 7:669 lid 1 BW ligt herplaatsing ‘in ieder geval’ niet in de rede indien sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in de e-grond. Hier heeft de wetgever zelf dus al de ‘redelijkheidsafweging’ gemaakt. De wetgever heeft hierbij niet specifiek het oog gehad op verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer dat in het kader van de e-grond is aangevoerd. Zo overwoog de regering bijvoorbeeld dat herplaatsing ook niet aan de orde is als sprake is van disfunctioneren dat erin bestaat dat de werknemer de verplichtingen die volgen uit de arbeidsovereenkomst niet naleeft:
‘Als het gaat om disfunctioneren is het van belang goed onderscheid te maken tussen enerzijds het niet (meer) kunnen voldoen aan gestelde functie-eisen en anderzijds gedragingen die maken dat een werknemer de verplichtingen die volgen uit de arbeidsovereenkomst niet naleeft. In dat laatste geval is sprake van verwijtbaar handelen of nalaten en is herplaatsing niet aan de orde.’13.
2.23
In de situatie die de regering hier schetst, is verwijtbaar handelen of nalaten in het kader van de d-grond14. aangevoerd. Ook dan is herplaatsing volgens de regering niet aan de orde. Hieruit blijkt het volgende: vormt verwijtbaar handelen of nalaten de grondslag van het ontslag, dan speelt het al dan niet kunnen herplaatsen geen rol — herplaatsing ligt dan niet in de rede — ook niet als het ontslag op een andere grond dan de e-grond is gebaseerd.
Vgl. in dit kader ook Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 45:
‘In de situatie waar verwijtbaar handelen of nalaten de grondslag vormt voor ontslag, speelt het al dan niet kunnen herplaatsen van de werknemer uiteraard geen rol bij de beoordeling van het geoorloofd zijn van ontslag. In dit geval is ontslag immers een sanctie op ontoelaatbaar gedrag.’
2.24
Als gezegd, heeft het hof geoordeeld dat hij een door de kantonrechter op basis van dit dossier op de i-grond (als voldragen grond, bestaande uit een combinatie van de elementen e en g) uitgesproken ontbinding gegrond had bevonden. Volgens het hof had de kantonrechter kunnen vaststellen dat er sprake was van enig verwijtbaar handelen en een in meer dan geringe mate verstoorde arbeidsverhouding; [de werknemer] heeft onvoldoende weersproken ‘dat de verhouding tussen partijen stevig verstoord was’.
2.25
De i-grond bestaat hier dus deels uit verwijtbaar handelen en nalaten (als bedoeld in de e-grond; het hof verwijst naar ‘element e’) Gelet op hetgeen hierboven is betoogd, speelt dat een rol bij de beoordeling of herplaatsing in de rede ligt. Verdedigbaar is dat deze omstandigheid minst genomen steun biedt aan het standpunt dat herplaatsing niét in de rede ligt.
2.26
Verder bestaat de i-grond hier dus uit (omstandigheden uit) de g-grond. Bij een ontbinding op de g-grond geldt het herplaatsingsvereiste in principe wel.15. Herplaatsing ligt echter niet in de rede als de verstoring zich uitstrekt tot de werkgever.
Zie Handelingen II 2013/14, 33 818, nr. 54, item 9, p. 20:
‘In zijn amendement op stuk nr. 9 heeft de heer Dijkgraaf voorgesteld, te regelen dat de verplichting niet geldt als het ontslag het gevolg is van verwijtbaar handelen, een verstoorde arbeidsrelatie of onvoldoende functioneren. Ik moet dat amendement ontraden, en wel hierom. De verplichting geldt als herplaatsing mogelijk is en in de rede ligt. Het spreekt voor zich dat de verplichting niet geldt bij ontslag wegens verwijtbaar handelen door de werknemer. Zo is het ook toegelicht. De verplichting geldt ook niet als het ontslag verband houdt met bijvoorbeeld verblijf in de gevangenis. Dat is dus al geregeld. Als er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, geldt de verplichting evenmin. Dat ligt alleen anders wanneer het een verstoorde arbeidsrelatie op de werkvloer betreft en niet met de werkgever zelf. In dat geval moet worden bezien of bijvoorbeeld overplaatsing naar een andere plek soelaas kan bieden. Door het te regelen zoals het in het amendement wordt voorgesteld, vervalt die nuancering en dat is ongewenst.’16.
(onderstreping toegevoegd)
2.27
Van een verstoring die zich uitstrekt tot de werkgever zal doorgaans (snel) sprake zijn indien de werknemer werkzaam is in een kleine organisatie en hij niet meer door één deur kan met zijn leidinggevende. Het hof heeft vastgesteld dat de arbeidsorganisatie van Profoto ‘relatief klein’ is (rov. 5.16). Uit rov. 5.15 jo. 5.14 van de bestreden beschikking kan worden afgeleid dat de verstoring (met name) zit in de relatie tussen [de werknemer] en zijn leidinggevende, [betrokkene 1]. Hierin ligt besloten dat de verstoring zich in casu (hoofdzakelijk) tot de werkgever zelf uitstrekt. Het hof heeft ook overwogen dat ([de werknemer] onvoldoende heeft weersproken dat) de verhouding tussen ‘partijen’ stevig verstoord was en het hof heeft overwogen dat ter zitting in hoger beroep voldoende duidelijk is geworden dat een eventuele terugkeer van [de werknemer] in de relatief kleine arbeidsorganisatie van Profoto geen vruchtbare werkverhoudingen zal opleveren.
2.28
Resumerend. Er is sprake van verwijtbaar handelen en er is een verstoring die (hoofdzakelijk) op het niveau van de werkgever zit. Gelet op het voorgaande ligt herplaatsing dan niet in de rede (is niet aan de orde). Profoto heeft dat ook gesteld. Profoto heeft gesteld dat herplaatsing in een andere functie niet in de rede ligt en bovendien onmogelijk is:
‘Volledigheidshalve merkt Profoto op dat herplaatsing in een andere functie niet in de rede ligt en bovendien onmogelijk is. Van Profoto kan ook niet worden verlangd dat zij [de werknemer] — na geconstateerd (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten — een andere functie aanbiedt.’17.
2.29
[de werknemer] heeft deze stelling niet betwist.
2.30
In het licht van het voorgaande (herplaatsing bij een e- en g-grond, de vaststellingen van het hof en de stellingen van partijen) behoefde het hof niet méér overwegingen te wijden aan herplaatsing dan het nu heeft gedaan. In het oordeel van het hof ligt besloten dat herplaatsing niet in de rede ligt (niet aan de orde is). Dat oordeel is, ook zonder nadere motivering, voldoende begrijpelijk. Op het voorgaande stuiten de klachten van het subonderdeel af.
Subonderdeel d
2.31
Subonderdeel d richt zich rechts- en motiveringsklachten tegen de beslissing van het hof dat ‘de kantonrechter [had] kunnen vaststellen dat er sprake was van enig verwijtbaar handelen (al was dat op zichzelf onvoldoende voor de gevraagde ontbinding)’.
2.32
De rechtsklacht houdt in dat het hof in het geheel niet zou hebben toegelicht waaruit het verwijtbare gedrag volgens het hof bestaat. Het hof zou daarmee blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de motiveringsplicht van de rechter ten aanzien van de aanwezigheid van een cumulatiegrond.
2.33
Voor zover de rechtsklacht betoogt dat voor de motivering door de rechter van het bestaan van een cumulatiegrond andere, strengere, eisen gelden dan voor de motivering van het bestaan van de overige gronden, faalt de klacht. De motiveringseisen zijn hetzelfde. De motivering van het hof volstaat. Anders dan de rechtsklacht betoogt, is (immers) wel degelijk duidelijk op welk handelen van [de werknemer] het hof het oog heeft. Dat is onder meer het handelen dat het hof in rov. 5.13 van de bestreden beschikking bespreekt, zoals de motiveringsklachten ook aannemen. Ook kan het niet anders dan dat het hof heeft bedoeld terug te slaan op rov. 5.10, waar het hof heeft overwogen dat het niet terugsturen van de camera aan [de werknemer] kan worden verweten. Het hof was niet gehouden om (nog) specifiek(er) aan te geven op welk verwijtbaar handelen het in rov. 5.15 doelt.
2.34
De motiveringsklachten betogen dat datgene wat het hof in rov. 5.13 heeft overwogen erop neerkomt dat het hof heeft beslist dat geen van de vier verwijten die volgens de kantonrechter samen een e-grond opleverden, zelfs maar kan bijdragen aan het bestaan van zo'n grond en/of een ontslagrechtelijk verwijt oplevert. Het hof zou ten aanzien van alle gedragingen/verwijten hebben geoordeeld dat dat geen verwijtbaar gedrag in de zin van art. 7:669 lid 3, aanhef en onder e, BW oplevert. Tegen deze achtergrond zou het oordeel van het hof dat de kantonrechter had kunnen vaststellen dat van ‘enig verwijtbaar handelen’ sprake was, onbegrijpelijk, althans volstrekt onvoldoende, gemotiveerd zijn.
2.35
Ook deze klachten falen. Het oordeel van het hof in rov. 5.13 kan niet zo worden begrepen dat geen sprake is van verwijtbaar handelen (als bedoeld in art. 7:669 lid 3, aanhef en onder e, BW). Het oordeel van het hof in rov. 5.13 komt erop neer — blijkens ook wat het hof in rov. 5.15 overweegt, alwaar het hof dus naar onder meer rov. 5.13 teruggrijpt — dat sprake is van onvoldoende verwijtbaar handelen en nalaten voor een ontbinding op de e-grond. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de bespreking van het eerste verwijt, in welk kader het hof overweegt:
‘Gelet op deze voorgeschiedenis beoordeelt het hof dit, anders dan de kantonrechter, niet als zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [de werknemer] dat dit een ontslag op die grond mede zou kunnen dragen.’18.
Het woord ‘zodanig’ wijst erop dat het hof het gedrag wel (enigszins) verwijtbaar vindt, maar niet verwijtbaar genoeg. En ten aanzien van het vierde verwijt overweegt het hof:
‘Het oordeel van de kantonrechter dat hij dat vóór zijn vertrek had moeten mededelen moge op zichzelf wel juist en relevant zijn, maar legt — mede gelet op het andersluidende oordeel van het hof over de overige aangehaalde feiten en omstandigheden — naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal om een ontbinding op grond van verwijtbaar handelen en nalaten te kunnen dragen.’19.
Dat het hof vindt dat dit gedrag — mede gelet op datgene wat hij verder heeft overwogen — onvoldoende gewicht in de schaal legt om een ontbinding op grond van verwijtbaar handelen en nalaten te kunnen dragen, wijst er op dat het hof ook dit gedrag dus wel (enigszins) verwijtbaar vindt, maar niet verwijtbaar genoeg.
2.36
Anders dan het middel klaagt, is het oordeel van het hof over het vierde verwijt in deze uitleg niet innerlijk tegenstrijdig met de overwegingen die hieraan vooraf zijn gegaan. Het middel wijst op de overweging van het hof ten aanzien van het derde verwijt en de overweging die daarop volgt:
‘Dat één van die (meer dan tien) behandelingen op een middag zou hebben plaatsgevonden kan onvoldoende gewicht in de schaal leggen om van een voor ontslag relevant verwijtbaar handelen te kunnen spreken. Het vierde en laatste door de kantonrechter aangehaalde verwijt kan dat ook niet (…).’
Deze overweging kan niet, zoals het middel doet, zo worden begrepen dat het hof vindt dat er helemaal geen sprake is van verwijtbaar handelen op dit punt.
3. Onderdeel 2 van het principale cassatiemiddel — art. 7:671b lid 8 BW
3.1
Onderdeel 2 klaagt over de volgende beslissing van het hof in rov. 5.15:
‘(…) Had de kantonrechter het (meer subsidiaire) tegenverzoek van Profoto op basis van de i-grond toegewezen, dan had de kantonrechter moeten beslissen of aan [de werknemer], naast zijn recht op de volledige transitievergoeding, nog een aanvullende vergoeding als bedoeld in artikel 7:671b, lid 8 BW toegekend had moeten worden. Noch afgezien van de verwachting dat het oordeel van de kantonrechter op dit punt niet toewijzend zou zijn geweest, is het — ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg door of namens [de werknemer] gedane subsidiaire verzoek om toekenning van een (aanvullende) transitievergoeding bij ontbinding op de i-grond — in hoger beroep niet meer aan de orde. Het is in hoger beroep niet door [de werknemer] verzocht, ook niet in voorwaardelijke zin.’
3.2
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden.
3.3
Art. 7:671b lid 8 BW luidt als volgt:
‘Indien de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt op grond van artikel 669, lid 3, onderdeel i, kan hij aan de werknemer een vergoeding toekennen van ten hoogste de helft van de transitievergoeding, bedoeld in artikel 673, lid 2.’
3.4
Deze bepaling geeft dus de bevoegdheid aan de kantonrechter (‘kan’) om bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de i-grond een extra vergoeding toe te kennen. Uit art. 7:683 lid 5 BW volgt dat deze bepaling van overeenkomstige toepassing is voor het geval het hof de arbeidsovereenkomst op de i-grond beëindigt (nadat hij tot het oordeel is gekomen dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft ontbonden).20.
3.5
Met andere woorden: de rechter (kantonrechter of hof) die de arbeidsovereenkomst op de i-grond beëindigt, kan ex art. 7:671b lid 8 BW een extra vergoeding toekennen. In casu heeft het hof de arbeidsovereenkomst echter niet beëindigd. Dat heeft de kantonrechter gedaan en volgens het hof was dat terecht. Aan de voorwaarde voor toekenning van de vergoeding ex art. 7:671b lid 8 BW is dan ook niet voldaan. Reeds hierop stuit het onderdeel af.
3.6
Hoe dan ook geldt dat de extra vergoeding moet zijn verzocht. Het onderdeel betoogt dat dat niet hoeft en dat de rechter ook ambtshalve, zonder dat dat is verzocht, de vergoeding ex art. 7:671b lid 8 BW kan toewijzen. Het onderdeel wijst in dit kader op de parlementaire geschiedenis, waaruit onder meer blijkt dat de rechter (ook) ambtshalve kan ontbinden op de i-grond.
3.7
Het onderdeel ziet er echter aan voorbij dat ambtshalve ontbinding op de i-grond iets anders is dan ambtshalve toekenning van een niet-verzochte vergoeding. In het eerste geval wijst de rechter iets toe wat is verzocht — namelijk ontbinding — maar doet hij dat op een andere grond. Dat is toelaatbaar. Indien de rechter evenwel — nadat hij ambtshalve heeft ontbonden op de i-grond — ook ambtshalve de cumulatievergoeding toewijst (zonder dat dat dus is verzocht), dan treedt hij buiten de grenzen van art. 23 Rv. De rechter mag op grond van deze bepaling niet meer of anders toewijzen dan hetgeen is verzocht.
