Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.6.2.4
5.6.2.4 ‘Particuliere belegger had adviseur moeten inschakelen’
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655869:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Als in rechte is vastgesteld dat de misleidende informatie de koers niet heeft beïnvloed, betekent dit voor de belegger die aan zijn vordering ten grondslag legt dat hij ook bij afwezigheid van de misleiding het aandeel zou hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs, dat hij (als gevolg van de misleiding) geen koersschade heeft geleden. De belegger die aan zijn vordering ten grondslag legt dat hij bij afwezigheid van de misleiding het aandeel in het geheel niet zou hebben gekocht, kan in dat geval (als gevolg van de misleiding) weliswaar koersschade hebben geleden, maar deze schade is dan in ieder geval niet rechtens toerekenbaar. Voor de laatstgenoemde belegger wordt de rechtens toerekenbare schade immers gemaximeerd op het bedrag van de door de misleiding veroorzaakte koersinflatie (zie § 5.5.3.2).
Een verweer dat in de praktijk nogal eens ten opzichte van (specifiek) de particuliere belegger wordt gevoerd, is dat het zijn eigen schuld is dat hij door de litigieuze informatie (direct of indirect) is misleid en dat hij, had hij dit willen voorkomen, dan maar een professionele adviseur had moeten inschakelen. Voor zover de informatie ten opzichte van de maatman-belegger als misleidend is beoordeeld, acht ik dit verweer in beginsel weinig kansrijk.
Voor de belegger die (stelt dat hij) ook bij afwezigheid van de misleiding het aandeel zou hebben gekocht, maar dan tegen een lagere prijs, is de redenering gelijk aan de redenering die ik in § 5.6.2.1 gaf ter weerlegging van het verweer dat de belegger niet (direct) op de misleidende informatie is afgegaan. Voor de belegger die (stelt dat hij) zonder de misleidende informatie het aandeel in het geheel niet zou hebben gekocht, is de redenering dat het raadplegen van een professionele adviseur de misleiding bij de belegger waarschijnlijk niet zou hebben weggenomen. De adviseur zou door de misleidende informatie namelijk evenzeer op het verkeerde been zijn gezet, en zou via zijn advies de misleiding vervolgens aan de belegger ‘hebben doorgegeven’. Alleen in de situatie waarin de informatie – die voor de maatman-belegger als misleidend is aangemerkt – voor de professionele belegger niet misleidend kan worden geacht, zou dit verweer eventueel kunnen slagen. In dat geval is immers denkbaar dat de professionele adviseur de belegger voor zijn misleiding had kunnen behoeden (ervan uitgaande dat zich niet de situatie voordoet zoals beschreven in § 5.6.2.2 en § 5.6.2.3). Overigens ligt het voor de hand dat in dat geval deze kwestie zich reeds laat oplossen in het kader van de schadevaststelling en/of de schadetoerekening ex art. 6:98 BW. Was de litigieuze informatie voor de professionele belegger namelijk niet misleidend, dan is niet waarschijnlijk dat de markt op het verkeerde been is gezet, en dan is evenmin waarschijnlijk dat er koersinflatie is ontstaan. En als er geen koersinflatie is ontstaan, kan de eisende belegger ook geen (rechtens toerekenbare) schade hebben geleden.1
Het verweer dat de particuliere belegger een professionele adviseur had moeten raadplegen, zou verder eventueel relevant kunnen zijn wanneer de in concreto (beweerdelijk) benadeelde belegger niet de kennis, deskundigheid en ervaring heeft waarover een maatman-belegger wél wordt geacht te beschikken. In dat geval kan zich namelijk de situatie voordoen dat de litigieuze informatie naar objectieve maatstaven niet misleidend is, maar de belegger zich hierdoor toch laat misleiden, simpelweg omdat hij niet over de juiste capaciteiten beschikt om de informatie te kunnen begrijpen. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het geval waarin in een prospectus alle aan het aandeel verbonden risico’s juist en volledig – althans, (voor de maatman-belegger) niet misleidend – uiteen worden gezet, maar waarin een individuele belegger zich hierdoor toch op het verkeerde been laat zetten, bijvoorbeeld omdat hij zich niet realiseert dat aan het beleggen in aandelen (in algemene zin) risico’s zijn verbonden. In een dergelijk scenario lijkt het verweer dat de belegger een professionele adviseur had moeten inschakelen, mij zonder meer gerechtvaardigd. Ik wijs er echter op dat het hier niet primair gaat om een kwestie van eigen schuld, maar veeleer om een kwestie van (het ontbreken van) onrechtmatigheid. Als de litigieuze informatie op het niveau van de maatman-belegger namelijk niet als misleidend kan worden aangemerkt, heeft de vennootschap geen rechtens relevante norm geschonden. Het gebrek aan kennis en deskundigheid van de eisende belegger zal in dat geval dus reeds in het kader van de onrechtmatigheid aan de orde komen, en de aansprakelijkheid van de vennootschap zal dan reeds hierop afstuiten.