3.8
Ook uit de verdere parlementaire geschiedenis die het onderdeel aanhaalt, kan niet iets anders worden afgeleid. Juist is dat, zoals het middel betoogt, daarin niet wordt vermeld dat de in art. 7:671b lid 8 BW bedoelde extra vergoeding slechts kan worden toegekend wanneer de werknemer daarom heeft verzocht (§ 34). Maar dat dat niet kan volgt dus, als gezegd, (al) uit art. 23 Rv. Uit de passages die het onderdeel aanhaalt blijkt slechts dat, zoals ook de tekst van art. 7:671b lid 8 BW tot uitdrukking brengt, de rechter niet gehouden is om — áls dat is verzocht — de extra vergoeding toe te wijzen. Hij ‘kan’ dat doen; hij heeft de ‘bevoegdheid’, maar is niet verplicht om dat te doen.21.
3.9
In onderhavige zaak geldt dat [de werknemer] ter zitting in eerste aanleg heeft gevraagd om ‘de verhoogde transitievergoeding indien op de i-grond wordt ontbonden’. Zoals het hof terecht overweegt, had de kantonrechter op dat verzoek moeten beslissen indien hij de arbeidsovereenkomst op de i-grond zou hebben ontbonden. Dat heeft hij echter niet gedaan. De voorwaarde waaronder dit verzoek is ingesteld — ‘indien op de i-grond wordt ontbonden’ — kon in hoger beroep niet meer worden vervuld (de arbeidsovereenkomst was toen immers al reeds geëindigd). Voor zover het, na ontbinding door de kantonrechter, in hoger beroep überhaupt nog mogelijk is om de extra vergoeding toegekend te krijgen (zie hierboven in § 3.5), geldt dat [de werknemer] in elk geval in hoger beroep een daartoe strekkend (nieuw) verzoek had moeten doen zonder de voorwaarde die hij in eerste aanleg aan dat verzoek had verbonden. Zoals het hof overweegt, heeft [de werknemer] dat niet gedaan. Rechtsklacht 1 en 3 stuiten hierop af. Bij rechtsklacht 2 heeft [de werknemer] geen belang.
Vgl. in dit kader ook HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:571, NJ 2017/204, m.nt. E. Verhulp, rov. 3.6.3–3.6.4, onder verwijzing naar HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998 (Mediant).
4. Voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
4.1
Profoto stelt hierbij voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in tegen de in het principaal cassatieberoep bestreden beschikking. Het incidentele cassatieberoep wordt ingesteld onder de voorwaarde dat het principale cassatiemiddel van [de werknemer] doel treft, onder aanvoering van het navolgende
Middel van cassatie
4.2
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het hof heeft geoordeeld in rov. 5.13 van zijn bestreden beschikking, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
Inleiding
4.3
Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep richt zich tegen rov. 5.13 van de bestreden beschikking. Daar heeft het hof, kort gezegd, beoordeeld of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen terecht op de e-grond heeft ontbonden.
4.4
Kern van de klachten van het middel is dat het hof bij deze beoordeling niet (kenbaar) heeft betrokken alle verwijten die Profoto aan [de werknemer] heeft gemaakt, maar zich heeft beperkt tot slechts die verwijten die de kantonrechter heeft besproken en die volgens de kantonrechter maakten dat sprake is van een voldragen e-grond. Van de verwijten die het hof wél (kenbaar) bij zijn beoordeling heeft betrokken, heeft het ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, geconcludeerd dat zij, kort gezegd, niet zodanig zijn dat zij een ontslag op de e-grond niet (mede) kunnen dragen.
Stellingname van Profoto
4.5
Profoto heeft aan het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (op de e-grond) dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd als aan het ontslag op staande voet en datgene wat zij in het kader van het verweer tegen het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet heeft aangevoerd.22. Het gaat dan, samengevat, (onder meer) om de volgende verwijten:23.
- —
Ongeoorloofde afwezigheid van 12 december 2022 tot en met 13 januari 2023;
- —
Zonder toestemming van Profoto op afstand werken vanuit Iran;
- —
Het zonder toestemming meenemen van geleende apparatuur van Profoto naar Iran en het niet terugsturen ervan;
- —
Het negeren van het verzoek van Profoto om terug te keren naar Nederland;
- —
Niet verschijnen op het geplande gesprek op 30 januari 2023;
- —
Weigeren te werken vanaf 30 januari 2023;
- —
Het niet overleggen van een medische verklaring betreffende de ziekmelding tijdens het verblijf in Iran en de onmogelijkheid om naar Nederland terug te keren;
- —
Het niet naleven van redelijke instructies gegeven door Profoto;
- —
Onvoldoende communicatie.
4.6
Verder heeft Profoto in hoger beroep aangevoerd dat de kantonrechter bij de beoordeling of sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen door [de werknemer] onder meer de volgende feiten en omstandigheden, die door Profoto in eerste aanleg naar voren zijn gebracht, niet heeft meegenomen in haar overwegingen:24.
- (a)
[de werknemer] overtrad de verzuimvoorschriften van Profoto door bij zijn ziekmelding op 11 december niet te melden dat hij niet thuis was, maar in Iran verbleef;25.
- (b)
[de werknemer] overtrad de verzuimvoorschriften van Profoto door na zijn ziekmelding op 11 december geen toestemming te vragen aan de bedrijfsarts om op vakantie te gaan;26.
- (i)
Profoto gaf [de werknemer] herhaaldelijk de instructie om niet op afstand te werken, te weten op 22 december, 3 januari, 5 januari, 11 januari (2 keer) en 12 januari;27.
- (j)
[de werknemer] had de mogelijkheid om zijn vlucht naar Amsterdam om te boeken en aanwezig te zijn op de bespreking van 30 januari.28.
Bestreden overwegingen
4.7
In rov. 5.13 overweegt het hof eerst wat de essentie van de motivering van de kantonrechter is (in rov. 5.21 van zijn beschikking). Die essentie is, zo overweegt het hof, het ‘door [de werknemer] niet op een fatsoenlijke manier met Profoto (…) communiceren’. Het hof merkt op dat de kantonrechter daarbij expliciet heeft verwezen naar vier elementen die [de werknemer] volgens de kantonrechter vóór zijn vertrek naar Iran aan Profoto had moeten melden, namelijk ‘dat hij (i) in de periode tussen zijn goedgekeurde vakanties op afstand vanuit Iran zou werken, (ii) de camera had meegenomen naar Iran, (iii) tijdrovende tandheelkundige behandelingen zou ondergaan in de periode dat hij vanuit Iran op afstand zou werken en (iv) mogelijk later dan 30 januari 2023 weer terug zou kunnen zijn op het kantoor van Profoto’.
4.8
Het hof overweegt dat het dit oordeel van de kantonrechter in rov. 5.21 van zijn beschikking niet deelt. Het hof overweegt vervolgens:
- I.
Het hof ‘betrekt daarbij’ dat [de werknemer] ook in alle, althans diverse eerdere jaren voor en na de jaarwisseling periodes van (vastgestelde) vakanties afwisselde met aansluitende periodes van werken op afstand, ofwel vanuit Mexico (waar zijn vriendin woont) ofwel vanuit zijn geboorteland Iran. Deze informatie was bekend bij de direct leidinggevende [betrokkene 1], die voordien ook directe collega van [de werknemer] was. Het hof gaat er daarom vanuit, zoals door [de werknemer] is gesteld, dat [betrokkene 1] wist of zich ten minste had kunnen realiseren dat [de werknemer] ook rond de jaarwisseling 2022/2023 op vergelijkbare wijze als in de jaren daaraan voorafgaand op afstand zou werken. Gelet op de eerdere op dit punt kennelijk probleemloos verlopen praktijk, had ook van [betrokkene 1] (handelend namens Profoto) verwacht mogen worden dat hij hierover een vraag had gesteld toen hij aanvankelijk toestemming gaf voor twee vakanties met een tussenliggende periode van slechts twee weken, dan wel nadien na wijziging van de data van de eerste vakantieperiode. Als [betrokkene 1] daar als nieuwe leidinggevende van [de werknemer], anders dan voorheen, een probleem mee had, dan had hij dat zelf tijdig aan de orde kunnen stellen. Gelet op deze voorgeschiedenis beoordeelt het hof dit, anders dan de kantonrechter, niet als zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [de werknemer] dat dit een ontslag op die grondslag mede zou kunnen dragen.
- II.
De tweede omstandigheid (meenemen camera) was vanuit het perspectief van [de werknemer], noodzakelijk om daarmee zijn werken op afstand mogelijk te maken (het betrof immers IT-werk in verband met die nieuwe camera). Door [de werknemer] is gesteld en onvoldoende weersproken dat hij om die reden de camera had meegenomen. Het verwijt van Profoto treft om die reden hetzelfde lot als het verwijt dat hij op afstand zou gaan werken (zonder dat mede te delen).
- III.
Het derde verwijt (het ondergaan van tijdrovende tandheelkundige behandelingen) is eveneens ten onrechte als verwijtbaar handelen ter onderbouwing van de ontbinding gekwalificeerd. Door [de werknemer] is gesteld en door Profoto onvoldoende weersproken dat hij die behandelingen om louter tandheelkundige/medische redenen moest ondergaan en dat hij er voor koos om deze, in beginsel na werktijd, in Iran te ondergaan omdat dit voor hem veel goedkoper zou zijn (want ‘zwart’ en in de avonduren). De locatie van die behandelingen lijkt dan, zeker gelet op het regelmatig werken op afstand, nauwelijks relevant. Dat een van die (meer dan tien) behandelingen op een middag zou hebben plaatsgevonden kan onvoldoende gewicht in de schaal leggen om van een voor ontslag relevant verwijtbaar handelen te kunnen spreken.
- IV.
Het vierde en laatste door de kantonrechter aangehaalde verwijt kan dat ook niet: tussen partijen staat vast dat [de werknemer] reeds op 14 december 2022 (dus 2 dagen na zijn vertrek naar Iran) dit aan Profoto heeft medegedeeld. Het oordeel van de kantonrechter dat hij dat voor zijn vertrek had moeten mededelen moge op zichzelf wel juist en relevant zijn, maar legt — mede gelet op het andersluidende oordeel van het hof over de overige aangehaalde feiten en omstandigheden — naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal om een ontbinding op grand van verwijtbaar handelen of nalaten te kunnen dragen.
4.9
Het bezwaar van [de werknemer] tegen de beslissing tot ontbinding op de e-grond is ‘dan ook’ terecht voorgedragen, aldus het hof.
4.10
Deze overwegingen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn niet naar behoren gemotiveerd.
Onderdeel 1
4.11
Het hof heeft (blijkens het voorgaande) bij de beoordeling of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden op de e-grond, slechts de (overwegingen van de kantonrechter over de) vier door de kantonrechter aangehaalde verwijten besproken en beoordeeld. Profoto heeft echter méér aan het ontslag op de e-grond ten grondslag gelegd dan alleen de vier door de kantonrechter aangehaalde verwijten. Zie onder meer de hierboven in § 4.5 en 4.6 genoemde stellingen. Het hof had al die stellingen moeten beoordelen en moeten nagaan of zij — al dan niet in samenhang bezien — een ontbinding op de e-grond rechtvaardigden. Het hof heeft dat niet, althans niet kenbaar, gedaan. Daarmee heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
4.12
Bij de beoordeling of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden (als bedoeld in art. 7:683 lid 3 BW) was het hof (immers) (vanwege de devolutieve werking van het appel) gehouden om ook de feiten en omstandigheden te betrekken die Profoto in het kader van de e-grond heeft gesteld, maar die de kantonrechter in dat kader niet heeft besproken. Gelet op de herkansingsfunctie van het hoger beroep diende het hof voorts acht te slaan op de (pas) in appel door partijen in dit kader aangevoerde feiten en omstandigheden, mits die zich hebben voorgedaan vóór de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter.29. Het hof heeft dit alles miskend. Het hof heeft niet (kenbaar) in zijn beoordeling betrokken alle verwijten die Profoto in eerste aanleg en hoger beroep aan [de werknemer] heeft gemaakt.
4.13
Zo is het hof bij de beoordeling of sprake was van de e-grond bijvoorbeeld niet (kenbaar) ingegaan op het verwijt van Profoto dat [de werknemer] (na daartoe te zijn verzocht) de camera niet heeft teruggestuurd of teruggebracht.30. Bij de beoordeling van het ontslag op staande voet overwoog het hof (nog) dat het niet terugsturen van de camera aan [de werknemer] kan worden verweten (nu de opdracht stellig en duidelijk was), maar dat dit verwijt geen dringende reden in de zin van de wet oplevert. Met andere woorden: het gedrag is volgens het hof verwijtbaar, maar niet voldoende voor een dringende reden. Het hof had dit verwijt (het niet terugsturen of -brengen) ook (kenbaar) moeten betrekken bij de beoordeling van de ontbinding op de e-grond. Dat heeft het hof — ten onrechte — niet gedaan.
4.14
Ook is het hof bij de beoordeling of sprake was van een e-grond niet (kenbaar) ingegaan op de stelling van Profoto dat [de werknemer] de verzuimvoorschriften overtrad door bij zijn ziekmelding niet te vermelden dat hij niet thuis was, maar in Iran verbleef en hij na zijn ziekmelding niet heeft gevraagd om toestemming van de bedrijfsarts om op vakantie te gaan. Profoto heeft ook dit nadrukkelijk als verwijtbaar handelen van [de werknemer] aangevoerd (zie hierboven in § 4.6 achter (a) en (b)). Het hof was ook gehouden om deze stelling(en) (kenbaar) te betrekken in de beoordeling of sprake was van een e-grond, maar heeft ook dat — ten onrechte — niet gedaan.
Profoto heeft in het kader van grond 1 van haar incidentele hoger beroep, kort gezegd, onder meer aandacht gevraagd voor de hierboven in § 4.6 achter (a) en (b) bedoelde stellingen (die Profoto reeds in eerste aanleg had ingenomen, maar de kantonrechter niet bij zijn oordeel had betrokken).31. Het hof heeft deze grond verworpen in rov. 5.6. Voor zover het oordeel in rov. 5.6 aldus moet worden begrepen dat het hierboven in § 4.6 achter (a) en (b) gestelde volgens het hof geen verwijtbaar handelen of nalaten als bedoeld in de e-grond oplevert en/althans niet relevant is bij de beoordeling of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden op de e-grond (de beoordeling die het hof in rov. 5.13 heeft verricht), is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers in het geheel niet gemotiveerd waarom deze gestelde feiten en omstandigheden geen verwijtbaar handelen of nalaten als bedoeld in de e-grond opleveren en/althans niet waarom deze feiten en omstandigheden niet relevant zijn bij de beoordeling of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden op de e-grond. Het voorgaande geldt ook ten aanzien van de hierboven in § 4.6 achter (i) en (j) bedoelde stellingen en de andere stellingen die zijn genoemd in § 3.7 van het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel.
4.15
Verder heeft het hof niet (kenbaar) beoordeeld het verwijt dat [de werknemer] niet is verschenen op de afspraak van 30 januari, zijn werkzaamheden niet heeft hervat vanaf die datum, althans niet op werk is verschenen, hoewel daartoe opgeroepen, en (aldus) zijn vakantie met twee dagen heeft verlengd.32. [de werknemer] had goedkeuring voor vakantie tot en met 27 januari 2023. Profoto heeft onderbouwd gesteld dat er zowel op 27 januari als 28 januari vluchten waren met beschikbare stoelen van Teheran naar Amsterdam.33.
Zie in dit kader ook de kantonrechter in rov. 5.9 van zijn beschikking:
‘Wat [de werknemer] echter wel valt te verwijten is dat hij zijn vakantie zonder toestemming van Profoto (tenminste met een aantal dagen) heeft verlengd en/of zonder toestemming van Profoto heeft besloten om kennelijk vanuit het vliegtuig op afstand te werken. Hiermee heeft [de werknemer] het gezag van Profoto ondermijnd.’
4.16
In reactie op de stelling van [de werknemer] (in hoger beroep) dat hij op 30 januari werkzaamheden heeft verricht, heeft Profoto betoogd dat hij dan opnieuw tegen de instructies van Profoto in heeft gehandeld. Profoto had [de werknemer] immers op 22 december, 3 januari, 5 januari, 11 januari (2 keer) en 12 januari duidelijk gemaakt dat hij niet mocht werken in Iran.34. Ook dát heeft Profoto aan het gestelde verwijtbare handelen en nalaten ten grondslag gelegd (zie ook hierboven in § 4.6, achter (i)).
4.17
Voor zover het hof de in dit onderdeel bedoelde stellingen van Profoto wel heeft betrokken in zijn beoordeling of sprake was een e-grond, en heeft gemeend dat deze (in samenhang bezien) niet een ontbinding op de e-grond rechtvaardigden, is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft bij de beoordeling of sprake was van een e-grond namelijk alleen de (overwegingen van de kantonrechter over de) vier door de kantonrechter aangehaalde verwijten (kenbaar) besproken. De andere verwijten en in dat kader door Profoto ingenomen stellingen niet.
Onderdeel 2
4.18
Profoto heeft over het op afstand werken, samengevat, het volgende aangevoerd:
- —
Een werknemer moet altijd eerst om toestemming vragen van zijn manager om op afstand te werken.35. In het verleden vroeg [de werknemer] ook toestemming, althans deed hij melding van zijn voornemen om op afstand te werken, en vond er overleg plaats.36. Profoto heeft in dit kader verwezen naar een e-mail van 29 juni 2020 van de voormalig leidinggevende van [de werknemer] en naar een verklaring van hem.37.
- —
De voormalig leidinggevende van [de werknemer] heeft in die e-mail van 29 juni 2020 (ook) bezwaren geuit over het op afstand werken (gelegen in het niet fysiek aanwezig zijn en het tijdsverschil).38.
- —
De voormalig leidinggevende van [de werknemer] heeft bij e-mail van 12 maart 2021 wederom zijn zorgen geuit over het feit dat [de werknemer] te weinig op de werkvloer aanwezig is, hetgeen ten koste ging van zijn werkzaamheden.39.
- —
In het verleden leidde het op afstand werken van [de werknemer] tot problemen en frustraties. [de werknemer] weigerde op verzoek van zijn voormalig leidinggevende uit het buitenland terug te keren en stelde onredelijke eisen.40. Profoto heeft in dit kader verwezen naar de verklaring van de voormalig leidinggevende van [de werknemer].41.
- —
Profoto (in de persoon van [betrokkene 1]) wist alleen dat [de werknemer] in december op vakantie zou gaan en daarna in januari weer. Zij wist niet dat [de werknemer] tussendoor in Iran zou verblijven, laat staan dat zij wist dat [de werknemer] vanuit daar zou werken én een camera had meegenomen. Sterker nog: [betrokkene 1] ging er vanuit dat [de werknemer] ziek thuis zat, nadat hij zich had ziek gemeld op 11 december.42.
- —
In zijn vakantieaanvraag had [de werknemer], anders dan dat hij normaal gesproken wél deed, niet aangegeven waar hij naartoe op vakantie zou gaan en ook niet dat hij voornemens was om (tussen zijn vakanties) op afstand te werken.43.
4.19
Het hierboven in § 4.8 achter I bedoelde oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is in het licht van de hierboven in § 4.18 bedoelde stellingen van Profoto niet naar behoren gemotiveerd.
4.20
Van een werknemer die voornemens is om (voor langere tijd) in het buitenland te werken mag worden verwacht dat hij zijn werkgever ten minste van dat voornemen op de hoogte stelt. Een werknemer die voornemens is om (voor langere tijd) naar het buitenland te gaan (mede) om vanuit daar te werken, hoort uit oogpunt van goed werknemerschap (art. 7:611 BW) met zijn leidinggevende daarover te overleggen voordat hij vertrekt.44. Werken in het buitenland is (immers), onder meer, van invloed (althans kan dat zijn) op het gezag en instructierecht van de werkgever, zijn mogelijkheid tot toezicht op de werknemer en de verplichtingen die de werkgever uit hoofde van art. 7:658 BW en de Arbowetgeving heeft. Dit alles pleit ervoor dat de werknemer aan zijn werkgever toestemming vraagt om (voor langere tijd) in het buitenland te werken,45. en/althans afstemming zoekt over zijn voornemen daartoe, en/althans minst genomen zijn werkgever daarvan op de hoogte stelt. Dit niet doen, is verwijtbaar, zodanig dat dit een ontslag op die grondslag (mede) kan dragen. Het hof heeft het voorgaande miskend. Indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zijn oordeel (zonder nadere motivering, die ontbreekt) onbegrijpelijk, nu [de werknemer] zijn werkgever niet op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen om in het buitenland te werken, maar het hof niettemin heeft geoordeeld dat op dit punt van een niet zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [de werknemer] sprake is dat dit een ontslag op die grond mede zou kunnen dragen.
Zie in dit kader ook de kantonrechter in rov. 5.5 van zijn beschikking:
‘(…) De kantonrechter oordeelt dat ook al zou Profoto deze vrijheid aan haar werknemers hebben gegeven, dan nog van werknemers verwacht mag worden dat zij Profoto er tenminste van op de hoogte stelt als vanuit het buitenland zal worden gewerkt. Vrijheid brengt ook verantwoordelijkheid met zich mee. (…) Een werknemer die voor langere tijd naar het buitenland gaat (mede) om vanuit daar te werken, hoort vanuit het oogpunt van goed werknemerschap met zijn leidinggevende te overleggen voordat hij vertrekt.’
4.21
Het voorgaande geldt ook indien de werkgever wist of zich had kunnen realiseren dat de werknemer in het buitenland zou gaan werken en/omdat de werknemer dat eerder ook heeft gedaan en de werkgever dit eerder ook heeft toegestaan. Ook dan dient de werknemer zijn werkgever (leidinggevende) minst genomen op de hoogte te stellen als hij opnieuw voornemens is om (voor langere tijd) naar het buitenland te gaan (mede) om vanuit daar te werken; deze omstandigheden doen aan de verantwoordelijkheid van de werknemer in deze niet af. Juist van een werknemer die voorheen altijd toestemming heeft gevraagd voor, en/of afstemming heeft gezocht over, en/of mededeling heeft gedaan van het (voornemen om) op afstand (te) werken, mag worden verwacht dat hij dat weer doet als hij opnieuw voornemens is om op afstand te werken; doet hij dat niet, dan zal zijn werkgever er (immers) vanuit (mogen) gaan dat hij niet op afstand, maar op locatie, werkt (zie ook hierna).
4.22
In het licht van de hierboven in § 4.18 bedoelde stellingen van Profoto is (zonder nadere motivering, die ontbreekt) onbegrijpelijk de overweging dat [betrokkene 1] wist dat [de werknemer] ook rond de jaarwisseling 2022/2023 op vergelijkbare wijze als in de jaren daaraan voorafgaand in het buitenland zou werken. Profoto (in de persoon van [betrokkene 1]) wist niet dat [de werknemer], kort gezegd, op afstand zou gaan werken, laat staan dat [de werknemer] dat in Iran zou doen. Zij wist alleen dat [de werknemer] in december op vakantie zou gaan en daarna in januari weer. In zijn vakantieaanvraag had [de werknemer], anders dan hij normaal gesproken wél deed, niet aangegeven waar hij naartoe op vakantie zou gaan. En eveneens anders dan voorheen, had [de werknemer] dit keer geen toestemming gevraagd voor het op afstand werken en/althans daarover geen afstemming gezocht; hij had dit keer niets laten weten over zijn voornemen om op afstand te werken in Iran. Zoals ook de kantonrechter heeft vastgesteld (in rov. 5.5), is Profoto pas op 14 december 2022 op de hoogte geraakt van het vertrek van [de werknemer] naar Iran en zijn plan om vanuit daar op afstand te gaan werken. Deze vaststelling is in appel overigens niet bestreden, waardoor het hof ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
4.23
In het licht van de hierboven in § 4.18 bedoelde stellingen is (zonder nadere motivering, die ontbreekt) ook onbegrijpelijk de overweging dat [betrokkene 1] zich wel had kunnen realiseren dat [de werknemer], kort gezegd, op afstand zou gaan werken in Iran. Omdat [de werknemer] in het verleden het altijd liet weten als hij voornemens was op afstand te werken (hij vroeg toestemming en/althans zocht afstemming daarover en/althans deed melding daarvan), en hij nu niks had laten weten en dit keer ook, anders dan voorheen, in zijn vakantieaanvraag niet had aangegeven waar hij naartoe op vakantie zou gaan, kon en mocht [betrokkene 1] er juist (veeleer) van uitgaan dat [de werknemer] niet op afstand zou gaan werken in Iran, maar tussen zijn vakanties door gewoon op locatie zou werken.46.
4.24
In het licht van de hierboven in § 4.18 achter het tweede tot en met het vierde gedachtestreepje bedoelde stellingen is (zonder nadere motivering, die ontbreekt) eveneens onbegrijpelijk de overweging dat van een ‘op dit punt kennelijk probleemloos verlopen praktijk’ sprake is. Het hof refereert hiermee kennelijk aan de eerdere jaren waarin [de werknemer] op vergelijkbare wijze rondom de jaarwisseling op afstand heeft gewerkt. De hierboven in § 4.18 achter het tweede tot en met het vierde gedachtestreepje bedoelde stellingen houden (echter) in dat het op afstand werken van [de werknemer] in het verleden tot problemen en frustraties heeft geleid, dat [de werknemer] is gewezen op de bezwaren van het op afstand werken en dat [de werknemer] te horen heeft gekregen dat hij te weinig op de werkvloer aanwezig is. Het hof is niet (kenbaar) op deze stellingen ingegaan, terwijl deze stellingen er juist op wijzen dat van een probleemloos verlopen praktijk géén sprake was.
In deze stellingen is verwezen naar e-mails en de verklaring van de voormalig leidinggevende van [de werknemer]. In de e-mail van 29 juni 2020 van de voormalig leidinggevende valt het volgende te lezen:
‘Hey [de werknemer],
thanks for your request.
So 6 week of ‘remote’ of which 2 workweeks are a real holiday.
This will take place 6w from now if I'm correct?
Naturally I wouldn't like to ‘block’ any of your plans, but I would like us to see how your ‘not being physically present’ would impact the parts of H/V swiftification and the interaction with the hardware.
Any suggestions on how we/you'd minimize the impact of remote work (both timezone and location) ? Any preparation, like collecting data, prioritizing hardware-related work now, detailed plan, or even bring some hardware? etc.
cheers,
[betrokkene 1]’47.
En in de verklaring van de verklaring van de voormalig leidinggevende het volgende:
‘(…) In deze jaren van samenwerking is het veel voorgekomen dat [de werknemer] voor een langere periode in het buitenland verbleef, vaak in de vorm van gecombineerde vakantie/familiebezoek en werken op afstand. In overleg probeerden we grote ‘blokken’ van software en onderzoekswerk te bepalen zodat [de werknemer] veelal zelfstandig kon werken. Ik heb altijd aangegeven dat ik het lastig vond om zo te werken, omdat ik problemen voorzag met afstemming van werkzaamheden. Toch wilde ik tegemoet komen aan de mogelijkheid om voor hem om zo bij familie en vrienden te kunnen zijn. De problemen met deze manier van werken:
- 1.
Te maken hadden met tijdsverschil waardoor hij niet bij alle meetings aanwezig kon zijn
- 2.
Vaak lastige (video-)verbindingen hadden
- 3.
Veel met hardware werken -- dat moet je voelen en ervaren en fysiek observeren.
In de eerste keren was dit mogelijk omdat hij zelfstandig werkte aan een ‘losstaand’ algoritme gedeelte van een stuk software. De laatste twee jaren echter was hij veelal onderdeel van het dagelijks teamwerk en was hij ook betrokken bij software die hardware aanstuurt. Ook hebben Uros en ik aangegeven dat we te veel beperkingen zien in het werken rondom hardware (icm remote werk). Tijdens een COVID lockdown periode verbleef hij lang in het buitenland en gingen wij schoorvoetend akkoord met het bijschrift dat hij aangaf ‘terug naar kantoor te komen als daar een goede reden voor was’. Toen terugkomst onbepaald bleef en ik en Uros vroegen om terug te komen om te werken aan testen van hardware (LED panels), vond hij echter dit niet een sterk genoege reden en moesten wij alernatieve oplossing verzinnen. Bij terugkomst hebben Uros en ik daarna aangegeven dat we hier erg gefrusteerd in werden en dus niet meer in die situatie wilde komen. In latere ‘carrieregesprekken’ hebben we dan ook aangegeven dat we geen/beperkte betrokkenheid met hardware in het vooruitzicht konden stellen vanwege de remote-work wensen. (…)’48.
4.25
Het op afstand werken, in Iran, zonder daarvoor toestemming te vragen, en/althans daarover afstemming te zoeken, en/althans daarvan melding te maken, kwalificeert als verwijtbaar handelen of nalaten van [de werknemer] dat een ontslag op die grondslag (mede) kan dragen, in elk geval in de hierboven (in § 4.18) bedoelde, door Profoto gestelde, context. Het andersluidende oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is in het licht van deze context niet naar behoren gemotiveerd.
Onderdeel 3
4.26
Profoto heeft over het (naar huis en vakantie) meenemen van de camera, samengevat, het volgende aangevoerd:
- —
Het komt helemaal niet voor (en is dus niet ‘normaal’) dat werknemers een (dure) camera voor een langere tijd meenemen naar het buitenland.49. [de werknemer] heeft dat zelf ook toegegeven.50.
- —
Als werknemers al apparatuur mee naar huis nemen, dan wordt dit eerst afgestemd — er moet toestemming worden gevraagd — en daarna geregistreerd; dit is een regel binnen Profoto.51.
- —
Daarbij ging het in dit geval ook nog om een (dure) camera die niet in eigendom was van Profoto, maar in bruikleen was gegeven door Canon.52. [betrokkene 1] wist (ook) niet of het was toegestaan om de camera naar het buitenland mee te nemen.53. Canon kon de camera op ieder moment opeisen.54. Profoto zou heel wat uit te leggen hebben als Canon er achter was gekomen dat een van haar medewerkers de camera zonder toestemming naar Iran had genomen.55. Dit had de relatie met Canon in gevaar kunnen brengen.56.
- —
Profoto had de camera op korte termijn dringend nodig.57. [de werknemer] wist dit.58.
4.27
Het hierboven in § 4.8 achter II bedoelde oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is in het licht van de hierboven in § 4.26 bedoelde stellingen van Profoto niet naar behoren gemotiveerd.
4.28
Deze stellingen komen erop neer dat het in dit geval niet ‘zomaar’ gaat om het meenemen van apparatuur naar huis. Het onderhavige geval kenmerkt zich door het meenemen van apparatuur van een klant (voor langere tijd) naar het (verre) buitenland. Het hof heeft deze (specifieke) — door Profoto gestelde — context niet (kenbaar) besproken en bij zijn oordeel betrokken. In elk geval van een werknemer die voornemens is om apparatuur van een klant (voor langere tijd) naar het (verre) buitenland mee te nemen, mag (uit oogpunt van goed werknemerschap) worden verwacht dat hij daarover tenminste overleg voert met zijn werkgever (leidinggevende). Dit niet doen, is verwijtbaar, zodanig dat dit een ontslag op die grondslag (mede) kan dragen. Het hof heeft het voorgaande miskend. Indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zijn oordeel (zonder nadere motivering, die ontbreekt) onbegrijpelijk, nu [de werknemer] niet met zijn werkgever (leidinggevende) heeft overlegd over zijn voornemen om de (dure) camera, die eigendom is van Canon, mee te nemen naar Iran, maar het hof niettemin heeft geoordeeld dat op dit punt van een niet zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [de werknemer] sprake is dat dit een ontslag op die grond mede zou kunnen dragen.
Zie in dit kader ook de kantonrechter in rov. 5.6 van zijn beschikking:59.
‘[de werknemer] heeft verder, zonder dit aan Profoto te melden, de camera meegenomen naar Iran. Alhoewel de kantonrechter het voldoende aannemelijk vindt dat [de werknemer] de camera met de juiste intenties mee had genomen, namelijk om daar (eventueel) nog werkzaamheden mee te verrichten, valt het hem wel te verwijten dat hij heeft nagelaten Profoto te informeren dat hij voornemens was de camera mee te nemen. Dat het binnen Profoto gebruikelijk is dat werknemers apparatuur buiten kantoor meenemen, zoals [de werknemer] stelt, doet daaraan niet af. Ten eerste omdat er, zoals Profoto terecht aanvoert, een wezenlijk verschil bestaat tussen het vanuit huis op afstand werken met apparatuur (van een klant) van de werkgever en het (voor langere tijd) meenemen van dergelijke apparatuur naar het (verre) buitenland. Ten tweede, omdat de geboden vrijheid ten aanzien van het werken op afstand met apparatuur van (een klant van) de werkgever de verantwoordelijkheid met zich brengt dat dit tenminste wordt overlegd.’
4.29
Het voorgaande geldt te meer, althans in elk geval, indien (i) het binnen de organisatie van de werkgever helemaal niet voorkomt (en dus niet ‘normaal’ is) om (dure) apparatuur (van een klant) (voor langere tijd) naar het buitenland te nemen, (ii) (de regel is dat) áls er al apparatuur mee naar huis wordt genomen, dit eerst wordt afgestemd — er toestemming moet worden gevraagd — en daarna registratie plaatsvindt en (iii) de werknemer weet dat de werkgever de apparatuur op korte termijn dringend nodig heeft of zou kunnen hebben. In die context — die hier aan de orde is — mag te meer, althans in elk geval, van de werknemer worden verwacht dat hij ten minste overleg voert met zijn werkgever (leidinggevende) over het voornemen om apparatuur (van een klant) naar het (verre) buitenland. Het hof heeft ook deze (specifieke) — door Profoto gestelde — context niet (kenbaar) besproken en bij zijn oordeel betrokken.
Zie wat betreft het hierboven achter (iii) bedoelde ook de verklaring van de voormalig leidinggevende van [de werknemer]:60.
‘In het geval van deze camera had ik meerdere malen met [de werknemer] (en in het team) gesproken over de uniekheid (en kosten) van de camera en ook de verschillende kabels die ik speciaal hiervoor had besteld. Ook benoemd dat dat het noodzakelijk is om altijd de cameras en toebehoren bijelkaar te houden en ‘terug’ te leggen. (…) De timeline van de protos is veelvuldig genoemd en met name het feit dat we maar een paar we ken zouden hebben om alles voor de transport naar de Europshop show klaar te maken We waren vooral hierom uiterst verbaasd dat we de camera mistte EN nog meer toen we hoorden wanneer deze op zijn vroegst weer zou terug komen.’
4.30
Voor zover het oordeel van het hof in rov. 5.10 (vanaf ‘Ten aanzien van de [de werknemer] gemaakte verwijten betreffende werken op afstand en het daartoe meenemen van bedrijfsmiddelen naar het buitenland (…)’) zo moet worden begrepen dat volgens het hof, kort gezegd, geen toestemming behoeft te worden gevraagd voor, en/althans afstemming worden gezocht over, en/althans melding te worden gemaakt van het (voornemen tot het) op afstand werken en het (daartoe) meenemen van bedrijfsmiddelen naar het buitenland, dan getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat niet naar behoren gemotiveerd op de hierboven in onderdeel 2 en 3 uiteengezette gronden.
5. Aanvullend voorwaardelijk incidentele cassatieberoep
5.1
Aangezien het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in voorgaande instantie nog niet beschikbaar is, behoudt Profoto zich het recht voor het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep aan te vullen.
6. Conclusie
- —
in het principaal cassatieberoep: tot verwerping van het beroep;
- —
in het incidenteel cassatieberoep, indien de voorwaarde waaronder dat beroep is ingesteld, vervuld is: tot vernietiging van de bestreden beschikking met zodanige beslissing als de Hoge Raad passend acht;
- —
met veroordeling van verzoeker in het principaal cassatieberoep, tevens verweerder in het incidenteel cassatieberoep, in de kosten van het geding in cassatie, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van de te dezen te wijzen beschikking.
Den Haag, 2 oktober 2024
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑10‑2024
Zie bijvoorbeeld ook § 18 van het middel.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW.
Zie Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 3, p. 54.
Zie Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 3, p. 112; Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 9, p. 59 en 109; Handelingen II 2018/19, 48 item 8, p. 49.
Zie Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 9, p. 3, 18, 60 en 109.
Zie Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 3, p. 54.
Zie Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 3, p. 126. Zie ook § 34 van het middel.
Uiteindelijk is dat c tot en met e, g en h geworden.
Zie in dit kader ook M. Faber, ‘Het mysterie van de cumulatiegrond: wanneer is het genoeg’, TAP 2020/247.
Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 7, p. 85–86.
Zie ook HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:220, rov. 3.5.2.
Zie Handelingen II 2013/14, 33 818, nr. 54, item 9, p. 20.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 5.10.
Onderstreping toegevoegd.
Onderstreping toegevoegd.
Het hof ontbindt in dat geval niet.
Zie Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 9, p. 72, door het middel aangehaald op p. 23–24. Zie ook Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 9, p. 58 en 64.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 5.4 en 5.5. Zie rov. 5.20 van de uitspraak van de kantonrechter: ‘Profoto legt aan het ontbindingsverzoek dezelfde feiten ten grondslag als die zij heeft aangevoerd in het kader van het verweer tegen het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet.’
Zie het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.11, onder verwijzing naar rov. 5.22 van de beschikking van de kantonrechter.
Zie het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 3.7.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.8. Zie voorts het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 3.12. Zie ook de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens Profoto, § 8.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.8. Zie voorts het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 3.12. Zie ook de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens Profoto, § 8.
Zie het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.27, onder verwijzing naar productie 4 van [de werknemer] en producties 34, 37, 45, 47 en 49 van Profoto.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.15.
Zie in dit kader HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:284, rov. 3.2.6 en 3.3.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 3.49 (achter c)); het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.11 en 3.33; de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens Profoto, § 10.
Zie het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 3.7.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.18 en 5.5. Zie voorts het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 3.33.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.15.
Zie het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.27, onder verwijzing naar productie 4 van [de werknemer] en producties 34, 37, 45, 47 en 49 van Profoto. Zie voorts § 3.33 van dat verweerschrift.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 3.6 (waar ook is verwezen naar het overzicht van [de werknemer] in productie 2 bij zijn inleidende verzoekschrift). Zie ook het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.26 en 3.13.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.9; het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.17, 2.18, 2.26, 3.7 en 3.13; de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens Profoto, § 8. Zie voorts het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, blad 2–3 (‘Profoto heeft zich altijd flexibel en redelijk opgesteld. Zij heeft [de werknemer] de ruimte gegeven om te reizen naar Mexico en Iran. Dit is altijd is overleg gegaan. Schoorvoetend is Profoto eerder akkoord gegaan met een verzoek van [de werknemer] om langere tijd naar het buitenland te gaan.’)
Zie productie 61 resp. 63 bij het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.9, onder verwijzing naar de e-mail van 29 juni 2020 (productie 61 bij dit verweerschrift).
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.9, onder verwijzing naar de e-mail van 12 maart 2021 (productie 62 bij dit verweerschrift).
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.9, waar wordt verwezen naar een verklaring van [betrokkene 3] (productie 63 dit verweerschrift). Zie ook het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 3.7.
Zie productie 61–63 bij het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW. De verklaring van de leidinggevende is productie 63.
Zie het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, blad 3. Zie voorts het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 3.13; het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.15–2.16.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7;671b BW, § 4.9; het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.17.
Zie in dit kader ook het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.17.
Die opvatting ligt ook aan bijvoorbeeld de Wet flexibel werken ten grondslag; zie over deze wet het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.9.
Zie in dit kader ook het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.17.
Zie productie 61 bij het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW Uit deze e-mail blijkt dus ook dat [de werknemer] eerder toestemming vroeg voor, althans afstemming zocht over, het op afstand werken.
Zie productie 63 bij het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.12.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.12.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 3.13 en 4.12. Zie ook het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.26 en 3.14.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.12. Zie ook § 3.6 en 3.8. Zie voorts het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.20.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 3.13.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 3.18.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 3.18.
Zie het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.20. Zie ook de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens Profoto, § 11.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.13. Zie ook de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens Profoto, § 11.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.13, onder verwijzing naar de verklaring van de voormalig leidinggevende van [de werknemer] (productie 63 bij dit verweerschrift).
Zie ook het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel, § 2.47.
Zie het verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, § 4.13, onder verwijzing naar productie 63 bij dit verweerschrift.
Beroepschrift 13‑09‑2024
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
(VERZOEKPROCEDURE)
1. Verzoekende partij
1.
Verzoeker tot cassatie is:
[de wernemer] (‘[de werknemer]’),
wonende te [woonplaats],
[adres],
[postcode] [woonplaats].
2.
[de werknemer] kiest in deze zaak woonplaats aan het Burgerweeshuispad 201, 1076 GR Amsterdam, op het kantoor van mr. S.F. Sagel (De Brauw Blackstone Westbroek N.V.). [de werknemer] stelt in deze zaak mr. S.F. Sagel tot advocaat bij de Hoge Raad.
2. Verwerende partij
3.
Verweerster in cassatie is:
De besloten vennootschap PROFOTO B.V. (‘Profoto’),
statutair gevestigd te Haarlem,
kantoor houdende aan de Siriusdreef 68,
2132 WT Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer.
4.
Profoto is in de vorige instantie vertegenwoordigd door de advocaat mr. C.C. Zillinger Molenaar (Zilver Advocaten), die kantoor houdt aan de Koninginneweg 215H, 1075 CS Amsterdam.
3. Bestreden uitspraak
5.
[de werknemer] komt in cassatieberoep van de beschikking die het gerechtshof Amsterdam (‘Hof’) op 30 april 2024 heeft gegeven onder zaaknummer 200.332.200/01 tussen [de werknemer] als appellant, tevens incidenteel geïntimeerde en Profoto als geïntimeerde, tevens incidenteel appellante.
4. Bevoegde rechter
6.
Dit cassatieberoep zal worden behandeld door de Hoge Raad der Nederlanden, Korte Voorhout 8, 2511 EK Den Haag.
5. Middel van cassatie
7.
[de werknemer] voert tegen de hiervoor vermelde beschikking het volgende middel van cassatie aan:
schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het Hof recht heeft gedaan op de wijze als in het dictum van die beschikking is omschreven en op de gronden die in het lichaam van die beschikking zijn vermeld, dit om de volgende, zo nodig in onderlinge samenhang te beoordelen redenen.
Inleiding
8.
De onderhavige procedure betreft een ontslagzaak. [de werknemer] — een Iraanse werknemer met een Frans paspoort — is door Profoto op staande voet ontslagen in verband met een bezoek dat hij in december 2022 en januari 2023 heeft gebracht aan Iran om daar deels ‘remote’ te werken, en deels vakantie op te nemen. In de ontslagbrief heeft Profoto een lijst van elf daarmee samenhangende verwijten geformuleerd, die varieerden van het onrechtmatig afwezig zijn van het werk door zonder toestemming in Iran te verblijven en daar te werken, via het voor dat werk meenemen van een dure camera en het ondanks diverse verzoeken niet tussentijds retourneren of zelf naar Nederland terugbrengen daarvan, tot het niet tijdig terugkeren naar Nederland. [de werknemer] heeft zich op het standpunt gesteld — kort gezegd — dat het hem gegeven ontslag niet getuigt van goed werkgeverschap, omdat er willens en wetens is gezocht naar de spreekwoordelijke spijkers op laag water en hem allerlei onterechte verwijten zijn gemaakt, om een beëindiging af te dwingen.
9.
[de werknemer] is bij kantonrechter in de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (de ‘kantonrechter’) met succes opgekomen tegen het hem gegeven ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft de opzegging vernietigd. Zij heeft de arbeidsovereenkomst echter wel, op grond van het op art. 7:671b BW gebaseerde tegenverzoek van Profoto ontbonden. Dat heeft de kantonrechter gedaan wegens verwijtbaar gedrag zijdens [de werknemer] in de zin van art. 7:669 lid 3 sub e BW (‘e-grond’), de primaire grond die Profoto aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd.
10.
Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld bij het Hof. Naar aanleiding van het door Profoto ingestelde incidentele hoger beroep, heeft ook het Hof beslist dat het ontslag op staande voet dat aan [de werknemer] is gegeven, ongeldig was en dat de kantonrechter dat ontslag, bij gebreke aan enige dringende reden in de zin van art. 7:678 BW, terecht heeft vernietigd. Op basis van het door [de werknemer] ingestelde principale hoger beroep, heeft het Hof beslist dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft ontbonden op de e-grond. Ook voor ontbinding op de subsidiair aangevoerde g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) in de zin van art. 7:669 lid 3 sub g BW (‘g-grond’) zag het Hof geen aanleiding, nu ook die grond ten tijde van de ontbinding door de kantonrechter niet vervuld was; ontbinding op die grond zou prematuur geweest zijn, nu Profoto eerst een poging zou hebben moeten doen om de zaak op een rustige manier uit te praten. Voor toewijzing van het door [de werknemer] op de voet van art. 7:683 lid 3 BW verzochte herstel van het dienstverband, althans toekenning van een billijke vergoeding op de voet van die bepaling, zag het Hof evenwel geen ruimte. Het Hof besliste namelijk dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst wel had kunnen ontbinden op de zogeheten ‘cumulatiegrond’ als vervat in art. 7:669 lid 3 sub i BW (‘i-grond’ of ‘cumulatiegrond’). Dat betekent volgens het Hof dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet ‘ten onrechte’ ontbonden had, zoals art. 7:683 lid 3 BW als vereiste stelt voor herstel van het dienstverband of toekenning van een billijke vergoeding.
11.
[de werknemer] — voor wie het ontslag zeer verstrekkende nadelige gevolgen heeft en heeft gehad, zowel financieel, als geestelijk — voert tegen de beschikking van het Hof een aantal cassatieklachten aan. Het cassatiemiddel valt uiteen in drie onderdelen. Onderdeel 1, dat bestaat uit een viertal subklachten (a — d), bestrijdt, vanuit verschillende invalshoeken, de beslissing van het Hof in rov. 5.15 en de eerste volzin van rov. 5.16 dat zich, ten tijde van de ontbinding door de kantonrechter, althans de mondelinge behandeling in eerste aanleg, de cumulatiegrond van art. 7:669 lid 3 sub i BW voordeed en dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst dus terecht heeft ontbonden (zij het niet op de juiste grond). Onderdeel 2 ziet op de beslissing van het Hof in rov. 5.15 inzake de ‘aanvullende vergoeding’ in de zin van art. 7:671b lid 8 BW die de rechter bij toepassing van de i-grond kan toekennen ter hoogte van (maximaal) 50% van de transitievergoeding. Onderdeel 3 bevat een aantal voortbouwklachten.
12.
Nu de beslissing van het Hof in rov. 5.15 in dit cassatieberoep centraal staat, komt het dienstig voor die overweging hier integraal te citeren. Het Hof heeft daarin als volgt overwogen en beslist:
‘5.15.
Tot slot dient het hof te beoordelen of de kantonrechter de ontbinding wel op de i-grond (de combinatie van e en g) had kunnen toewijzen. Het hof komt op dat punt tot de conclusie dat dit meer subsidiaire tegenverzoek van Profoto wel toewijsbaar was. Het hof dient dat verzoek te beoordelen naar de stand van zaken ten tijde van die beslissing, althans de datum van de mondelinge behandeling bij de kantonrechter. Allereerst had de kantonrechter kunnen vaststellen dat er sprake was van enig verwijtbaar handelen (al was dat op zichzelf onvoldoende voor de gevraagde ontbinding) en ook dat er sprake was van een — door miscommunicatie en daarop gebaseerd ontslag — wel in meer dan geringe mate verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter had daarin ook (al dan niet ambtshalve) mogen betrekken het feit dat [de werknemer] hoewel toen niet arbeidsongeschikt, niet had verzocht of gevorderd om bij voorlopige maatregel, uitvoerbaar bij voorraad, toegelaten te worden tot het verrichten van de bedongen arbeid. Door die toelating slechts in de bodemprocedure te vorderen, waarvan — na een juiste toepassing van het bewijsrecht — de verwachte duur zodanig lang kon zijn dat terugkeer op basis van de eindbeschikking reeds vanwege die lange duur illusoir zou kunnen worden bevonden (nog afgezien van het risico van dan een toegewezen voorwaardelijk ontbindingsverzoek, waarna terugkeer niet meer aan de orde zou zijn), heeft [de werknemer] onvoldoende weersproken dat de verhouding tussen partijen stevig verstoord was. Een door de kantonrechter op basis van dit dossier op de i-grond (als voldragen grond, bestaande uit een combinatie van de elementen van e en g) uitgesproken ontbinding had het hof daarom gegrond bevonden. De i-grond is immers voor situaties als deze in de wet opgenomen. Met die vaststelling is niet voldaan aan het wettelijk vereiste dat luidt dat herstel dan wel toekenning van een vervangende billijke vergoeding pas aan de orde komt als het hof tot het oordeel komt dat het verzoek tot ontbinding ten onrechte is toegewezen. Had de kantonrechter het (meer subsidiaire) tegenverzoek van Profoto op basis van de i-grond toegewezen, dan had de kantonrechter moeten beslissen of aan [de werknemer], naast zijn recht op de volledige transitievergoeding, nog een aanvullende vergoeding als bedoeld in artikel 7:671b, lid 8 BW toegekend had moeten worden. Noch afgezien van de verwachting dat het oordeel van de kantonrechter op dit punt niet toewijzend zou zijn geweest, is het — ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg door of namens [de werknemer] gedane subsidiaire verzoek om toekenning van een (aanvullende) transitievergoeding bij ontbinding op de i-grond — in hoger beroep niet meer aan de orde. Het is in hoger beroep niet door [de werknemer] verzocht, ook niet in voorwaardelijke zin.’
(onderstreping toegevoegd, SFS)
Onderdeel 1
Subonderdeel a — (verzwaarde) stelplicht van de werkgever ten aanzien van de i-grond
13.
Voor toewijzing van een ontbindingsverzoek ex art. 7:671b BW op de cumulatiegrond van art. 7:669 lid 3 sub i BW dient de werkgever te voldoen aan een (verzwaarde) stelplicht die behelst dat de werkgever precies dient aan te geven en te onderbouwen welke omstandigheden / elementen uit twee of meer van de ontslaggronden als bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub c tot en met e, g en h BW ertoe hebben geleid dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis, waarin op dit punt het navolgende is opgemerkt:
‘Door toevoeging van de cumulatiegrond wordt niet gebroken met het huidige gesloten stelsel van ontslaggronden. Voor een succesvol beroep op de cumulatiegrond dient de werkgever immers precies aan te geven en te onderbouwen welke omstandigheden uit twee of meer van de gronden c tot en met h tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst ertoe hebben geleid dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.’
Kamerstukken II, 2018–2019, 2 074, nr. 9. p. 64 (onderstreping toegevoegd, SFS).
‘Het ontslagrecht kent een preventieve toetsing. De werkgever dient het ontbindingsverzoek te motiveren en onderbouwen. Daartoe is het noodzakelijk dat de werkgever beschikt over een deugdelijk dossier, waarin de aan het verzoek ten grondslag liggende feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Bovendien dient de werkgever te onderbouwen waarom deze feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontslag opleveren.’
Kamerstukken II, 2018–2019, 35 074, nr. 9, p. 60 (onderstrepingen toegevoegd, SFS).
14.
Voert de werkgever de i-grond slechts subsidiair of — zoals in het onderhavige geval — meer subsidiair aan, dan zal een enkele (niet verder geconcretiseerde) verwijzing naar de omstandigheden die ter onderbouwing van de primair en subsidiair aangevoerde gronden (hier: de e-grond en de g-grond van art. 7:669 lid 3 BW) onvoldoende zijn om aan die gespecificeerde (verzwaarde) stelplicht te voldoen. De werkgever moet immers gespecificeerd en precies toelichten welke binnen het domein van de ontslaggronden van art. 7:669 lid 3 sub c tot en met e, g en h BW vallende feiten en omstandigheden, in gezamenlijkheid beschouwd, meebrengen dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren en waarom. Voldoet de werkgever daaraan niet, dan zal het verzoek, voor zover gebaseerd op de i-grond, als onvoldoende gemotiveerd gesteld, moeten worden afgewezen.
Zie in die zin: Rb. Oost-Brabant 5 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1499; Rb. Midden-Nederland 27 maart 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1221; Rb. Rotterdam 30 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2915; Rb. Den Haag 8 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5404; Rb. Den Haag 28 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:467; Rb. Gelderland 18 mei 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2614; Hof Arnhem-Leeuwarden 21 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9956; Hof Amsterdam 11 oktober 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2876 en Hof Arnhem-Leeuwarden 7 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6694.1.
15.
Het Hof heeft de onder 13 bedoelde (verzwaarde) stelplicht van de werkgever bij een beroep op de i-grond klaarblijkelijk miskend, nu hij in rov. 5.15 heeft beslist dat van die grond sprake was, hoewel de processtukken van de kant van Profoto zich niet anders laten lezen dan aldus dat daarin door haar in het geheel niet concreet is aangegeven en onderbouwd welke omstandigheden Profoto, in combinatie, aan haar beroep op de combinatiegrond ten grondslag legde, laat staan met de ‘precisie’ die in dat kader, blijkens de wetsgeschiedenis, vereist is. In haar verweerschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:781b BW onder 5.8 heeft Profoto een beroep op de i-grond gedaan. Daar is dat beroep slechts onderbouwd met een algemene verwijzing naar al hetgeen Profoto heeft aangevoerd in het kader van haar beroep op de door haar primair (e-grond) en subsidiair (g-grond) aangevoerde ontslaggronden:
‘5.8
(…) Uit de combinatie van feiten en omstandigheden, zoals uitvoerig verwoord in dit uitgebreide processtuk, afkomstig van twee of meerdere van de hiervoor genoemde ontslaggronden (e- en g-grond) volgt dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in alle redelijkheid niet van Profoto kan worden gevergd. De onderbouwing van de hiervoor genoemde ontslaggronden bevat (meer dan) voldoende aanknopingspunten voor cumulatie van twee of meer gronden en uitsluitend voor het geval deze gronden op zichzelf ‘onvoldragen’ zijn.’
16.
In hoger beroep heeft Profoto de volgens haar bestaande i-grond opnieuw niet concreet onderbouwd, maar volstaan met niet meer dan de volgende opmerking, als vervat in het verweerschrift in het principaal appel tevens beroepschrift in het incidenteel appel onder 2.57:
‘[de werknemer] voert aan dat de i-grond niet toegekend kan worden, aangezien de andere twee ontslaggronden nog ver van voldragen zijn. Profoto spreekt dit nadrukkelijk tegen en verwijst naar wat zij hieromtrent in eerste aanleg heeft aangevoerd.’
17.
Ook in deze passage valt geen (begin van een) concretisering zijdens Profoto te lezen van de combinatie van feiten en omstandigheden, vallend binnen het domein van andere ontslaggronden als verwoord in art. 7:669 lid 3 sub c tot en met e, g en h BW, die volgens haar in dit geval een voldragen cumulatiegrond zouden opleveren.
18.
Door, ondanks het feit dat Profoto haar beroep op de cumulatiegrond niet anders of beter heeft onderbouwd dan met de stellingen als hiervoor onder 15 geciteerd, te beslissen dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst had kunnen ontbinden op de cumulatiegrond, heeft het Hof dus miskend dat voor ontbinding op die grond slechts ruimte bestaat wanneer de werkgever precies heeft gesteld en onderbouwd welke omstandigheden uit twee of meer van de gronden als vervat in art. 7:669 lid 3 sub c tot en met e, g en h BW tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst ertoe hebben geleid dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren en waarom die combinatie van omstandigheden tot dat rechtsgevolg moet leiden en is het Hof dus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof op dit punt niet zou zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, is zijn in dat geval impliciete oordeel dat Profoto in rechte voldoende precies heeft gesteld waaruit de i-grond die ontbinding van het dienstverband van [de werknemer] rechtvaardigde in dit geval bestond, onbegrijpelijk in het licht van de (enkele) blote en algemene stellingen van Profoto als hiervoor onder 15 geciteerd, nu daarin — zonder enige nadere toelichting, die in de uitspraak van het Hof ontbreekt — de rechtens vereiste concretisering in het geheel niet te lezen valt.
Subonderdeel b — art. 24 Rv
19.
In rov. 5.15 heeft het Hof overwogen dat de kantonrechter in zijn oordeel dat de i-grond vervuld was, al dan niet ambtshalve mede had mogen betrekken ‘het feit dat [de werknemer] hoewel toen niet arbeidsongeschikt, niet had verzocht of gevorderd om bij voorlopige maatregel, uitvoerbaar bij voorraad, toegelaten te worden tot het verrichten van de bedongen arbeid.’ Blijkens deze — hiervoor onder 12 onderstreept weergegeven — passage in rov. 5.15 heeft het Hof zijn beslissing (dat de kantonrechter had kunnen oordelen) dat zich ten tijde van de ontbindingsbeschikking, althans de mondelinge behandeling in eerste aanleg, een cumulatiegrond voordeed, mede (en zelfs: in belangrijke mate) gebaseerd op de feitelijke vaststelling dat [de werknemer], na het hem gegeven ontslag op staande voet, hoewel toen niet arbeidsongeschikt, geen kort geding tot wedertewerkstelling, of andere voorlopige maatregel gericht op hervatting van zijn werk, heeft geëntameerd. Het Hof merkt die omstandigheid klaarblijkelijk aan als een belangrijke indicatie dat de cumulatiegrond vervuld was (nu daarin een aanwijzing wordt gelezen dat er een aanzienlijke mate van verstoring van de arbeidsrelatie aanwezig was). Het Hof meent dat de kantonrechter ‘al dan niet ambtshalve’ met dit feit rekening kon houden bij zijn oordeel dat de i-grond vervuld was.
20.
Aldus heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en wel omdat hij daarmee heeft miskend dat hij bij de beoordeling of de in art. 7:669 lid 3 sub i BW bedoelde ontslaggrond zich ten tijde van de ontbindingsbeschikking, althans de mondelinge behandeling bij de kantonrechter, voordeed, gebonden was aan de feiten die de werkgever in de procedure ter onderbouwing van het ontbindingsverzoek naar voren heeft gebracht (en hetgeen daar door de werknemer ten verwere tegenover is gesteld). Het staat de rechter dus niet vrij om het bestaan van de i-grond ambtshalve te baseren op feiten en omstandigheden die de werkgever niet heeft aangevoerd, maar die de rechter zelf — en dus ambtshalve — heeft bijgebracht. Dat de rechter die vrijheid tot het ambtshalve aanvullen van de feitelijke grondslag voor het bestaan van een cumulatiegrond niet heeft, volgt uit het bepaalde in art. 24 Rv, maar is daarnaast ook nog eens verankerd in de wetsgeschiedenis van art. 7:669 lid 3 sub i BW zelf. Verwezen zij naar de volgende passage, waaruit blijkt dat de rechterlijke toets op aanwezigheid van een cumulatiegrond wordt gebaseerd op ‘door de werkgever aangevoerde omstandigheden’;
‘Het ontslagrecht kent een preventieve toetsing. De werkgever dient het ontbindingsverzoek te motiveren en onderbouwen. Daartoe is het noodzakelijk dat de werkgever beschikt over een deugdelijk dossier, waarin de aan het verzoek ten grondslag liggende feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Bovendien dient de werkgever te onderbouwen waarom deze feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontslag opleveren. Het is ter beoordeling aan de rechter of de door de werkgever aangevoerde omstandigheden uit twee of meer gronden in combinatie een redelijk grond vormen. De rechter toetst het verzoek van werkgever in combinatie met het verweer van de werknemer.’
Kamerstukken II, 2018–2019, 35 074, nr. 9, p. 60 (onderstreping toegevoegd, SFS).
21.
Het Hof is dan ook — in het licht van het voorgaande — uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door klaarblijkelijk in rov. 5.15 te oordelen dat de kantonrechter de vrijheid heeft om de aanwezigheid van een cumulatiegrond, buiten de feitelijke stellingen van de werkgever om, (mede) te baseren op door haarzelf bijgebrachte feiten en omstandigheden, althans heeft het Hof zelf — in strijd met het bepaalde in art. 24 Rv — de feitelijke grondslag van het ontbindingsverzoek, voor zover gebaseerd op de cumulatiegrond, aangevuld. Dat alles getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
22.
Indien en voor zover de beslissing van het Hof overigens zo gelezen moet worden dat het Hof niet alleen heeft beslist (i) dat het de kantonrechter ambtshalve vrijstond om mede op grond van het feit dat [de werknemer], na het hem gegeven ontslag op staande voet, hoewel toen niet arbeidsongeschikt, niet had verzocht of gevorderd om bij voorlopige maatregel, uitvoerbaar bij voorraad, toegelaten te worden tot het verrichten van de bedongen arbeid, te beslissen dat de cumulatiegrond was vervuld, maar ook (ii) dat het de kantonrechter ook vrijstond om het vervuld zijn van de cumulatiegrond (mede) op dat feit te baseren omdat Profoto zich daarop ter onderbouwing van haar beroep op die ontslaggrond had beroepen, getuigt die met (ii) aangeduide beslissing van een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van Profoto. Profoto heeft immers aan haar beroep op de cumulatiegrond, haar hiervoor onder 15 aangehaalde stellingen inzake de cumulatiegrond in aanmerking genomen, die stelling — of enige daarop gelijkende stelling — niet ingenomen. Dat feitelijke argument dat van een cumulatiegrond sprake is nu [de werknemer] niet in kort geding wedertewerkstelling heeft gevorderd — dat een belangrijke, zelfs essentiële, schakel vormt in de overwegingen van het Hof in rov. 5.15 die hem hebben gebracht tot het oordeel (dat de kantonrechter had kunnen oordelen) dat de cumulatiegrond vervuld was -, komt enkel en alleen uit de spreekwoordelijke koker van het Hof zelf.
Subonderdeel c — herplaatsingsplicht
23.
Ingevolge art. 7:671b lid 2 BW kan de kantonrechter een op de voet van art. 7:671b lid 1 BW gedaan ontbindingsverzoek slechts toewijzen, indien aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 7:669 BW, is voldaan. Dat betekent dat ontbinding slechts mogelijk is wanneer de rechter heeft vastgesteld dat ook voldaan is aan de door art. 7:669 lid 1 BW gestelde eis dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Uit de wetsgeschiedenis van art. 7:669 lid 3 sub i BW volgt dat ook voor toewijzing van een ontbindingsverzoek op basis van de cumulatiegrond slechts ruimte bestaat indien en zodra de kantonrechter heeft vastgesteld dat aan de herplaatsingsplicht van art. 7:669 lid 1 BW is voldaan. Dat is bij herhaling van regeringszijde bevestigd, zie o.a.:
‘Ook deze grond is een zogenoemde redelijke grond en ontbinding van de arbeidsovereenkomst op deze grond is pas mogelijk als de rechter na toetsing van deze grond tot het oordeel is gekomen dat van een redelijke grond sprake is en herplaatsing niet mogelijk is.’
Kamerstukken II, 2018–2019, 35 074, nr. 9, p. 61 (onderstreping toegevoegd, SFS).
‘Ontslag blijft alleen mogelijk wanneer sprake is van een in de wet genoemde redelijke grond en wanneer herplaatsing van de werknemer binnen redelijke termijn bovendien niet aan de orde kan zijn. Dit wordt preventief getoetst, waarmee de ontslagbescherming gewaarborgd blijft. Daarin wordt geen verandering gebracht.’
Kamerstukken II, 2018–2019, 35 074, nr. 9, p. 65 (onderstreping toegevoegd, SFS).
‘Bij verzoek om beëindiging op grond van de cumulatiegrond worden omstandigheden uit twee of meer ontslaggronden in samenhang beoordeeld. Echter ook dan geldt dat deze beëindiging na beoordeling van de rechter alleen dán kan plaatsvinden als in die omstandigheden in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren en herplaatsing van de werknemer niet meer tot de mogelijkheden behoort.’
Kamerstukken II, 2018–2019, 35 074, nr. 9, p. 72/73 (onderstreping toegevoegd, SFS).
24.
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen Profoto en [de werknemer] ontbonden op de e-grond (verwijtbaar handelen of nalaten), hetgeen betekent dat zij niet gehouden was te onderzoeken of de herplaatsingsplicht vervuld was. In art. 7:669 lid 1 BW is immers verankerd dat herplaatsing in ieder geval niet in de rede ligt indien sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub e BW. Het Hof heeft evenwel klaarblijkelijk miskend en is dus in zoverre uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dat nu hij had geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst ten onrechte op de e-grond was ontbonden, hij — alvorens te kunnen beslissen dat de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter wel op de cumulatiegrond ontbonden kon worden (en dus ‘terecht is ontbonden’) — had moeten onderzoeken of en vaststellen dat ten tijde van de ontbindingsbeschikking, althans de datum van de mondelinge behandeling in prima, ook voldaan was aan de herplaatsingsplicht van art. 7:669 lid 1 BW. Een ontbinding door de kantonrechter kon immers, voor zover de kantonrechter deze gebaseerd zou hebben op de cumulatiegrond, zoals de kantonrechter volgens het Hof had behoren te doen, slechts ‘terecht’ zijn uitgesproken wanneer de kantonrechter tevens had onderzocht of — en had vastgesteld dat — aan de herplaatsingsplicht was voldaan. Dat betekent, dat nu het Hof in hoger beroep de ontbinding door de kantonrechter alsnog heeft gebaseerd op die cumulatiegrond en heeft beslist dat de ontbinding op die grond (alsnog) rechtsgeldig / ‘‘terecht’ was, hij alleen tot dat oordeel kon komen, wanneer hij tevens had vastgesteld dat aan de herplaatsingsplicht was voldaan. Het Hof heeft evenwel verzuimd dat laatste vast te stellen, want in zijn beschikking is met geen woord over (het vervuld zijn van) de herplaatsingsplicht gerept. Indien het Hof niet is ingegaan op de herplaatsingsplicht omdat het Hof heeft miskend dat hij, indien hij de ontbinding door de kantonrechter in stand wilde laten, zij het op de cumulatiegrond in plaats van op de door de kantonrechter gehanteerde e-grond, hij zulks alleen kon doen wanneer hij ook zou hebben vastgesteld dat ten tijde van de beslissing in eerste aanleg, althans de mondelinge behandeling in eerste aanleg, voldaan was aan de herplaatsingsplicht van art. 7:669 lid 1 BW, getuigt zijn beslissing dat de arbeidsovereenkomst ‘terecht is ontbonden’ van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof zulks niet heeft miskend, heeft het Hof zijn beslissing dat de ontbinding door de kantonrechter ‘terecht’ is ontbonden, omdat die ontbinding op de cumulatiegrond kon worden uitgesproken, onvoldoende gemotiveerd, aangezien het Hof geen enkel inzicht heeft gebonden in zijn gedachtegang dat en waarom ten tijde van de beslissing van de kantonrechter, althans de datum van de mondelinge behandeling, aan de herplaatsingsplicht voldaan was.
‘Terzijde zij opgemerkt dat de — ten overvloede — gegeven overweging van het Hof in rov. 5.16 dat voor herstel van het dienstverband op de voet van art. 7:683 lid 3 BW geen ruimte zou bestaan, omdat ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep duidelijk geworden is dat een eventuele terugkeer van [de werknemer] bij Profoto geen vruchtbare werkverhoudingen zal opleveren, niet de hiervoor bedoelde beoordeling behelst of aan de herplaatsingsplicht was voldaan. Laatstgenoemde beoordeling van de herplaatsingsplicht, die het Hof heeft verzuimd uit te voeren, is immers een ex tunc beoordeling: het Hof had moeten beoordelen of destijds, dat wil zeggen: ten tijde van de beslissing van de kantonrechter, althans de mondelinge behandeling in eerste aanleg, niet alleen een andere ontslaggrond bestond dan de ten onrechte door de kantonrechter gehanteerde e-grond, maar ook of toen aan de herplaatsingsplicht was voldaan. De beslissing als vervat in rov. 5.16, dat voor herstel op de voet van art. 7:683 lid 3 BW geen plaats is, is daarentegen een ex nunc beoordeling (en overigens ook inhoudelijk een andere beoordeling dan de beoordeling of aan de herplaatsingsplicht van art. 7:669 lid 1 BW is voldaan).
In de tweede plaats zij nog opgemerkt dat het standpunt — waarop de klacht van dit subonderdeel is gebaseerd — dat in zaken waarin de kantonrechter de arbeidsovereenkomst volgens het hof ten onrechte heeft ontbonden op de e-grond, door het hof slechts kan worden beslist dat de ontbinding toch ‘terecht’ is uitgesproken wanneer niet alleen (i) komt vast te staan dat zich ten tijde van de ontbindingsbeschikking een andere wettelijke ontslaggrond voordeed, maar ook (ii) dat toen voldaan was aan de herplaatsingsverplichting, brede steun vindt in de appelrechtspraak van de andere drie hoven. Verwezen zij naar Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9587, (rov.'en 3.37 tot en met 3.39); Gerechtshof 's‑Hertogenbosch 2 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE: 2022:1752 (rov.'en 3.4.8 en 3.4.9); Gerechtshof Den Haag 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3074 (rov.'en 3.13 tot en met 3.19).’
Subonderdeel d — onvoldoende begrijpelijke motivering cumulatiegrond
Primair: rechtsklacht
25.
De beslissing van het Hof in rov. 5.15 dat zich ten tijde van de ontbindingsbeschikking door de kantonrechter, althans de mondelinge behandeling in eerste aanleg, een cumulatiegrond in de zin van art. 7:669 lid 3 sub i BW voordeed, moet aldus worden verstaan dat die cumulatiegrond bestaat uit het gedeeltelijk vervuld zijn van de ontslaggrond verwijtbaar gedrag (art. 7:669 lid 3 sub e BW) in combinatie met het deels vervuld zijn van de ontslaggrond verstoorde arbeidsrelatie (art. 7:669 lid 3 sub g BW). Voor wat betreft de van deze combinatie onderdeel uitmakende component ‘verwijtbaar gedrag’ als bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub e BW, heeft het Hof zijn beslissing dat daarvan sprake is onderbouwd met (niet meer dan) de vaststelling dat de kantonrechter had kunnen vaststellen ‘dat er sprake was van enig verwijtbaar handelen (al was dat op zichzelf onvoldoende voor de gevraagde ontbinding).’In rov. 5.15 heeft het Hof evenwel in het geheel niet toegelicht waaruit het verwijtbare gedrag dat — klaarblijkelijk — deel uitmaakt van de cumulatiegrond, volgens het Hof bestaat. Aldus heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de motiveringsplicht van de rechter ten aanzien van de aanwezigheid van een cumulatiegrond. Het Hof heeft namelijk klaarblijkelijk miskend dat de rechter, bij een beroep op de cumulatiegrond — in het verlengde van de stelplicht van de werkgever, die bij zo een beroep op de cumulatiegrond ‘precies’ zal moeten stellen en onderbouwen welke feiten en omstandigheden vallend in het domein van de ontslaggronden van art. 7:669 lid 3 sub c tot en met e, g en h samen de cumulatiegrond vormen — in zijn beschikking deugdelijk zal moeten motiveren niet alleen (i) uit welke gedeeltelijk vervulde wettelijke ontslaggronden de cumulatiegrond is samengesteld, maar ook (ii) uit welke feiten en omstandigheden die gedeeltelijk voldragen gronden dan bestaan en waarom die combinatie meebrengt dat het dienstverband in redelijkheid niet langer kan worden voortgezet. Een dergelijke motivering is niet alleen vereist gelet op de zwaarwegende belangen die in het algemeen voor een werknemer betrokken zijn bij de beëindiging van zijn dienstverband, nu zo een beëindiging raakt aan de mogelijkheden om door werk in het levensonderhoud te voorzien. Eens te meer is zo een deugdelijke motivering vereist, nu de cumulatiegrond — blijkens de wetsgeschiedenis2. — niet beoogt te breken met het fundamentele uitgangspunt van het (door de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015 geïntroduceerde) ontslagrecht dat voor beëindiging van het dienstverband pas ruimte bestaat als sprake is van een voldragen wettelijke ontslaggrond als verwoord in art. 7:669 lid 3 BW, terwijl de rechterlijke toets van het vervuld zijn van de cumulatiegrond geen lichtere beoogt te zijn, dan de toetsing aan de overige ontslaggronden. Het is de bedoeling van de wetgever dat het ontslagrecht met de cumulatiegrond een ruimer bereik krijgt (doordat delen van andere ontslaggronden kunnen worden opgeteld), niet dat daardoor de mate van ontslagbescherming verwatert.3.
Subsidiair; motiveringsklachten
Motiveringsklacht a
26.
Indien het Hof niet op de hiervoor onder 25 weergegeven gronden van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door in rov. 5.15 niet te motiveren waaruit het verwijtbare gedrag — dat onderdeel uitmaakt van de door het Hof aangenomen cumulatiegrond — bestaat en zijn uitspraak aldus begrepen moet worden dat partijen uit rov. 5.13, waarin het Hof is ingegaan op de vraag of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden op de e-grond, moeten distilleren waarin het verwijtbare gedrag dat deel uitmaakt van de cumulatiegrond, is gelegen, is zijn beslissing in rov. 5.15 dat sprake was van ‘enig verwijtbaar gedrag’, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Uit rov. 5.13 valt namelijk niet, althans in elk geval niet op voldoende begrijpelijke wijze, af te leiden waaruit dat verwijtbare gedrag zijdens [de werknemer] dat onderdeel uitmaakt van de i-grond dan zou bestaan.
27.
In rov. 5.13 heeft het Hof namelijk overwogen en beslist als volgt:
‘5.13
In het principaal hoger beroep dient het hof te beoordelen of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen terecht op de e-grond (‘verwijtbaar handelen of nalaten’) heeft ontbonden. De motivering hiervan door de kantonrechter is vermeld in rechtsoverweging 5.21 van de bestreden beschikking. De essentie daarvan is dat [de werknemer] volgens de kantonrechter het ‘door [de werknemer] niet op een fatsoenlijke manier met Profoto (…) communiceren’, waarbij de kantonrechter expliciet verwijst naar vier elementen die [de werknemer] volgens de kantonrechter vóór zijn vertrek naar Iran aan Profoto had moeten melden, namelijk ‘dat hij (i) in de periode tussen zijn goedgekeurde vakanties op afstand vanuit Iran zou werken, (ii) de camera had meegenomen naar Iran, (iii) tijdrovende tandheelkundige behandelingen zou ondergaan in dé periode dat hij vanuit Iran op afstand zou werken en (iv) mogelijk later dan 30 januari 2023 weer terug zou kunnen zijn op het kantoor van Profoto. ’. Onder 5.22 voegt de kantonrechter daar, bij haar beoordeling van de door Profoto gestelde ernstige verwijtbaarheid, nog aan toe: ‘Het handelen van [de werknemer] kan weliswaar als hoogst onfatsoenlijk en onredelijk worden bestempeld, maar is naar het oordeel van de kantonrechter niet zodanig ernstig verwijtbaar dat…’.
Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 5.21 niet. Het hof betrekt daarbij dat [de werknemer] ook in alle, althans diverse eerdere jaren voor en na de jaarwisseling periodes van (vastgestelde) vakanties afwisselde met aansluitende periodes van werken op afstand, ofwel vanuit Mexico (waar zijn vriendin woont) ofwel vanuit zijn geboorteland Iran. Deze informatie was bekend bij de direct leidinggevende [betrokkene 1], die voordien ook directe collega van [de werknemer] was. Het hof gaat er daarom vanuit, zoals door [de werknemer] is gesteld, dat [betrokkene 1] wist of zich ten minste had kunnen realiseren dat [de werknemer] ook rond de jaarwisseling 2022/2023 op vergelijkbare wijze als in de jaren daaraan voorafgaand op afstand zou werken. Gelet op de eerdere op dit punt kennelijk probleemloos verlopen praktijk, had ook van [betrokkene 1] (handelend namens Profoto) verwacht mogen worden dat hij hierover een vraag had gesteld toen hij aanvankelijk toestemming gaf voor twee vakanties met een tussenliggende periode van slechts twee weken, dan wel nadien na wijziging van de data van de eerste vakantieperiode. Als [betrokkene 1] daar als nieuwe leidinggevende van [de werknemer], anders dan voorheen, een probleem mee had, dan had hij dat zelf tijdig aan de orde kunnen stellen. Gelet op deze voorgeschiedenis beoordeelt het hof dit, anders dan de kantonrechter, niet als zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [de werknemer] dat dit een ontslag op die grondslag mede zou kunnen dragen. De tweede omstandigheid (meenemen camera) was, vanuit het perspectief van [de werknemer], noodzakelijk om daarmee zijn werken op afstand mogelijk te maken (het betrof immers IT-werk in verband met die nieuwe camera). Door [de werknemer] is gesteld en onvoldoende weersproken dat hij om die reden de camera had meegenomen. Het verwijt van Profoto treft om die reden hetzelfde lot als het verwijt dat hij op afstand zou gaan werken (zonder dat mede te delen). Het derde verwijt (het ondergaan van tijdrovende tandheelkundige behandelingen) is eveneens ten onrechte als verwijtbaar handelen ter onderbouwing van de ontbinding gekwalificeerd. Door [de werknemer] is gesteld en door Profoto onvoldoende weersproken dat hij die behandelingen om louter tandheelkundige/medische redenen moest ondergaan en dat hij er voor koos om deze, in beginsel na werktijd, in Iran te ondergaan omdat dit voor hem veel goedkoper zou zijn (want ‘zwart’ en in de avonduren). De locatie van die behandelingen lijkt dan, zeker gelet op het regelmatig werken op afstand, nauwelijks relevant. Dat één van die (meer dan tien) behandelingen op een middag zou hebben plaatsgevonden kan onvoldoende gewicht in de schaal leggen om van een voor ontslag relevant verwijtbaar handelen te kunnen spreken. Het vierde en laatste door de kantonrechter aangehaalde verwijt kan dat ook niet: tussen partijen staat vast dat [de werknemer] reeds op 14 december 2022 (dus 2 dagen na zijn vertrek naar Iran) dit aan Profoto heeft medegedeeld. Het oordeel van de kantonrechter dat hij dat vóór zijn vertrek had moeten mededelen moge op zichzelf wel juist en relevant zijn, maar legt — mede gelet op het andersluidende oordeel van het hof over de overige aangehaalde feiten en omstandigheden — naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal om een ontbinding op grond van verwijtbaar handelen of nalaten te kunnen dragen. Het bezwaar van [de werknemer] tegen de beslissing tot ontbinding op de e-grond is dan ook terecht voorgedragen.’
(cursiveringen in het origineel, gekleurde arceringen toegevoegd, SFS)
28.
Deze rechtsoverweging laat zich slechts aldus verstaan dat het Hof, bij de beoordeling of sprake is van verwijtbaar gedrag in de zin van de e-grond (en of die grond vervuld is), de verwijten (i) tot en met (iv) is langsgelopen die de kantonrechter aan haar beslissing dat de e-grond vervuld is, ten grondslag heeft gelegd. Het Hof heeft die verwijten (i) tot en met (iv) in de eerste alinea van rov. 5.13 geciteerd (uit de beschikking van de kantonrechter).
- (i)
Ten aanzien van het in rov. 5.13 met (i) aangeduide verwijt dat [de werknemer] onvoldoende (zorgvuldig) heeft gecommuniceerd (i) dat hij in de periode tussen zijn goedgekeurde vakanties op afstand vanuit Iran zou werken heeft het Hof in de hiervoor onder 27 geel gearceerde zevende volzin van de tweede alinea van rov. 5.13 beslist dat ‘(…) het hof dit, anders dan de kantonrechter, niet als zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [de werknemer] [beoordeelt] dat dit een ontslag op die grondslag mede zou kunnen dragen.’
Deze overweging laat zich niet anders verstaan dan aldus dat het Hof heeft beslist dat verwijt (i) geen verwijtbaar gedrag in de zin van art. 7:669 lid 3 sub e BW oplevert. Dat ligt immers besloten in de vaststelling dat verwijt (i) een ontslag op die grondslag niet eens mede kan dragen. Als bepaald gedrag niet kan bijdragen aan een ontslag op de e-grond, dan is dat gedrag geen verwijtbaar gedrag in de zin van art. 7:669 lid 3 sub e BW.
- (ii)
Ten aanzien van het in rov. 5.13 met (ii) aangeduide verwijt dat [de werknemer] onvoldoende (zorgvuldig) heeft gecommuniceerd dat hij (ii) de camera had meegenomen naar Iran, heeft het Hof in de onder 27 groen gearceerde tiende volzin van rov. 5.13 overwogen dat dat verwijt ‘hetzelfde lot’ treft als het met (i) aangeduide verwijt, waarover het Hof in de zevende volzin van rov. 5.13 had beslist dat het een ontslag op de e-grond ‘niet mede kan dragen’. Dat laat zich niet anders verstaan dan aldus dat het Hof heeft beslist dat ook het met (ii) aangeduide verwijt geen verwijtbaar gedrag in de zin van art. 7:669 lid 3 sub e BW oplevert.
- (iii)
Ten aanzien van het in rov. 5.13 met (iii) aangeduide verwijt dat [de werknemer] onvoldoende (zorgvuldig) heeft gecommuniceerd dat hij (iii) tijdrovende tandheelkundige behandelingen zou ondergaan in de periode dat hij vanuit Iran op afstand zou werken, heeft het Hof in de onder 27 blauw gearceerde elfde volzin van rov. 5.13 overwogen dat dat verwijt ‘eveneens ten onrechte als verwijtbaar handelen ter onderbouwing van de ontbinding gekwalificeerd’ is, hetgeen zich eveneens niet anders laat verstaan dan aldus dat het Hof heeft gemeend dat ook het derde verwijt dat [de werknemer] gemaakt werd, helemaal niet kwalificeert als verwijtbaar handelen in de zin van art. 7:669 lid 3 sub e BW. Een uitleg die overigens ook bevestiging vindt in de onder 27 eveneens blauw gearceerde, veertiende volzin van de tweede alinea van rov. 5.13 waar het Hof, eveneens over het met (iii) aangeduide verwijt, heeft overwogen dat het feit dat één van de (meer dan tien) tandheelkundige behandelingen op een middag zou hebben plaatsgevonden eveneens ‘onvoldoende gewicht in de schaal [kan, toevoeging SFS] leggen om van een voor ontslag relevant verwijtbaar handelen te kunnen spreken.’
- (iv)
Ten aanzien van het in rov. 5.13 met (iv) aangeduide verwijt dat [de werknemer] onvoldoende (zorgvuldig) heeft gecommuniceerd dat hij (iv) mogelijk later dan 30 januari 2023 weer terug zou kunnen zijn op het kantoor van Profoto, heeft het Hof in de onder 27 grijs gearceerde vijftiende volzin van rov. 5.13 overwogen dat voor dat verwijt hetzelfde geldt als voor het met (iii) aangeduide verwijt. Ten aanzien van het derde verwijt had het Hof vastgesteld dat dat verwijt onvoldoende gewicht in de schaal kan leggen om van een voor ontslag relevant verwijtbaar handelen te kunnen spreken. ‘Het vierde en laatste door de kantonrechter aangehaalde verwijt kan dat ook niet’, aldus het Hof in de daarop volgende vijftiende volzin van rov. 5.13, hetgeen zich — in combinatie met de waardering die het Hof in de daaraan voorafgaande volzin heeft gegeven aan het derde verwijt -niet anders laat verstaan dan dat het Hof ook ten aanzien van dat laatste verwijt heeft beslist dat dat verwijt niet kwalificeert als verwijtbaar handelen in de zin van art. 7:669 lid 3 sub e BW.4.
29.
Het voorgaande betekent dat hetgeen het Hof in rov. 5.13 heeft overwogen erop neerkomt dat het Hof heeft beslist dat geen van de vier verwijten die volgens de kantonrechter samen een e-grond opleverden, zelfs maar kan bijdragen aan het bestaan van zo'n grond en/of een ontslagrechtelijk relevant verwijt oplevert. Dat zo zijnde, is de beslissing van het Hof in rov. 5.15 dat de cumulatiegrond mede steunt op verwijtbaar gedrag (hetgeen dus betekent: verwijtbaar gedrag in de zin van de e-grond), onbegrijpelijk gemotiveerd, ook wanneer de beschikking van het Hof zo moet worden gelezen dat de onderbouwing van die beslissing in rov. 5.15 is gelegen in hetgeen in rov. 5.13 wordt overwogen omtrent het vervuld zijn van de e-grond. Uit die rechtsoverweging valt namelijk niet — althans in elk geval niet zonder enige nadere toelichting, die ontbreekt — af te leiden dat de e-grond op enige, voor ontslag relevante wijze, vervuld is. In rov. 5.15 ontbreekt die onderbouwing waarom sprake is van enige mate van verwijtbaar gedrag in de zin van de e-grond, die mede bijdraagt aan het bestaan van de cumulatiegrond, eveneens. Dat alles zo zijnde, is de beslissing van het Hof in rov. 5.15 dat de kantonrechter had kunnen vaststellen dat van ‘enig verwijtbaar handelen’ (die de cumulatiegrond mede ondersteunt) sprake was, onbegrijpelijk, althans volstrekt onvoldoende, gemotiveerd. Om welk gedrag het daarbij gaat, blijft duister.
Motiveringsklacht b
30.
Indien overigens de overweging van het Hof in de voorlaatste volzin van rov. 5.13 zo moet worden begrepen dat het Hof daar heeft beslist dat het vierde verwijt (iv) dat de kantonrechter aan haar beslissing dat sprake was van een e-grond in de zin van art. 7:669 lid 3 sub e BW ten grondslag heeft gelegd, wel een voor ontslag relevant verwijtbaar handelen opleverde, is die beslissing onbegrijpelijk, want evident innerlijk tegenstrijdig met de beslissing van het Hof in de onder 27 grijs weergegeven beslissing in de vijftiende volzin van de tweede alinea van rov. 5.13, welke zin niet anders kan worden uitgelegd dan dat ook voor verwijt (iv) geldt dat het van onvoldoende gewicht is om van een voor ontslag relevant verwijtbaar handelen te kunnen spreken. Dat vitieert ook de beslissing van het Hof in rov. 5.15 dat de kantonrechter had kunnen vaststellen dat er sprake was van enig verwijtbaar handelen, indien en voor zover die beslissing voortbouwt op hetgeen het Hof in rov. 5.13 heeft beslist en overwogen.
Onderdeel 2 — cumulatie-vergoeding in de zin van art. 7:671b lid 8 BW
31.
In de laatste drie volzinnen van rov. 5.15 heeft het Hof overwogen en beslist als volgt met betrekking tot de vraag of aan [de werknemer] de in art. 7:671b lid 8 BW bedoelde vergoeding toekomt, die de rechter kan toekennen wanneer de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de i-grond. Het Hof heeft beslist dat voor toekenning van die vergoeding geen ruimte bestaat en die beslissing als volgt gemotiveerd:
‘5.15
(…) Had de kantonrechter het (meer subsidiaire) tegenverzoek van Profoto op basis van de i-grond toegewezen, dan had de kantonrechter moeten beslissen of aan [de werknemer], naast zijn recht op de volledige transitievergoeding, nog een aanvullende vergoeding als bedoeld in artikel 7:671b, lid 8 BW toegekend had moeten worden. Noch afgezien van de verwachting dat het oordeel van de kantonrechter op dit punt niet toewijzend zou zijn geweest, is het — ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg door of namens [de werknemer] gedane subsidiaire verzoek om toekenning van een (aanvullende) transitievergoeding bij ontbinding op de i-grond — in hoger beroep niet meer aan de orde. Het is in hoger beroep niet door [de werknemer] verzocht, ook niet in voorwaardelijke zin.’
32.
Deze beslissing is onjuist om een aantal redenen.
33.
Uit de wetsgeschiedenis van art. 7:671b lid 8 BW volgt dat toekenning van de in dat wetsartikel bedoelde cumulatie-vergoeding een discretionaire bevoegdheid van de rechter betreft, die hij ook ambtshalve kan aanwenden. Voor toewijzing is dus niet vereist dat de werknemer uitdrukkelijk om toekenning van die vergoeding heeft verzocht. De rechter heeft de bevoegdheid om die vergoeding toe te kennen, zodra hij ontbindt op de cumulatiegrond. In de wetsgeschiedenis is dit als volgt verwoord:
‘Wanneer de rechter de arbeidsovereenkomst ontbindt op de cumulatiegrond dan heeft hij de mogelijkheid om een extra vergoeding toe te kennen aan de werknemer. De rechter zal motiveren waarom hij al dan niet tot toekenning van deze extra vergoeding overgaat.
De mogelijkheid voor de rechter om aan de werknemer een extra vergoeding toe te kennen is wenselijk omdat de werknemer zodoende gecompenseerd kan worden voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, terwijl de ontslaggronden c tot en met h ieder voor zich onvoldoende waren om een ontslag te rechtvaardigen.’
Kamerstukken II, 2018–2019, 35 074, nr. 3, p. 56/57.
‘De leden van de VVD-fractie vragen voorts of de regering mogelijkheden ziet om in de memorie van toelichting te verduidelijken dat het verhogen van de transitievergoeding wanneer er gebruik wordt gemaakt van de cumulatieve ontslaggrond een discretionaire bevoegdheid van de rechter is, die niet automatisch wordt toegepast maar alleen als de specifieke omstandigheden van het geval hiertoe aanleiding geven.
In de memorie van toelichting (hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.4) is reeds toegelicht dat de rechter een extra vergoeding kan toekennen. De rechter heeft dus de bevoegdheid om deze extra vergoeding al dan niet toe te kennen. De hoogte van die extra vergoeding wordt door de rechter bepaald op grond van de omstandigheden van het geval.’
Kamerstukken II, 2018–2019, 35 074, nr. 9, p. 57.
‘Als de ontbinding gebaseerd wordt op de i-grond, bepaalt en motiveert de rechter op grond van de omstandigheden van het geval of en welke extra vergoeding wordt toegekend. Waarbij ten behoeve van de rechtszekerheid de extra vergoeding is gemaximeerd.’
Kamerstukken II, 2018–2019, 35 074, nr. 9, p. 70.
‘Wanneer de rechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, zal dat niet tegen een geringere vergoeding plaatsvinden, maar heeft de rechter juist de mogelijkheid een extra vergoeding toe te kennen.’
Kamerstukken II, 2018–2019, 35 074, nr. 9, p. 72.
‘Het brengt tevens met zich dat door de rechter aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de cumulatiegrond andere (geldelijke) gevolgen kunnen worden verbonden. Er is voor gekozen om in dat verband aan de rechter de bevoegdheid te geven om een extra vergoeding toe te kennen. De rechter is hier echter niet toe verplicht. Ontbinding op de cumulatiegrond leidt dus niet automatisch tot toekenning van een extra vergoeding. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan de hoogte van de extra vergoeding variëren.’
Kamerstukken I, 2018–2019, 35 074, D, p. 56.
‘Met de Wab is de cumulatiegrond geïntroduceerd voor die gevallen waarin ontslag op een enkelvoudige grond niet mogelijk is, maar waar de cumulatie van onderdelen van diverse gronden leiden tot een gerechtvaardigd ontslag. In deze gevallen kan de rechter een extra vergoeding toekennen, bovenop de transitievergoeding.’
Kamerstukken I, 2018–2019, 35 074, F, p. 38.
34.
In geen van de bovenstaande passages wordt vermeld dat de in art. 7:671b lid 8 BW bedoelde extra vergoeding, slechts kan worden toegekend door de rechter wanneer de werknemer daarom heeft verzocht. Bij herhaling is daarentegen benadrukt dat de rechter ‘de bevoegdheid heeft’, tot toekenning van die vergoeding wanneer hij ontbindt op de cumulatiegrond, zij het dat de hoogte ervan wel gemotiveerd moet worden. Dat de rechter die bevoegdheid ambtshalve kan gebruiken, ligt eens te meer in de rede, nu uit de wetsgeschiedenis van de cumulatiegrond valt af te leiden dat de rechter die grond ook ambtshalve kan toepassen. Dat laatste impliceert dat dan dus ook de aan die grond verbonden additionele vergoeding ambtshalve toegekend moet kunnen worden (zie Kamerstukken II, 2018–2019, 36 074, nr. 3, p. 125/126).
‘De regeling van de extra vergoeding bij toepassing van de cumulatiegrond is gelet op het voorgaande vergelijkbaar met die van de ontbindingsvergoeding ex art. 7:685 lid 8 BW (oud) zoals die regeling gold tot de inwerkingtreding van het herziene ontslagrecht, per 1 juli 2015 op grond van de Wet werk en zekerheid. Ook daarbij ging het om een bevoegdheid die ambtshalve toegepast kon worden, ook als de werknemer daarom niet had verzocht.5. Overigens ligt de parallel tussen de extra vergoeding van art. 7:671b lid 8 BW en de ontbindingsvergoeding ‘oude stijl’ ex art. 7:685 lid 8 BW (oud) ook in die zin voor de hand, dat de ontbinding ex art. 7:685 BW (oud) kon worden gebaseerd — en in de praktijk ook vaak werd gebaseerd — op een samenstel (of ‘cumulatie’) van allerlei verschillende feiten en omstandigheden, samen aangeduid als ‘veranderingen in de omstandigheden’.
Rechtsklacht 1
35.
Gelet op het voorgaande is allereerst onjuist de beslissing van het Hof in rov. 5.15 dat voor toewijzing van de extra vergoeding op grond van art. 7:671b lid 8 BW aan [de werknemer] geen ruimte bestaat, nu het in eerste aanleg gedane verzoek tot toekenning van zo'n vergoeding in hoger beroep ‘niet meer aan de orde is’ omdat [de werknemer] in hoger beroep niet om toekenning van die vergoeding heeft verzocht, ook niet in voorwaardelijke zin. Daarmee heeft het Hof immers miskend dat, zelfs wanneer [de werknemer] in hoger beroep niet opnieuw expliciet om toekenning van die additionele vergoeding heeft gevraagd, die vergoeding wel ambtshalve door het Hof toegekend kon worden (wanneer, zoals in dit geval, in hoger beroep wordt geoordeeld dat de ontbinding die is uitgesproken in eerste aanleg niet op de e-grond, maar op de i-grond gebaseerd had moeten worden).6.
Rechtsklacht 2
36.
Eveneens onjuist is de beslissing van het Hof dat er geen ruimte is voor toekenning van de in art. 7:671b lid 8 BW bedoelde vergoeding, voor zover die beslissing berust op de overweging dat naar de ‘verwachting’ van het Hof ‘het oordeel van de kantonrechter op dit punt niet toewijzend zou zijn geweest.’ Met die beslissing heeft het Hof miskend dat voor de beantwoording van de vraag of, in geval als het onderhavige, waarin de kantonrechter de arbeidsovereenkomst volgens het Hof ten onrechte heeft ontbonden op de e-grond en het Hof beslist dat de kantonrechter die ontbinding had moeten baseren op de i-grond, niet beslissend is wat de kantonrechter — die een onjuiste beslissing op het punt van de te hanteren ontslaggrond heeft genomen — naar verwachting zou hebben beslist omtrent de vergoeding (als hij de juiste ontslaggrond zou hebben gehanteerd), maar of het Hof oordeelt dat wanneer de ontbinding in eerste aanleg gebaseerd zou zijn op de cumulatiegrond, volgens hem (dus: volgens het Hof zelf) daarbij destijds een additionele vergoeding in de zin van art. 7:671b lid 8 BW toegekend had moeten worden.
Rechtsklacht 3
37.
Tot slot heeft het Hof, met zijn beslissing inzake de vergoeding ex art. 7:671b lid 8 BW, als vervat in de laatste drie volzinnen van rov. 5.15 de devolutieve werking van het appel miskend. Nu [de werknemer] met succes is opgekomen tegen de beslissing van de kantonrechter dat zich de in art. 7:669 lid 3 sub e BW genoemde grond voor ontbinding op de voet van art. 7:671b BW voordeed, kwam het Hof — gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep — toe aan de overige gronden voor ontbinding die Profoto in eerste aanleg subsidiair en meer subsidiair had aangevoerd, te weten de gronden vervat in art. 7:669 lid 3 sub g, respectievelijk sub i BW. Maar dat betekende tegelijkertijd ook dat het Hof, op grond van diezelfde devolutieve werking, dan ook rekening had te houden met de stellingen die zijdens [de werknemer] in prima tegen die subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen van het ontbindingsverzoek van Profoto waren ingebracht,7. waaronder — voor wat betreft het meer subsidiaire verzoek zijdens Profoto — zijn stelling dat hem, bij ontbinding op de cumulatiegrond, de in art. 7:671b lid 8 BW bedoelde vergoeding toekwam,8. welke stelling [de werknemer] in hoger beroep niet heeft prijsgegeven. In dit licht bezien is de beslissing van het Hof dat het verzoek van [de werknemer] tot toekenning van de vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 BW in hoger beroep niet langer aan de orde was, dan ook onjuist. Dat verzoek was, door de devolutieve werking van het hoger beroep — welke werking het Hof klaarblijkelijk heeft miskend — in appel wel degelijk nog actueel.
Onderdeel 3 — voortbouwklacht
38.
De beslissingen van het Hof (i) in rov. 5.16 dat niet is voldaan aan het criterium van art. 7:683 lid 3 BW dat de arbeidsovereenkomst ten onrechte ontbonden moet zijn (wil sprake kunnen zijn van herstel van het dienstverband of toekenning van een billijke vergoeding op de voet van die bepaling), (ii) in rov. 5.18 dat de voorwaarde waaronder het verzoek van [de werknemer] onder III is ingesteld, niet is vervuld, alsmede (iii) zowel de beslissing van het Hof in rov. 5.23 inzake de proceskostenveroordeling in eerste aanleg met betrekking tot het tegenverzoek zijdens Profoto, als zijn beslissing in rov. 5.23 inzake de proceskostenveroordeling in het principaal hoger beroep, bouwen voort op de klachten van de onderdelen 1 en 2. Gegrondbevinding van één of meer van die klachten, vitieert dus ook de hiervoor in dit onderdeel 3 met (i), (ii) en (iii) aangeduide beslissingen van het Hof.
6. Aanvulling procesinleiding
39.
Aangezien het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in voorgaande instantie nog niet beschikbaar is, behoudt [de werknemer] zich het recht voor deze procesinleiding te mogen aanvullen.
7. Conclusie
13.
Op grond van dit middel verzoekt [de werknemer] de Hoge Raad de beschikking waartegen het cassatieberoep is gericht te vernietigen, en verder te beslissen zoals hij passend acht.
14.
[de werknemer] verzoekt verder dat Profoto wordt veroordeeld in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 13‑09‑2024
Zie ook Y. Smit, De cumulatiegrond: een analyse, ArbeidsRecht 2024/30, die opmerkt: ‘Voor een succesvol beroep op de cumulatiegrond dient de werkgever precies aan te geven en te onderbouwen welke omstandigheden uit twee of meer van de gronden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst ertoe hebben geleid dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, aldus de wetgever. Een enkele verwijzing naar de omstandigheden bij de vorige gronden zal daarom onvoldoende zijn. Toch lijkt deze concrete onderbouwing met regelmaat te ontbreken — met afwijzing van het ontbindingsverzoek op de i-grond als gevolg. De cumulatiegrond is een opzichzelfstaande grond, evenals alle andere redelijke gronden die zijn opgesomd in artikel 7:669 lid 3 BW. Dat brengt met zich dat een werkgever specifiek zal moeten onderbouwen dat: (i) sprake is van een cumulatie van omstandigheden uit meerdere gronden; en (ii) voortzetting van de arbeidsovereenkomst ‘in redelijkheid’ niet meer van de werkgever kan worden gevergd. (…)Daarbij is wél noodzakelijk dat wordt toegelicht waarom deze onderdelen in onderlinge samenhang bezien maken dat voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet langer van de werkgever kan worden gevergd’ (onderstrepingen toegevoegd, SFS).
Kamerstukken II, 2018–2019, 35 074, nr. 3, p. 54: ‘Dit wetsvoorstel regelt voor de hiervoor geschetste situaties dat deze cumulatie van omstandigheden een redelijke grond vormt voor ontslag en voegt daartoe een nieuwe grond toe aan de redelijke gronden voor ontslag: de i-grond (van artikel 7:669, derde lid, BW). Deze grond houdt in dat er sprake moet zijn van een combinatie van omstandigheden uit twee of meer ontslaggronden (c tot en met h) die zodanig is dat in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het stelsel van gesloten ontslaggronden, dat is ingevoerd teneinde juridisering van ontslag tegen te gaan en werkgever en werknemer zoveel mogelijk rechtszekerheid vooraf te bieden, blijft daarmee intact’ (onderstreping toegevoegd, SFS).
Zie Kamerstukken II, 2018–2019, 35 074, nr. 9, p. 61: ‘Met introductie van de cumulatiegrond krijgt het huidige ontslagstelstel een ruimer bereik, maar de ontslagbescherming als zodanig verandert niet’ (onderstreping toegevoegd, SFS).
Die beslissingen van het Hof zijn ook alleszins begrijpelijk omdat de betreffende verwijten veeleer neerkomen op het zoeken naar de spreekwoordelijke spijkers op laag water door een werkgever die probeert een ontslaggrond te creëren, dan op de serieuze verwijten die voor een ontbinding op de e-grond vereist zijn. Vgl. HR 28 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:781, rov. 3.3: ‘Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een ontslag op de e-grond berust op verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer dat zodanig ernstig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Indien het handelen of nalaten van een werknemer aanleiding is voor ontslag, moet het de werknemer van tevoren duidelijk zijn geweest wat wel of niet door de werkgever als toelaatbaar wordt gezien (behoudens evidente zaken als diefstal en dergelijke), waarbij de eisen die de werkgever aan de werknemer mag stellen gangbaar en niet buitensporig zijn.’
Zie o.a. conclusie A-G Van Soest voor HR 15 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1100, NJ 1994/64 onder 5.9: ‘Een en ander neemt niet weg, dat de bevoegdheid van de rechter tot de toekenning van een vergoeding bepaaldelijk geredigeerd is als een bevoegdheid die de rechter gegeven is om haar te zijner discretie en ambtshalve uit te oefenen.’ Zie ook HR 22 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1818, NJ 1996/38.
Zie voor een voorbeeld van een zaak waarin in die zin werd beslist: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2957. Blijkens rov. 3.2 van de beschikking van het hof werd door de werknemer in hoger beroep geen extra cumulatie-vergoeding in de zin van art. 7:671b lid 8 BW verzocht, maar het Hof zag toch — en met juistheid — ruimte om zulks ambtshalve te doen (zie rov. 3.20).
M.V.E.E. Jansen en E. van Geuns, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 13: ‘Appellant is echter niet verplicht al hetgeen hij in eerste aanleg over de stellingen van geïntimeerde heeft vermeld in hoger beroep te herhalen. Algemeen wordt aangenomen dat indien het Hof na het slagen van een grief van appellant op basis van de devolutieve werking een stelling moet beoordelen die geïntimeerde in eerste aanleg heeft ingenomen (…), het ook ambtshalve acht dient te slaan op de stellingen van appellant die daar tegenover staan’.Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/137: ‘De devolutieve werking strekt weliswaar primair tot bescherming van verweerder, binnen de door appellant getrokken grenzen, maar werkt binnen dat kader in gelijke mate ten gunste van appellant. Alle door deze in eerste aanleg verdedigde stellingen ter bestrijding van de gedevolueerde stellingen van verweerder, worden door de devolutieve werking immers meegetrokken naar de beroepsinstantie (maar misschien nog met inachtneming van de in het Fafianie-arrest aangebrachte beperking).’
Pleitnota Mr Timmermans d.d. 16 mei 2023, pagina 5, voorlaatste alinea, eerste volzin.